mei 312020
 

KINDERJAREN
Een jaar of tien voor er zich – ook in Fryslân – opnieuw een grote sterfte onder het vee zal voordoen, begint er in het gezinnetje van Trijntje Sjoerds en Jelle Sjoerds een nieuw leven. Huwelijksdatum van het paar en de geboortedag van het jongentje zijn, jammer genoeg, in de kerkelijke boeken niet terug te vinden. De geboorte van Sjoerd Jelles echter moet tussen mei 1733 en mei 1734 geweest zijn. In woning nummer 1 te Jouswier woont rond die tijd ene Jelle Sjoerds die, bij de opmaak van de kohieren,
in 1734 niet meer genoemd wordt. Het is aannemelijk dat Sjoerd in dit genoemde huis te Jouswier geboren is.
Hoe zijn kinderjaren verlopen en hoe hij zich als jongeling ontwikkelt, daarvan kunnen we ons alleen in gedachten een voorstelling maken. Een pad naar school is er vast niet geweest of hij heeft dat niet al te fanatiek bewandeld, want latere akten kan hij, niet ongebruikelijk in die dagen, niet van een handtekening voorzien. In plaats daarvan vinden we onder twee testamenten uit 1809 een kruisje als handmerk. Wat later in de tijd volstaan notarissen ook met: ‘hebbende verklaard gaan schrijven geleerd te hebben’

JOUSWIER
Het eerste schriftelijke bewijs van Sjoerd Jelles’ bestaan krijgen we pas als hij trouwt. In de kerkelijke boeken van Jouswier valt te lezen dat aldaar op zondag de zeventiende van wintermaand (december) 1758 het huwelijk bevestigd wordt tussen Sjoerd Jelles en Reinouw Dirks. Beiden wonen op dat moment in Jouswier. Samen vinden Sjoerd en Reinouw ook in Jouswier een onderkomen. Ze nemen hun intrek bij ene Jetse Jacobs die dan in het mogelijke geboortehuis van Sjoerd woont. De woning wordt voor een prijs van 14 caroligulden per jaar gehuurd van Pytter Botes. Daarbij wordt, voor 26 caroligulden, nog een lapje grond gehuurd van ene Sybren Pytters.
Sjoerd en Reinouw betalen belasting over twee koeien en een schoorsteen. Huishouding en bedrijf beginnen, zoals bij meer jonge mensen, bescheiden. Naast de twee koeien is er een vaars en zijn er geen paarden. Ook bezitten ze noch geen bouwland. Het lijkt er veel op dat Sjoerd een koemelkerij
heeft en daarnaast nog arbeider is. Het gezin breidt uit met de geboorte van het eerste kind. Zondag de 23ste van oogstmand (augustus) 1761 wordt in het kerkje van Jouswier Trijntje gedoopt. In datzelfde jaar maakt Sjoerd met een pondemaat ingezaaide grond een voorzichtig begin met akkerbouw. Wellicht heeft dat niet gebracht wat er van verwacht werd, want in de eerstvolgende jaren is het alweer afgelopen met de akkerbouw.
In 1762 verhuist het gezin naar een van de andere acht huizen die Jouswier – naast boerderijen en losse gronden – rijk is. Bij dit huis heeft Sjoerd, verspreid over Jouswier, Morra en Ee, de beschikking over 55
pondemaat weide- en akkerland. De veestapel groeit nu uit tot drie koeien en de woning heeft anderhalve schoorsteen. Tot 1764 verandert er in het leven van Sjoerd en Reinouw niet zo veel. Van drie gaat het weer terug naar twee koeien, het blijft bij die ene vaars en de akkerbouw is verdwenen.
Mede daarom zal het niet nodig zijn geweest er paarden op na te houden. Vanaf 1764 komt er echter verandering.

NAAR EE
In die tijd bezit ene Gerryt Botma twee boerderijen op Groot Midhuizen. Eentje daarvan met 86 pondemaat aan weide- en akkerland, de andere met 40 pondemaat. Beide boerderijen zijn verhuurd aan ene Tieerd IJdes. Het is mogelijk dat Tieerd een vaste knecht huisvest of dat hij een van de twee bedrijven onderverhuurt, want op de kleinste van de twee boert terzelfdertijd ene Lieuwe Luitjens. In de loop van
1763/64 komt Lieuwe Luitjens te overlijden. Zijn weduwe verhuist naar Jouswier en op Groot Midhuizen komt een plaatsje vrij. Sjoerd en Reinouw krijgen de kans zich opnieuw te verbeteren en die kans grijpen zij maar al te graag met beide handen aan. Zo wordt Botma’s stee – 40 pondemaat (1 pondemaat = 36,74 are) bij het bedrijf plus veertien onder Jouswier – gehuurd voor 400 caroligulden per jaar. Daarmee zijn Reinouw en Sjoerd meteen ook naaste buren van Reinouws moeder en stiefvader. Zoals in die tijd gebruikelijk zullen Sjoerd en Reinouw met St. Petri en mei
(Sint Petri: 21 februari, na invoering nieuwe tijd 5 maart) hun nieuwe plek in gebruik hebben genomen. Reinouw is dan ongeveer drie maanden zwanger van hun tweede kind, want op zondag de zestiende van wintermaand (december) 1764 wordt in de kerk van Ee dochter Saakje gedoopt.

VOORUIT BOEREN.
De nieuwe boer onderhoudt in zijn eerste jaar vijf koeien, vijf vaarzen en twee paarden. Akkerland is er nog niet. Het is hierbij opvallend dat deze veestapel precies dezelfde is als die van Lieuwe Luitjens toen
deze kwam te overlijden. Of dit voldoende is geweest om het gezin te onderhouden en tegelijkertijd eigendommen te verwerven of dat Sjoerd hiertoe nog bij Tieerd IJdes en/of schoonmoeder aan de bak moest, is moeilijk vast te stellen. Zoveel is duidelijk, het stel maakt werk van de boerderij en waar de veestapel eerst veelal hetzelfde blijft, wordt de akkerbouw langzaam belangrijker. In 1768 hebben de ‘egtelieden onder Ee’ – naar het lijkt – een klein kapitaal fan 600 caroligulden bij elkaar gezwoegd en op het bedrijf is nu zoveel werk dat er arbeidskrachten aangetrokken zijn. Dit volk – twee meiden / knechten of van beiden een – woont, zoals gebruikelijk in die tijd, op de boerderij. De belastingontvanger wil graag in deze weelde delen en laat Sjoerd vanaf nu “hoofdgeld” betalen. In
eerste instantie voor vier personen. Ondertussen is in zomermaand (juni) 1767 een derde dochter geboren. Op zondag de vijfde van de hooimaand (juli) wordt Jeltje gedoopt in de kerk van Ee.

EIGEN GROND
Nu het boerenwerk hen zo goed afgaat zijn Sjoerd en Reinouw in staat enige pondematen grond voor zichzelf aan te schaffen. Op de veertiende van lentemaand (maart) 1768 krijgen zij het fiat op de koop van twee keer drie pondemaat, als akkerbouw verhuurde grond, van ‘Heer Jan de With als Capitein ter zee en Mevrouwe Wikjen Minnema, egtelieden tot Oenkerk’, voor de prijs van 1.135 caroligulden. In de koopbrief wordt Sjoerds vrouw niet met naam genoemd. Meestal is dat anders. In een volgende
koopbrief – uit 1772 – worden Sjoerd en Reinouw beiden wel bij naam genoemd. De hierin beschreven koop komt, ook bij proclamatie, tot stand op de 25ste van de hooimaand (juli) van datzelfde jaar.
Het echtpaar koopt van Gerrijt Lammerts negen pondemaat bouwland, liggende onder Ee. Gerrijt verkoopt de lap grond voor 2100 caroligulden, die hij in twee termijnen wil ontvangen. Sjoerd en Reinouw vergroten hun grondbezit nogmaals in 1775 met zes pondemaat, liggend binnen het dorp Ee, drie pondemaat, onder Jouswier in 1776 en andermaal met vier pondemaat liggend onder Jouswier in 1781. Deze laatste koop komt op naam van Reinouw.

GROTER GEZIN
Zoals het bedrijf gestaag groeit, zo breidt ook het gezin zich uit. Trijntje, Saakjen en Jeltje krijgen er van vader en moeder nog een zusje bij. In het laatst van herfstmaand (september) 1770 komt Dirkjen en zij ontvangt op zondag de zevende van de wijnmaand (oktober) de doop. Nu lijkt het met vier dochters voor Reinouw wel voldoende te zijn, want meer kinderen blijven vooreerst uit. Sjoerd en Reinouw zullen dan vast ook erg verheugd zijn wanneer zij op zondag de 26ste van sprokkelmaand (februari) 1775 naar de kerk van Ee kunnen reizen om hun jongste kind ten doop te
houden. Het op zaterdag de zesde van die maand geboren jongetje zal Jelle worden genoemd. Na Jelle raakt Reinouw nog een keer in het kraambed, wanneer zich op zaterdag de vijftiende van de slachtmaand (november) 1783 een nakomertje aandient. Aukjen wordt op zondag de 25ste van
louwmaand (januari) 1784 in de kerk van Ee gedoopt.
Aukjen haar twee oudste zusters zijn dan inmiddels al getrouwd en het huis uit. Saakjen is de eerste die op zondag de 19de van louwmaand (januari)1783 in de hervormde kerk van Ee in het huwelijksbootje
stapt, Trijntje volgt nog datzelfde jaar in dezelfde kerk op maandag de 21ste van grasmaand (april). Met de beide dochters vertrekt er ook nog een ‘dienstknecht’ van de boerderij. Mogelijk is hij met een van de beide dochters getrouwd.

GROTER BEDRIJF, 1 pondemaat = 36,74 are
De 54 pondemaat van de boerderij en de aangekochte 28 pondemaat eigen grond geven de ruimte om het bedrijf te laten groeien. Zo komt in 1781 het aantal koeien op acht en een vaars en is er werk voor zes paarden. In datzelfde jaar groeit de oppervlakte ingezaaid bouwland naar 43 pondemaat, een jaar later naar 54. In 1783 is dat met 53½ maar net iets minder. Het mag duidelijk zijn dat Sjoerd landbouwer is. De koeien die hij er naast houdt zullen met name voor de benodige mest hebben gezorgd. In hoeverre de aanhoudende veepest een rol speelt bij het aantal koeien is niet goed vast te stellen, maar het is bijna zeker dat deze ziekte van invloed is geweest. De grenzen van de mogelijkheden op Botma’s boerderij lijken bereikt te zijn en wellicht is het daarom dat Sjoerd en Reinouw zich oriënteren op een andere stee.

DE OVERSTEEK
Tussen St. Petry en medio mei 1784 trekken Jeltje, Dirkjen, Jelle en Aukjen met vader en moeder het Dokkumer Diep over. Wij vinden ze terug onder Westergeest, in de luwte van de oude zeedijk, op een ‘omtrent Beitemahuis’ liggende stee. Verhuurders hiervan zijn burgemeester Timotheus Heeringa’s erfgenamen. Van ouds ligt bij deze boerderij 48 pondemaat, maar door aankopen van andere boerderijen is het aantal binnendijks gelegen pondematen opgelopen tot 74½. Buitendijks komt daar nog 13 pondemaat bij, waardoor Sjoerd en Reinouw 87½ pondemaat tot hun beschikking hebben. De huurprijs voor dit geheel bedraagt 462
gulden. De eigen 28 pondemaat meegerekend hebben Sjoerd en Reinouw nu ruim 115 pondemaat te beheren.

BOUWBOER & VEEHOUDER
Van de 87½ pondemaat zal gemiddeld per jaar slechts 23 pondemaat gebruikt worden als bouwland met 39 pondemaat als hoogste en vier pondemaat als laagste uitschieter. Een groot deel van de grond
zal daarom grasland geweest zijn en een deel daarvan weer hooiland. Het aantal koeien dat eerdere huurders er op deze stee op na houden mag ook in die richting wijzen. Dit betreffend: een Jan Ijdses heeft in de jaren tussen 1765 en 1770 op een gegeven moment vijftien koeien, zijn opvolger Mennolt
Willems, tussen 1770 en 1784 ten hoogste twaalf, terwijl ook hij niet boven de 38 pondemaat bouwland uitkomt. Het heeft er dus alles van dat Sjoerd en Reinouw naast in de bouw ook in de zuivel een deel van hun inkomen zoeken. De in die jaren oplopende kaas- en boterprijs zal aan deze ontwikkeling niet vreemd zijn. Het aantal melkkoeien zou nu moeten groeien en daar lijkt het in eerste instantie ook op. De acht koeien op Groot Midhuizen worden er negen in het eerste jaar aan de Wâlddyk. Misschien is de bouwboer nog niet zo thuis in de veehouderij of speelt – de nu langzaam afnemende – veepest hem nog parten, het aantal koeien wordt kleiner in plaats van groter. De negen worden er, in achtereenvolgende jaren vier, zes en vijf om dan weer uit te komen op zeven. Dat kan beter en tussen
1788 en 1789 lukt het Sjoerd en Reinouw uiteindelijk dertien koeien op stal te krijgen. Met nog zeven vaarzen lijkt nu alles naar wens te gaan en een langere zuivelproductie gegarandeerd. Hoeveel dienstknechten en -meiden het werk op de boerderij precies eist, is niet duidelijk.

PERSONEEL
Tussen 1784 en 1786 hebben Jeltje en Dirkjen de leeftijd waarop zij meetellen in de personele belasting. Jelle valt daar dan nog net buiten. Voor die personele belasting zijn er in die tijd zes personen op de boerderij van Sjoerd en Reinouw. Dit betekent dat tenminste twee, niet familie eigen mensen bij het gezin inwonen. Er van uitgaande dat geen van de dochters elders woont of in dienst is, blijft dit zo tot 1789. In hoeverre Sjoerd in het voorjaar en de zomer dan bovendien nog werk heeft voor niet
inwonende, vaste dienstknechten, en -meiden, toevallige dagloners en/of hannekemaaiers worden wij niet gewaar. De dertien koeien zullen ruwweg 80 tot 100 liter per dag hebben gegeven. De verwerking hiervan tot
boter en kaas brengt voor Reinouw, haar dochters en eventuele dienstmeiden, naast het andere huishoudelijke werk, vanzelfsprekend veel drukte met zich mee.Sint Petri: 21 februari, na invoering nieuwe tijd 5 maart

EEN NIEUW PLAN
Zo goed het nu met de productie van kaas en boter lijkt te gaan, zo groot moet voor Sjoerd en de kinderen de klap zijn geweest dat Reinouw in lentemaand (maart) van 1789 komt te overlijden. Een jaar nadat Reinouw gestorven is, zien wij het aantal koeien teruggebracht naar acht. Zo kan het
werk, nu zonder Reinouw, nog steeds door de overgebleven mensen worden gedaan. Is het Reinouw haar overlijden of simpelweg een aflopend huurcontract? Sjoerd trekt voor zichzelf en de kinderen een nieuw plan.
Om te beginnen koopt hij in de wintermaand (december) 1789 van dochter Saakje en haar man Ype Gerlofs een huis op Tibben. In de proclamatie beschreven met ‘op‘t Oostend van den dorpe Ee’. In 1790 koopt Sjoerd ook nog acht pondemaat akkerland eveneens in Ee gelegen. In beide proclamaties wordt alleen Sjoerd bij naam genoemd, zodat we mogen aannemen dat hij nog zonder vrouw door het leven gaat. Echter zoals wij eerder al zagen, is het niet bij naam noemen van de vrouw geen garantie dat zij er ook inderdaad niet zou zijn. Een jaar later is Westergeest voor de familie geschiedenis.

TERUG IN EE
Op Tibben heeft Sjoerd nog maar drie koeien, een paard en nog zeventien pondemaat grond, waarvan geen vrucht komt. Voor het werk dat hiermee gemoeid is, zijn er geen vaste dienstknechten nodig. In deze situatie zijn er van de zes personen in Westergeest nog maar twee overgebleven. Het lijkt er dus veel op dat Jeltje, Dirkje en mogelijk ook Jelle niet meer thuis wonen en dat Sjoerd voor Aukjen en het werk in het woongedeelte een huishoudster heeft aangesteld. Als er dan op de tiende van herfstmaand
(september) 1791 een dochter geboren wordt, dan moeten we wel aannemen dat Sjoerd opnieuw getrouwd is. Hoewel we ook dit huwelijk met Trijntje Bienzes niet in de kerkelijke archieven terug vinden, moet het ergens tussen bloeimaand (mei) 1790 en herfstmaand (september) 1791 bevestigd zijn. Trijntje Bienzes is het zevende kind in een rij elf en de eerste dochter van Biense Bouwes en Aaltje Pijters. Zij is in het begin van de grasmaand (april) 1768 geboren en de zeventiende van diezelfde maand gedoopt in Driezum. Bij haar huwelijk met Sjoerd is zij 22 jaar.
Sjoerd en Trijntje bewaren het aandenken aan zijn eerste vrouw daarin dat zij hun dochter Reinouw noemen. Ook blijkt nu dat Sjoerd iets nieuws heeft bedacht. Mogelijk heeft het te maken met de schaduwen die Napoleon voor zich uit werpt of is het de invloed van Trijntje, maar Reinouw krijgt bij
haar doop een familienaam mee. Vanaf nu noemt Sjoerd zich Sjoerd Jelles de Boer.

NAAR “DE VLUGT”
Een jaar na Reinouws geboorte is het bedrijf niet erg veel veranderd. Het ene paard is weg en er is een vaars gekomen. Op 4 mei 1791 doet Sjoerd eerder aangekochte grond over aan de huurders. In één koop worden ‘egtelieden’ Hendrik Ages en Jantje Siemens voor 1400 caroligulden de eigenaar van vier en drie pondemaat weiland. Nu zou men denken dat Sjoerd het langzamerhand wat rustiger aan zou willen doen, maar schijn
bedriegt. Sjoerd blijft een bezig baasje met of door een nog jonge vrouw en het draait uit op andermaal een verhuizing. Het zal rond 12 mei 1792 geweest zijn – in ieder geval ergens tussen 1792 en 1793 – dat meneer De Boer zijn gezinnetje opnieuw meeneemt naar Groot Midhuizen. Daar ligt, net iets verder dan Botma’s stee, twee lappen akkerland van af de weg, boerderij “De Vlugt”. De grond bij deze boerderij, ongeveer voor de helft bouw- en voor de helft grasland, grenst aan de grond waarop Sjoerd
zo’n tien jaar eerder boerde. Nu is er weer meer werk te verzetten en Sjoerd trekt extra mankracht aan. Mogelijk is oudste zoon Jelle weer terug in huis. In 1794 komt er nog een hulp bij die echter in 1795
weer verdwenen is. Trijntje heeft ook meer te doen wanneer zij op de 15de van bloeimaand (mei) haar tweede kind ter wereld brengt. Het meisje, gedoopt in de kerk van Ee op zondag de negende van zomermaand (juni),
krijgt Aaltje als doopnaam en De Boer als familienaam. Vanaf 1796 moet het flink wat drukker zijn geweest, want er zijn dan drie knechten en/of meiden op de boerderij inwonend. Na 1797 is het “hoofdgeld” afgeschaft en wordt het aantal volwassenen op een boerderij wonend niet meer
aangegeven. Met vijf koeien en tussen de 28 en 34 pondemaat ingezaaid akkerland verandert er, wat1 pondemaat = 36,74 are het werk betreft ,op “De Vlught” niet zo heel veel. Het aantal knechten en meiden zal dan ook vrijwel gelijk gebleven zijn. Naast zijn werk in het bedrijfsgedeelte pakt Sjoerd ook zijn bezigheden in het woongedeelte weer op. Zodoende breidt het gezin aanzienlijk uit. Reinouw en Aaltje krijgen er drie broertjes en een zusje bij. Bienze geboren op maandag de vierde van de louwmaand (januari) 1795; Klaas op zondag de 20ste van lentemaand (maart) 1796; Sjeuke op zondag de 26ste van de slachtmaand (november) 1797; Sijbe op donderdag de zeste van de wintermaand (december) 1798. Na Sijbe komt er
van Sjoerds werkzaamheden in het woongedeelte vooreerst geen nieuw bewijs meer en daar het op het gebied van grond aan- en verkopen ook stil blijft, ga ik ervan uit dat bedrijf en gezin een rustige periode beleven. Deze betrekkelijke rust vindt een einde als Jelle in 1801 trouwt en – samen met zijn vrouw Tjitske Gerrijts – voor zichzelf wil beginnen. Sjoerd en Trijntje maken plaats en dragen “De Vlugt” over aan Jelle en Tjitske

KLEIN EERNSMA BIJ JOUSWIER
Sjoerd moet zijn opgroeiende kinderen echter nog wel de nodige verzorging kunnen geven. Reden waarom Trijntje en Sjoerd het nog verre van rustig aan kunnen doen. Een nieuwe plek wordt gezocht en gevonden onder de klokslag van Jouswier. Op “Klein Eernsma” moet de komende jaren het dagelijks brood verdiend worden. De huur zal oplopen tot een dikke 1184 gulden. Sjoerd en Trijntje beginnen het bedrijf met acht koeien, twee vaarzen, 25 pondemaat ingezaaid bouwland en zeven paarden. Het
jaar daarop zijn er zes koeien, twee vaarzen, 52½ pondemaat ingezaaid bouwland en zes paarden. Over de jaren tot 1805 zijn er nooit minder dan zes koeien, zijn er ten hoogste vier vaarzen, is er op het laagst
25 en op het hoogst 52½ pondemaat ingezaaid bouwland en is er afwisselend werk voor zes of zeven paarden. In 1805, het laatste jaar waarin de ‘vijf speciën’ opgegeven worden, hebben ‘egtelieden’ De
Boer negen koeien, twee vaarzen en zes paarden op stalen en 52½ pondemaat ingezaaid bouwland.

RUIMTE & ENERGIE
Het is duidelijk dat het bedrijf erg goed loopt. Zulks geeft de mens energie en ruimte om zich weer eens met heel andere zaken bezig te houden. Sjoerd neemt zijn werkzaamheden in het woongedeelte weer ter hand, zoals blijkt wanneer op zondag de eerste de bloeimaand (mei) 1803 Tjiske geboren
wordt. Het kereltje wordt gedoopt op zondag de vijftiende van diezelfde maand. Op woensdag de zesde van de sprokkelmaand (februari) 1805 wordt hij gevolgd door Sjoukje, gedoopt op zondag de derde van de lentemaand en op dinsdag de vijftiende van de grasmaand (april) 1806 sluit Jeltje het rijtje af. Zij wordt gedoopt op zondag de elfde van de bloeimaand (mei). Tjiske, Sjoukje en Jeltje krijgen hun doop in het kerkje van Jouswier. Bij geen van drieën wordt de familienaam De Boer vermeld.

TESTAMENT OPMAKEN
Onder de bedrijven door is het huis op Tibben, blijkens een akte uit september 1802, voor 800 caroligulden verkocht aan Bieze Bouwes en Aaltje Pijtters, te ‘Driesúm’ wonend, dewelken wij al kennen als de ouders van Trijntje. Einde 1805, Trijntje is dan zes à zeven maanden zwanger van Jeltje, vindt Sjoerd de tijd rijp om een en ander te regelen voor diegenen die, mocht hij komen te overlijden, achter blijven. Dinsdag de 31ste fan wintermaand (december) reist Sjoerd naar Dokkum en laat zijn testament
opmaken bij notaris Jan Klaasesz. Naast zijn leeftijd, hij is zo zachtjes aan toch al 70 jaar, is er wellicht ook een zakelijke aanleiding tot deze stap. Kort ervoor, op donderdag de 26ste, wordt geproclameerd dat mr.
Petrus Adrianus Bergsma en zijn broer Johannes Casparus Bergsma ieder hun helft van een 80 pondemaat grote sate, liggende onder Oostrum, verkocht hebben aan Sjoerd Jelles en Trijntje Bienzes. Sjoerd en Trijntje mogen zich vanaf de eerste mei 1806 de ongetwijfeld trotse eigenaars noemen van een sate. Gebroeders Bergsma tonen zich inschikkelijk waar het op het betalen aankomt. Sjoerd en Trijntje mogen de koopsom van ‘Agttienduizend Vijfhonderd Guldens’ betalen op de eerste mei 1806,
maar het staat hen vrij het bedrag in delen af te rekenen. Elk jaar 1/10 deel, maar dat dan wel zo dat het hele bedrag op 1 mei 1815 is afgelost met daarop 4,5 procent per jaar rente over het nog uitstaande
bedrag.Sint Petri: 21 februari, na invoering nieuwe tijd 5 maart
Er kan evenwel niet meteen worden verhuisd, want het geheel is niet vrij van huur. Ene Minne Harmens heeft nog rechten tot in 1808 en betaalt daarvoor 800 gulden per jaar. Dit betekent dat Sjoerd en Trijntje een poosje extra lasten hebben. Mogelijk kunnen zij niet al dat geld zomaar ophoesten,
mogelijk ook kunnen zij het wel redden zonder wat losse pondematen. Vast staat dat op de ‘30ste april 1807 sekere agt pondematen Bouwland geleegen onder laatst genoemde dorpe Ee’(..) ‘voor de Zomma van Twee duizend en Vierhonderd Caroli Guldens’ verkocht worden aan Johannes Wijbes en Hijltje Sijtzes. Deze laatsten mogen de hele koopsom in drie termijnen betalen, zodat Sjoerd op de twaalfde mei 1809 het hele bedrag geïnd kan hebben.

BOLTA SATHE IN OOSTRUM
Tussen St. Petry en 12 mei 1808 is het zover dat “Klein Eernsma” verruild kan voor “Bolta Sathe” in Oostrum. De huizinge staat met het woongedeelte in de richting van de oude school (later bakkerij “Stutehiem”) en met het bedrijfsgedeelte op het oosten richting de weg Dokkum-Ee. De buren van de
nieuwe ‘Bolta Sathe-bewoners’ zijn ten noorden Pieter Oedzes (Dantema), ten zuiden de Talma-erven en ten westen Douwe Sieberens (Mellema). Hoe op “Bolta Sathe” het verloop is in mensen, dieren en ingezaaid bouwland is na 1805 helaas niet meer na te gaan. Wel weten we dat Sjoerd op de 30ste van oogstmaand (augustus) 1809 koninklijk notaris Jan Klaasesz van Dokkum laat komen om een nieuw testament, nu zonder de onlangs aangemeten familienaam De Boer, te laten opnemen. Sjoerd herroept
het eerdere testament van 1805 en gaat over ‘tot dispositie zijner na te laaten goederen’ ; ‘verklaarde de Testateur tot zijne erfgenamen te stellen voor eerst zijne kinderen van het eerste bed bij Reinouw Dirks
in echte verwekt met naamen Trijntje Sjoerds, Saakjen Sjoerds, de kinderen van Jeltje Sjoerdes, haar moeder representerende, Dirkje Sjoerds, Jelle Sjoerds en Aukjen Sjoerds te zamen in een zom van Twwe
duizend guldens in zes gelijke delen on der hen te verdeelen binnen zes weeken na het overlijden van de Testateur’. ‘Voorts verklaarde de Testateur tot erfgenamen te stellen van zijne overige nalatenschap zijne kinderen van het tweede bed bij Trijntje Bienzes in egte verwekt of nog te verwekken ieder van hún in een gelijk aandeel, echter wilde de Testateur dat zijn húisvroúw Trijntje Bienzes het vruchtgebruik zoude behouden zo lang als zij leeft, van al het geen zijne bij haar verwekte kinderen, van
hem mogten komen te erven.’ Bovendien wenst Sjoerd dat zijn kleinkinderen in de plaats komen van hun ouders, mochten deze eerder komen te overlijden dan hij zelf. Blijkbaar is het testament van 1805
niet bij alle erfgenamen even goed gevallen, want Sjoerd laat nog het volgende opnemen: ’En in gevalle onverhooopt den een of ander van des Testateurs aangestelde erfgenamen met deze zijne
beschikkingen niet mogte te vreeden zijn en zich daar tegen kwam te verzetten, zoo verklaarde de Testateur de zoodanige te stellen in de bloote legitieme portie zonder wijders’.

NIEUWE TESTAMENTEN
Nu mag Sjoerd denken dat hij alles netjes geregeld heeft. Evenwel is hij het óf niet helemaal met zichzelf eens, óf de kinderen van het ‘eerste bed’ vinden dat zij met nog geen 400 gulden ieder, er wel erg bekaaid vanaf komen, want nog net geen twee maanden later laat Sjoerd de sjees gereed maken en reist hij naar Dokkum. Op de elfde van de wijnmaand (oktober)vwordt – nu bij notaris Jan Klaasesz op kantoor – een nieuw testament opgemaakt. Twee onderdelen worden veranders: de \wa kinderen uit het ‘eerste bed’ mogen nu ‘Drie duizend’ gulden in gelijke delen verdelen en voor Trijntje is er geen vruchtgebruik meer. Zo blijft het tot de twintigste van lentemaand (maart) 1813. Die zaterdag heeft
Sjoerd, nu toch in zijn 80ste levensjaar, opnieuw een afspraak met notaris Jan Klaassz. Ditmaal komt de notaris met vier getuigen bij Sjoerd op ‘Bolta Sathe’ om wederom een testament op te nemen. Nadat notaris en getuigen hebben vastgesteld dat Sjoerd fysiek en geestelijk volkomen gezond is, laat Sjoerd, na herroeping van alle voorgaande testamenten, opnemen: ‘Ik stelle tot mijne erfgenamen mijne kinderen, zo uit mijn eerste als tweede húwelijk verwekt ieder voor een Vijftiende gedeelte, de kinderen
van mijn wijlen dochter Jeltje voor een vijftiende en mijne húisvrouw Trijntje Bienzes voor de resterende een vijftiende, doch ik begeere dat mijn boedel ongescheiden zal blijven tot dat mijn jongste kind den oúderdom van twintig jaren zal hebben bereikt, als zijnde mijne wille dat mijne
húisvrouw en de kinderen die zij bij haar in húis behoudt te woonen tot die tijd úit de masfale boedel zúllen leven zonder dat mijne húisvrouw voor die tijd iets aan mijne kinderen zal behoeven uit te1 pondemaat = 36,74 are
keeren’ (..) ’versoeke mijne kinderen om mijne húisvroúw mijne nalatenschap op taxatie over te dragen met vrede en eensgezindheid’

NIEUWE FAMILIENAAM
Achteraf blijkt dat dit het finale testament is dat voor Sjoerd zijn erfgenamen opgemaakt is. Echter is dit niet het eerste of laatste waar een notaris of ambtenaar aan te pas moet komen. Twee jaar voor zijn
laatste testament heeft Sjoerd een oproep gekregen om een familienaam te laten vastleggen. Omdat hij al een aantal jaren De Boer als zodanig gebruikt zou men denken dat dit het moment is om dat officieel te laten vastleggen. Misschien vindt hij De Boer al te gewoon of denkt hij dat het verplicht is
een nieuwe naam op te geven, want op de negentiende van de wintermaand (december) 1811 wordt door gemeenteraadslid Minne Douwes Mellema vastgelegd dat Sjoerd Jelles voortaan Boersma als
familienaam zal gebruiken. Zo langzamerhand zal het hoge aantal jaren voor Sjoerd wel zwaar gaan wegen. Reinouw is al het huis
uit en dient in Ee. Klaas zal zijn mannetje wel staan, maar het is niet duidelijk of dit in het eigen bedrijf is of op een van de sates in de omgeving. De overblijvende vier kinderen zijn nog thuis. De beide jongens
zullen hun vader zeker tot steun zijn, maar zijn wellicht nog te jong om het bedrijf zelfstandig gaande te houden. Daarbij komt nog dat de tijden voor de boeren ook slechter zijn geworden. Sjoerd en Trijntje zullen tijdens de lange, koude winter de situatie goed onder ogen hebben gezien en overlegd hebben wat ze het beste kunnen doen.

OVERLEDEN
Woensdag de 27ste van de grasmaand (mei) 1814 gaan zij gezamenlijk naar Dokkum. Daar op het kantoor van notarissen Jan Klaasesz en Posthuma, gaan ze over tot de verkoop van ‘Bolta Sathe’. Meester-zilversmid Flierl van Dokkum wordt met zijn vrouw Jacoba Metz de nieuwe eigenaar. In de
koopakte krijgt Sjoerd van de klerk in plaats van Boersma toch nog De Boer als familienaam. De boerderij wordt als volgt omschreven: ‘Een Zathe en Landen met Huizinge Schuur en Hornleger benevens een Vuurhorntje’ (..) ‘groot na naam en faam tachtig Pondematen gelegen onder Oostrum’ (..)
‘zijnde hiervan veertig Pondematen Greidland en het overige Bouwland’.
Zonder het bij de boerderij gelegen bijgebouw – dit behoudt Sjoerd voor zichzelf – moet het echtpaar Flierl voor het geheel ‘dertienduizend en vijfhondert Guldens van twintig ftuivers ieder’ betalen, ‘Verklarende de verkopers de hiervoren vermelde Koopzumma in een termijn tot hun genoegen van de kopers te hebben ontvangen’ . Sjoerd en Trijntje schieten 5000 gulden bij de verkoop van ‘Bolta Sathe’ in, maar houden al met al aan de hele operatie nog krap 8000 gulden over. Voor de Dokkumer
zilversmid en zijn vrouw moet het nieuwe bezit wel renderen en zo wordt de sate in een moeite door aan de verkopers verhuurd. De huur zal lopen over een periode van vijf jaar voor een prijs van 1000 gulden per jaar. Veel tijd is Sjoerd als meier niet meer beschoren, want precies 13 maanden later, op de 27ste van bloeimaand (mei) 1815 legt Sjoerd Jelles Boersma het moede hoofd neer. Volgens de overlijdensakte in de leeftijd van 81 jaar.

INVENTARISEREN
Na Sjoerds overlijden krijgt Trijntje de voogdij en krijgen zij en de minderjarige kinderen een toeziend voogd toegewezen in de persoon van Wybe Watzes Bosma. Trijntje en de kinderen blijven in eerste
instantie op de boerderij. Ik ben er niet zeker van of zij er de hele huurperiode zijn gebleven. Vrijdag de vijftiende van de lentemaand (maart) 1816 komt op ‘Bolta Zathe’ een groepje mensen bij elkaar. Onder
hen notaris Jan Klaasesz, Wybe Watzes Bosma – toeziend voogd, Hendrik van Kessel – koopman, Gerryt Klazes Buwalda – bouwboer en Marten Jans Faber- koopman. De laatste twee voor de gelegenheid door de ‘Vrederechter’ beëdigd als taxateur. Als getuigen zijn nog gekomen Arend Jans Ploegsma en Syberen Douwes Mellema. Er zal worden geïnventariseerd. Naast genoemde mensen zijn nog de kinderen aanwezig. Deze aanwezigheid omschreven als:‘Voorts ter presentie van Jelle Sjoerds Boersma Landbouwer onder Ee, Jelle Sybrens Faber Kastelein te Ee als man en voogd over zijn huisvrouw Saakje Sjoerds Boersma, Jantje Klazes Stiemsma Landbouwer te Oostrum als man en voogd over zijn
huisvrouw Aukje Sjoerds Boersma voorkinderen van gemelde wijlen Sjoerd Jelles Boersma en van AaltjeSint Petri: 21 februari, na invoering nieuwe tijd 5 maart Sjoerds Boersma dienstmaagd te Oostrum Bienze en Klaas Sjoerds Boersma Boereknegten de eerste te Oostrum en de laatste onder Ee kinderen van Sjoerd Jelles Boersma bij zijn huisvrouw Trijntje Bienzes bovengenoemd in echte verwekt’. Het valt op dat Trijntje Sjoerds en haar man Douwe Sjoerds Edema beiden niet worden genoemd. Ditzelfde geldt voor Jeltje, de oudste dochter Reinouw en de voogd van
haar jongste kinderen Eelze Jelles Kingma. De twee nog levende dochters van Dirkjen worden evenzo niet genoemd. Twee dagen na de inventarisatie reizen Arend Jans Ploegsma, Sybren Douwes Mellema, Marten Jans
Faber en Wybe Watzes Bosma naar Metslawier. In het gemeentehuis zullen zij getuige zijn van en bij het huwelijk Jan Hein Zijlstra en Trijntje Bienzes Hiemstra. Trijntje en Hein blijven getrouwd tot de dood van Hein op woensdag de vijftiende van de bloeimaand (mei) 1839. In de ‘memories van successie’ vinden we een Trijntje ‘moeder van Tjiske en Jeltje Sjoerds Boersma’ met het patroniem Bouwes. De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft er, bij het opmaken van Trijntjes overlijdensakte, ietwat een rommeltje van gemaakt. Hierdoor liet het levenseinde van Trijntje zich lastig vinden. Uiteindelijk komt Trijntje op 79-jarige leeftijd te overlijden op de vierde van de louwmaand (januari) 1847.

 Leave a Reply

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.