okt 282012
 
Op donderdag 25 en vrijdag 26 oktober 2012 vond in Groningen de Second Arenberg Conference on History plaats. In een gebouw (het voormalige Laboratorium voor Hygiëne) van de Rijksuniversiteit Groningen kwamen maritieme wetenschappers, onderzoekers en genealogen bijeen om de stand van zaken van de Sonttolregisters online te bespreken. De belastingregisters van de koning van Denemarken, die tol hief op de passage door de Sont, zijn een steeds belangrijker wordende bron voor onderzoek van de economische geschiedenis van de handel op de Oostzee.
Na een welkomstwoord door voorzitter Jan-Willem Veluwenkamp vertelde Michael Serruys in het kort waarom de Arenberg Foundation dit congres steunt.
Siem van de Woude, de projectleider namens Tresoar, vertelde over de stand van zaken bij het transcriberen van de Sonttolregisters door de sociale werkplaats Breed. De gegevens van voor 1630 (zo'n 320.000 records) zijn zodanig gecompliceerd dat besloten is hier een crowdsourcing project van te maken (gekeken wordt nog hoe precies). Richard Keijzer beschrijft dit ook op zijn blog.
Werner Scheltjens gaf als eerste wetenschapper een visie op de Noordduitse plaats Papenburg, in het hertogdom Arenberg, over de periode 1803-1810. Was dit een virtuele gemeenschap? In tijden van oorlog vluchtten schippers uit de Republiek vaak naar de neutrale vlag van Papenburg, zodat ze niet (makkelijk) gekaapt konden worden.
Magnus Andersson (Gothenburg, Zweden) vergeleek de scheepsbewegingen tussen 1760 en 1765 tussen de Sonttolregisters en de douanepapieren in Gothenburg, waar vaak handel binnen de Oostzee werd gelost.  
Jelle Jan Koopmans, die bezig is te promoveren op dit onderwerp, presenteerde een paper waarin de familie Kingma uit Makkum centraal stond. Kingma was een sociaal handig man, die daardoor grote rijkdom in de handel op de Oostzee en de rest van Europa kon vergaren, zoals Rienk Wegener Sleeswijk kon beamen.
Een excursie naar de Martinikerk bracht ons via een nauwe trap naar de ruimtes boven de gewelven, die een enorm netwerk van hout en steen blootlegden.
Na de pauze presenteerde Katarina Galani uit Corfu, Griekenland, een vergelijking tussen de handel op de Oostzee en de Middellandse Zee rond de Napoleontische oorlogen. De data van Lloyd's List geven een vergelijkbare bron als de sonttol voor de Middellandse zee doorvaarten.
Riika Alvik, researcher bij het Finse Vrouw Maria Underwater Project, toonde twee case-studies over Nederlandse schepen die strandden voor de Finse kust in de 18e eeuw. Het betrof als eerste de Sint Michel in 1747, een schip onder Carl Paulsen Amiel, waarvan een koets, kleding en luxe voorwerpen zijn opgedoken (no. 356 in de Sonttolregisters). Ook zijn er nog skeletresten in het Fins Maritiem Museum in Kotka. De tweede was de Vrouw Maria die in 1771 onder schipper Reinoud Lourens uit Amsterdam op de rotsen bij de Alland eilanden liep. Ik schreef er recent een artikel over in de publicatie van Tresoar, Letterhoeke, met een tekening van het schip dat rechtop op de zeebodem staat, op een diepte van 40 meter. Er staan prachtige video-beelden van op YouTube, zie bijvoorbeeld Vrouw Maria wrecked in the Baltic, First dive, Second dive en Interactive Installation for shipwreck Vrouw Maria. Het schip blijft op de zeebodem omdat het bergen en tentoonstellen rond de 100 miljoen zou gaan kosten.
De tentoonstelling met opgedoken voorwerpen in het Finse scheepvaartmuseum in Kotka loopt nog tot begin 2013, maar daarna zijn ze op zoek naar een museum die het overneemt. Iets voor het Scheepvaartmuseum of Tresoar voor het vieren van het Sonttol project?
Jari Ojala, eveneens uit Finland (Jyvaskyla) liet zien dat de data in de Sonttoldatabase waarschijnlijk zeer betrouwbaar zijn omdat ze prima overeenkomen met andere Baltische bronnen als data van het Kammarskollegiet en Utrikshandel.
Na een gezellige maaltijd in café De Sleutel ging ieder zijns weegs voor deze dag.
De vrijdag, onder leiding van George Welling, begon met de cases van Harlingen en Woudsend.
Magnus Ressel (Bochum, Duitsland) had een spetterend betoog over de impact van Polen en vooral de Pruisische steden op de handel in de Baltic: Stettin, Danzig en Memel. Zeker als Hamburg geblokkeerd werd profiteerden deze steden, allen gelegen aan de monding van een rivier met een groot achterland. Mercantilisme was hierbij het sleutelbegrip.
Na een lunch-excursie in het Groninger Provinciehuis (het oudste deel is de voormalige Latijnse School die uit de 14e eeuw stamt) was de beurt aan Hanno Brand. Hij behandelde de Friese schippers die koloniale waren vervoerden tussen 1720- 1780. Zelfs vanuit Dokkum gebeurde dit, met name op Stettin en de oostelijke Baltic. 
Maarten Draper en Jerem van Duijl hadden een mooie analyse gemaakt van de neergang van de schippers van de Waddeneilanden in de periode 1740-1790. Specifiek werd het eiland Ameland er uitgelicht, waar de Amelander schipper Fopke Cornelis opviel met maar liefst 111 doorvaarten van de Sont. Men voer met name op Dantzig, en toen die route minder belangrijk werd liep de handel van de Amelanders ook af.
Als laatste spreker gaf Jeroen van der Vliet van het Rijksmuseum een vergelijking tussen de Amsterdamse monsterrollen en de gegevens in de Sonttolregisters. Hij heeft een database opgebouwd uit de monsterrollen tussen 1747 en 1850, die een aantal mooie resultaten gaf van koppeling van namen. Het betreft hier het Amsterdamse archief van de waterschout.


 Posted by at 21:08

 Leave a Reply

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.