dec 252012
 

BIJEENVERZAMELD DOOR
H. VAN ROLLEMA

INHOUD.
I. Inleiding: Toebereidselen tot de voetreis. Kennismaking met den wandelaar. Aanvang van de
wandeling langs den Zwarteweg. Ontmoeting met een visscher. Verhaal van zijne
krijgsbedrijven onder Prins Jan Willem Friso, en van diens onverwacht omkomen. blz. 1-15.
II. Verdere wandeling naar Tietjerk. Bezoek bij den Predikant VITRINGA te Suawoude; diens
verhaal van de merkwaardigheden dezer dorpen, en van de levensbijzonderheden van GEORG
SCHENCK VAN TOUTENBURG, Spaansche Stadhouder in Friesland. Opschriften in de
kerk van Tietjerk en Suawoude. blz. 15-30.
III. Voortzetting van de wandeling over de Langemeer naar Garijp. Bezoek bij een kennis, met
wien WIEKSTRA de plaats van het voorm. klooster Sigerswolde bezoekt. Geschiedenis van
dit klooster. Togtje naar Eernewoude. Beschrijving van Garijp en deszelfs merkwaardigheden.
blz. 30-44.
IV. Komst te Suameer in de herberg. Mededeeling van de daar gehoorde bijgeloovige
volksverhalen. Beschrijving van dit dorp. Ontmoeting op de wandeling naar Oostermeer.
blz. 44-50.
V. Bezoek bij den Staats-secretaris JETSE VAN SMINIA, die hem de bijzonderheden van het
dorp verhaalt, en hem eene beschrijving geeft van den oorsprong en de pligten van een
Grietman, zoowel als van de andere leden van het plattelands bestuur in Friesland. Lijst der
Grietmannen en Secretarissen van Tietjerksteradeel. Bezoek van de kerk. Verdere wandeling
over Schuilenburg naar Eestrum. Verhaal van de opkomst van dit dorp deszelfs kerk, en
beschrijving van een boeren-binnen-huis aldaar en van de levenswijze der landbewoners.
Verdere wandeling over de Essen. Schoonheid van dit landschap. Huisterheide. blz-59-80.
VI. Komst te Bergum en bezoek bij den Grietman HECTOR WILLEM VAN GLINSTRA op
het Hooghuis, die WIEKSTRA zijn huis, hof en beplantingen laat zien. Voorlezing over de
geschiedenis van het Bergklooster. blz. 80-98.
VII. Verdere voorlezing over de geschiedenis van het dorp Bergum, deszelfs stinzen en
vermaarde mannen, inzonderheid over MENNO Baron VAN COEHOORN. blz. 98-115.
VIII. Gesprek over de voor- en nadelen van den vroegeren en tegenwoordigen toestand en
levenswijze der ingezetenen, en beschrijvende vergelijking tusschen deze beide.
Avondwandeling naar Bergum terug. Beschrijving van dit dorp, deszelfs kerk en grafzerken,
van Bergumerdam, van den Poppesteen en van de voormalige Hillema-state. blz. 115-131.
IX. Uitvoerige beschrijving van de antieke Grovestins onder Gaastmaburen. Wandeling naar
Hardegarijp, Rijperkerk en Giekerk. Beschrijving van deze dorpen, derzelver kerken en
grafschriften. blz. 131-147.
X. Aankomst te Oenkerk en onthaal bij den Predikant, die WIEKSTRA de kerk met derzelver
grafschriften laat zien, en hem een verhaal geeft van de bijzonderheden van het dorp, en van de
staten en derzelver bewoners. Verdere wandeling naar Oudkerk, waar hij ook de kerk met hare
grafschriften opneemt, waar hij bij de overblijfsels van het klooster Bethlehem deszelfs
geschiedenis leest. Terugtogt van Oudkerk over Oenkerk naar Wijns, waar WIEKSTRA in de
trekschuit naar Leeuwarden gaat, en onderwijl nog verschillende bijzonderheden van de
Grietenij Tietjerksteradeel verneemt. blz. 147-171.WANDELINGEN
VAN MIJNEN
OUD-OOM DEN OPZIGTER
DOOR EEN GEDEELTE VAN FRIESLAND
Uit de nagelaten Papieren van eenen Dorpspredikant.

Klik op de link voor het boek: Wandelingen

 Posted by at 00:30
jun 082012
 

Machiel Bosman, m.m.v. Hans Zijlstra en Reinder Tolsma

Uit:  De Sneuper, nummer 88, blz. 176-181, September 2008, Historische Vereniging Noordoost Friesland.

Op 16 mei 2008 werd in het Stadsarchief van Amsterdam een boek gepresenteerd, getiteld Elisabeth de Flines, Een onmogelijke liefde in de achttiende eeuw. Hoewel een groot deel van het verhaal zich afspeelt in Amsterdam is er ook een belangrijke Dokkumer component. Dit artikel gaat daar dieper op in.

Elisabeth de Flines, de dochter van een steenrijke koopman aan de Amsterdamse Herengracht, gaat er in 1700 vandoor met haar geliefde Eduart Back, de knecht van haar vader Jacob. Ze duiken onder en krijgen een kind, maar hun huwelijk wordt hun belet door haar vader en de rechter. In 1702 bepaalt de Hoge Raad dat ze drie maanden terug moet naar haar vader om zich te bezinnen op haar toekomst. In die periode weet haar vader haar onder druk los te weken van Eduart en een huwelijk voor haar te bekokstoven met een Friese advocaat, Adriaan Penterman(1). Na hun bruiloft in 1704 zetten ze hun huishouden op in Leeuwarden. In 1710 verhuizen ze naar Dokkum, waar ze hun intrek nemen in ‘De nieuwe collegie’, het oude onderkomen van de Friese admiraliteit die in 1645 naar Harlingen is uitgeweken. In 1713 sterft Adriaan Penterman, vader van acht kinderen inmiddels.

Admiraliteitshuis, 1723

J. Stellingwerff

 

Met de dood van Adriaan wordt Elisabeth een ander mens. Voor het eerst van haar leven is ze handelingsbekwaam – niet langer als minderjarige afhankelijk van haar vader of als echtgenote van haar man. Elisabeth is in beginsel steenrijk, alleen dat weet ze niet. Haar vaders huis op de Herengracht is feitelijk van haar. Dat vloeit voort uit het testament van haar grootvader van moederszijde, die heeft bepaald dat haar ouders haar wanneer ze trouwt, of 25 wordt, ofwel vijftigduizend gulden moeten uittellen, of anders vervalt het huis aan haar. Voor Jacob was dit een reden te meer om het huwelijk met de knecht Eduart te dwarsbomen, terwijl hij met Adriaan achter Elisabeths rug om allerhande onderhandse afspraken heeft gemaakt om ervoor te zorgen dat hij het huis kan behouden. Adriaan is afgekocht met twintigduizend gulden onder meer. Elisabeth weet van dit
alles niets, maar er is geen twijfel aan dat ze erachter zal komen nu ze als weduwe zelf haar zaken zal kunnen behartigen. En het is de vraag of de afspraken die Jacob en Adriaan onderling hebben gemaakt stand zullen houden voor de rechter, mocht het zover komen.

 

Het Grachtenboek van Caspar Philips (1770) geeft de 17de-eeuwse toestand van Herengracht 132 vóór 1787 weer.

 

 

 

Jacob besluit het er niet op te wagen, maar in plaats daarvan te proberen zijn dochter onder curatele te laten stellen. Maar dan zal hij eerst een dossier moeten opbouwen dat die stap rechtvaardigt. Kort nadat Adriaan is overleden, stuurt hij tot dat doel een dienstbode naar Dokkum, zogenaamd om zijn dochter bij te staan. Ook Elisabeths schoonfamilie zit in het complot, die door Jacob met mooie beloften is gepaaid.

Wie een familielid zijn bewegingsvrijheid wilde benemen, moest een met redenen omkleed verzoek daartoe aan de rechtbank richten. Drank-misbruik, verkwisting, verwaarlozing, mishandeling, seksuele bandeloos-heid en goddeloosheid waren al dan niet in combinatie de meest gehoorde motieven, dus daar moet Jacob het van hebben. Dit is zijn meesterzet: hij biedt zijn dochter in haar verdriet de hulp van een dienstbode aan, om haar gezelschap te houden en bij te staan in deze moeilijke tijden. Het gaat om Maria van der Voort, de weduwe van een herbergier uit Breukelen. Elisabeth maakt dankbaar gebruik van haar diensten. Zo haalt ze de vijand in huis.

De puinhoop die Maria aantreft! “…alles in den huijse zeer wild en woest, ja gants onordentelijk en reddeloos heeft gevonden, ende dit zoo wel ontrent den huijsraad, als ontrent de kinderen, als loopende dezelve kinderen met gescheurde en onreine kleederen, gants havenloos en geheel en al beset met ongedierte, gelijk zulks heeft gebleeken, nadat zij comparante die kinderen naderhand wat heeft gehavend ende gereinigd. Dat voorts ook zij comparante van tijd tot tijd heeft gesien ende ondervonden, dat de gedagte weduwe Penterman zich weinig, ofte wel in’t geheel niet met haare kinderen bekommerde, ofte bemoeide, veel min behoorlijk versorgde ofte havende, ende alzo ontrent hen geen de minste moederlijke genegentheid ofte liefde bewees, maar eerder hen onbermhertig en onmededogeloos handelde, ende tieranniglijk over hen heerste, als slaande dezelve meest sonder eenige de minste reden.(…) dat zij het eeten in de kas liet bederven, zonder hetzelve ten oorbore te nuttigen (…) maar ook dat sij het natte linnen vier dagen lang in haar slaapkamer opsloot, zonder daar aan iets te doen, en daar na zonder kaars of eenig licht bij haar te hebben, savonts ten zes of zeven uuren tot laat in de diepe nacht daar aan ging arbeiden(…) alzo zij dagelijks zodanig onmatiglijk de sterke drank gebruijkte, dat zij dikwils buijten hare zinnen was, en als dol en rasend aanging. Sluijtende alzoo dronken zijnde haar zelven meesten tijd savonds in de kamer op, dat geen mensch dan bij haar kost komen, waar omme men doorgaans bang en verlegen was, dat zij wel brand mogt veroorzaaken…”

Aldus Maria van der Voort, na een verblijf van zes maanden bij Elisabeth in Dokkum. Wat kan Jacob nog, in het licht van deze verklaring? Zijn dochter, stelt hij met zoveel woorden vast, is niet alleen klein van verstand, oordeel en begrip, maar ook los, onbezonnen en verkwistend van aard. Ze is niet in staat voor zichzelf te zorgen, laat staan voor haar kinderen. Als er niet wordt ingegrepen, valt te vrezen voor de totale ruïne van haar gezin. Er zit maar één ding op, aldus Jacob in een verzoekschrift aan het Friese gerechtshof: een ondercuratelestelling. Deze vrouw moet aan banden worden gelegd. Hij machtigt de Friese advocaat Petraeus om namens hem de affaires rond zijn dochter af te handelen.

Elisabeth intussen heeft Dokkum achter zich gelaten en zich met haar gezin in Leeuwarden gevestigd. Dat zulks niet vrijwillig ging, vertellen getuigen(2): “…dat ook de gem. Pentermans in weerwil van de gem. weduwe Penterman de tweede dagh nae de gem. begraevenisse geweldiglijk de huishoudinge tot Dockum ten meeren deele hebben opgebrooken ende het meest en voornaemste van de meubilen, huisraed en imboel hebben uijt den huijze gevoert of gedaen brengen ende inscheepen in een vaertuijgh ende vervolgens naer Leeuwaerden hebben vervoert, niet tegenstaende de gemelde weduwe Penterman haer zelven op alderhande wijzen daer tegen opposeerde, zelfs tot zoo verre dat zij een buure gerugt maekte en de buuren tot haer assistentie wilde roepen om haer tegen dit geweld te helpen ende te assisteeren ende dat de gemelde Pentermans om haer dat te verhinderen de gemelde weduwe Penterman in een kamer hebben opgeslooten gehadt ende aldaer opgeslooten gehouden tot dat zij de gemelde meubilen uijt het gemelde huijs hadden gedaen vervoeren ende in het gemelde vaertuig inscheepen. Dat dit gedaen zijnde de gemelde Pentermans beijde des naermiddags omtrent ten vier uuren de gemelde weduwe requirante tegens haer wil en genegentheid tusschen hun beijde in het midden ieder bij een arm genoomen ende alzoo door verscheijde omweegen door enge steegjens ende zelfs door het huijs van eenen hopman (3) Snip (zijnde de lombart) als een gevangene om het geright van de menschen te ontgaen ende omdat zij niet soude worden ontset buijten de poort ende in het gemelde vaertuigh hebben gebragt en vervolgens met haer naar Leeuwarden zijn vertrocken…”

Sinds april zit Elisabeth zo bij haar schoonvader, wachtend op een huis dat haar is toegezegd. Maar de oplevering van haar huis schiet niet op en vier maanden later zit ze er nog. Dan, de elfde augustus 1714, vallen de schellen haar van de ogen. De deurwaarder staat op de stoep met een dagvaarding voor haar. Wat blijkt? Haar vader wil haar onder voogdij laten plaatsen! Haar vader! Ze weet niet precies wat hier achter zit, maar één ding is zeker: ze moet weg, terstond, geen dag te verliezen.

Elisabeth wacht tot de Pentermannen de deur uit zijn. Dan, beschroomd en bevreesd, haar hoofd bedekt, glipt ze de deur uit. Ze laat haar kinderen achter, wat moet ze anders? Ze neemt haar toevlucht tot het huis van een vriend, de Leeuwarder koopman Frans Stalpert van der Wielen, en neemt terstond een advocaat in de arm, Petrus Rudolphi. Die zal weten waar hij aan begonnen is: hij zal worden belasterd en belaagd, en jaren moeten wachten op zijn salaris.

Paniek bij de Pentermannen als ze merken dat Elisabeth er vandoor is. Ze weten middels een grootscheepse zoekactie al snel haar verblijfplaats te achterhalen, maar missen het recht haar daarvandaan te slepen. Daarom vervoegen ze zich bij het Hof van Friesland. Deze vrouw, zeggen ze, is ervandoor gegaan met achterlating van haar acht kinderen; daar heeft ze ons mee opgezadeld. Ze tracht de jurisdictie van uw Hof te ontlopen. Ze verzoeken arrest op haar persoon, dat wil zeggen het recht haar op te laten pakken en vast te houden op hun kosten. Bij hen thuis welteverstaan, waar ook haar kinderen zich bevinden. Een dergelijk huisarrest op last van de rechter was niet ongebruikelijk destijds.

Diezelfde dag nog wordt Elisabeth door de deurwaarder van het Hof met twee knechten van haar verblijfplaats weggesleept, om die avond al tot nader order te worden overgedragen aan haar schoonfamilie. Het Hof, dat de zaak gaat onderzoeken, voelt er weinig voor de verdachte tussentijds in de gelegenheid te stellen de aanklacht met haar vlucht waar te maken. Elisabeth is terug bij af, met dit verschil dat ze nu weet dat ze bij de vijand huist. De schijn hoeft niet langer te worden opgehouden, haar schoonfamilie kan het masker laten vallen.

Twee maanden zit ze daar in haar slavernij, zoals ze het zelf noemt – dan volgt de victorie. Het Hof heeft de aantijgingen onderzocht en ongegrond bevonden. Er zou, aldus Elisabeth later, bedrog zijn vastgesteld, tot de uiterste verwarring van haar vader en zijn handlangers. Eind oktober wordt ze in haar vrijheid hersteld en kan ze haar eigen huishouding opzetten, met haar kinderen, in een huis dat ze huurt van Frans Stalpert van der Wielen. Ze krijgt haar meubels terug, die de Pentermannen in beslag hadden laten nemen, en schaft zich om haar overwinning te vieren wat nieuws aan – een theetafel, een kamerscherm en wat bestek onder meer. In geen jaren zal ze meer zo zorgeloos met geld omgaan.

Wat nu? Ze heeft een slag gewonnen maar het gevaar is niet geweken. Hoe haar vrijheid veilig te stellen? Hoe, in haar woorden, het hoofd te bieden aan de gevaren waar ze aan blootstaat, aan de streken en vervolgingen waar ze aan wordt beproefd? Er is een uitweg, beseft Elisabeth: trouwen. Dan heeft ze vanzelf een voogd, zodat de dreiging van een ondercuratelestelling is afgewend. Ze heeft, zegt ze zelf, de krachtige bescherming, raad en assistentie nodig van een man. En ze heeft een kandidaat op het oog ook: een man van wiens oprechtheid en onverminderde liefde ze volkomen overtuigd is. Een man bovendien die het klappen van de zweep kent, die al eerder een trouwe bondgenoot is gebleken in de strijd tegen haar vader – de liefde van haar leven, Eduart.

Het is niet de gelukkigste keuze misschien.

Hoe het afloopt?

Zie daarvoor het boek(4), geschreven door bovengenoemde auteur:

“Elisabeth de Flines, een onmogelijke liefde in de achttiende eeuw”, 2008. Uitgeverij: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 176 pagina’s.

ISBN 978-90-253-6362-8.

Noten:

1. Adriaan Penterman was “tonneboeier”, verantwoordelijk voor het leggen van boeien in de Waddenzee om de vaargeulen aan te geven. Het jaarlijks traktement van de provinciale tonnenmeester: 2000 gulden maar liefst. Bekende voorgangers van Penterman als tonneboeier in Dokkum zijn vader en zoon Zuiderbaan (Jan Lolkes en Lolke Jans). Beiden hebben in hun burgerwapen een boei aan een ketting en een steen (wapenboek Hesman).

2. De getuigen waren Antje Folkerts en haar dochter Neeltje. Haar man Johannes Claesen Wiarda, mr schilder en glasemaker, wonende te Dokkum, te Rinsumageest en te Leeuwarden, is geboren te Dokkum en overleden na februari 1728. Zij trouwen (kerk) op donderdag 5 mei 1689 te Dokkum (hij van Dokkum, zij van Leeuwarden). Antje is overleden na februari 1728. Van Johannes en Antje zijn zes kinderen bekend (info via Melle Koopmans):

1. Folkert Johannes Wiarda is gedoopt 30 augustus 1691 te Dokkum. Folkert trouwt (kerk) op 1 mei 1716 te Dokkum met Antje Jacobs. Antje was eerder gehuwd (1) met Gerrit Hesman, glazemaker en verwer; maakte rond 1700 een wapenboek met burgerwapens van veel Dokkumers (zie Genealogysk Jierboek 1993).

2. Jan Johannes Wiarda is gedoopt 27 oktober 1695 te Dokkum.

3. Neeltje Johannes Wiarda is gedoopt 27 oktober 1695 te Dokkum.

4. Jan Menckes Johannes Wiarda is gedoopt 27 oktober 1695 te Dokkum.

5. Mencke Johannes Wiarda is gedoopt 27 oktober 1695 te Dokkum.

6. Klaas Johannes Wiarda is gedoopt 6 februari 1701 te Dokkum

3. In de garnizoensstad Dokkum was een (burger-)hopman een soort groepscommandant in een vendel. In dit geval betrof het Folkert Snip die ook zilversmid en lommerd(=bank van lening) was. Vroedvrouw Schrader, die volgens haar memorieboek 22 september 1711 Elisabeth hielp een zoon, Gilbert, op de wereld te zetten, was aan deze Snip gelieerd. In Genealogysk Jierboek 1993 staat hun familiewapen. Hierin staat eveneens het wapen van Joannes Wiarda, getrouwd met Anna Lijsbeth Dokkoma(= Antje Folkerts).

4. De schrijver Machiel Bosman en zijn boek waren het onderwerp van een uitzending van “Verre Verwanten op Radio 5”, opgenomen op 17 juni in het Admiraliteitshuis te Dokkum. Geïnterviewd werden tevens museum-directeur Ihno Dragt en streekarchivaris Tjeerd Jongsma. De uitzending van dit programma heeft plaatsgevonden op zaterdag 2 augustus en is nog online te beluisteren via www.verreverwanten.nl of ons Sneuperblog op sneuperdokkum.blogspot.com.

Het boek is genomineerd voor de Grote Geschiedenis Prijs van Volkskrant, Historisch Nieuwsblad, NPS en VPRO.

 Posted by at 00:30
feb 272012
 

Eimert Smits FAzn

Dit artikel verscheen in Sneuper 97, juni 2010, pagina 127-131

In begin januari 1607 zijn 4 of 5 raadsleden van de totaal 7 leden van de  Friesche Admiraliteit in vergadering bijeen. De vier vertegenwoordigers van Friesland, Hippolitus Roellofs, Rienk Diersz Aysma, Ulcke Wijbes en Frederick Coeyeter woonden in Dokkum, de andere drie te weten Geerd Cruys, Syabbe Broels en Wilco toe Nansium behoorden tot de andere provincies.

Mr. Meynaert Scheltens van Aitsma, die secretaris en ook de advocaat-fiscaal van de raad was, maar niet tot de raad behoorde, was een belangrijk man omdat hij op voet van gelijkheid aan de beraadslagingen deelnam. Hij was al vroeg op weg omdat er elke dag m.u.v de zon- en biddagen werd vergaderd. De deur van het Admiraliteits-kantoor aan de Diepswal was al van het slot gedaan door de deurwaarder Johannes Laesz. omdat de vergaderingen van s’morgens 8.00 tot 12.00 u en s’middags van 3.00 tot 6.00 gehouden werden. Bij de secretaris was een brief binnengekomen met een resolutie van de Staten-Generaal van 19 Januari 1607 betreffende het klaar maken van een schip met een minimale bemanning van 100 koppen die eind januari gereed moest zijn. Het schip zou ingedeeld worden in de gezamenlijke vloot van de vijf admiraliteiten met als doel de bestrijding van de Spanjaarden en als het kon vernietiging van de Spaanse vloot.

Het zal een belangrijke vergadering geweest zijn, de Admiraliteit was armlastig en had op dat moment maar één schip, de sedert 1599 gehuurde pinas, welke in de jaren voor 1607 voornamelijk op de Wadden, en voor de Wezer naar Hamburg lag, voor het controleren en vrijhouden van hoofdzakelijk Duinkerkse kapers. Het schip, ook wel de Friesche Pinas genoemd, was een laat-middeleeuws spiegelschip dat opviel door een hoog, vaak rijk versierd hakkebord, het voerde razeilen, maar aan de bezaan-(achterste) mast een latijnzeil. De naam pinas zou afkomstig zijn van het Latijnse woord pinus, dat naaldboom of fakkel betekend. Door de raad kon eigenlijk niet anders dan voor het schip de Friesche Pinas gekozen worden. De Ontvanger-Generaal Jan Hendrikx Jarich van der Leij (1), die niet tot de raad behoorde maar de leiding had van het ontvangkantoor, en de Equipagemeester zullen wel niet blij geweest zijn met het feit dat het schip zo vlug klaar moest zijn. Regelmatig werd de pinas door Theunis Wolterzn Hees, ook wel Co Antonie Woutersz. of Friesche Teun genoemd, van Kollummerzijl naar de admiraliteitswerf te Dokkum gebracht voor onderhoud en om daar klaar gemaakt te worden voor het volgende seizoen.

De Generale Staten verzochten om een uitgerust schip wat in hield dat er de nodige bemanning aan gemonsterd moest worden, en van munitie en proviand worden voorzien. Volgens de resolutie moest er ook een kapitein benoemd worden. Friese Teun werd genomineerd. Op 6 Februari 1607 verklaart Gedeputeerde Runia van de Staten van Friesland, dat Friese Teun de Admiraal Heemskerk op zee zal dienen, hij wordt 8 februari 1607 benoemd.

Midden Februari zal het schip gereed geweest zijn, en voer het Grootdiep van Dokkum uit naar Texel waar normaal de verzamelplaats was voor de schepen van de admiraliteiten van Amsterdam, het Noorderkwartier en Friesland. Dit gedeelte van de vloot onder leiding van Admiraal Jacob van Heemskerk (2) voer naar het zuiden en daar voegden de schepen van de admiraliteit van Rotterdam en Zeeland zich bij de vloot. De vloot was inmiddels aan gegroeid tot 26 kleine oorlogsschepen en 4 vrachtvaarders. Het Nederlandse vlaggenschip heette Aeolus, de andere schepen o.a. De Tijger, De Zeehond, De Griffioen, etc en de Friesche Pinas.

Bij het Iberisch schiereiland gekomen vernam Heemskerk dat de Spaanse schepen al vertrokken waren. De Spaanse vloot bestond uit 21 schepen, waaronder 10 van de grootste galeien. Het vlaggenschip San Augustin werd gecommandeerd door de zoon van de commandant Don d’Alvares d’Avila.

Andere schepen waren o.a Neastra Senora de la Vega , Madre de Dios en Nostra Siegnora del Rosario.

Op dat moment vernam Heemskerk dat de Spaanse vloot zich in de baai van Cadiz bij Gibraltar bevond om de Nederlandse handelsschepen op te wachten in verband met de handel met Azie. Admiraal Heemskerk besloot verder naar het zuiden af te zakken. Bij het verschijnen van de Nederlandse vloot bij de baai van Cadiz die de handelsvloot moest beschermen, waren de Spanjaarden verrast, zij konden hun schepen niet meer buitengaats brengen. Ook trokken zij hun schepen zo diep mogelijk in de baai terug en werden keurig in een linie opgesteld.

De admiraal liet enkele van zijn schepen in de ingang van de baai achter om de vijandelijke schepen het ontsnappen te beletten. De rest van de vloot voer de baai binnen onder vuur van de kustbatterijen. Bij het eerste treffen met het Spaanse vlaggenschip werd van Heemskerk gewond en stierf, maar dit werd vanwege het moreel stilgehouden tot na de slag.

Het ontploffen van het Spaanse admiraalschip tijdens de zeeslag bij Gibraltar, 25 april 1607. Kunstenaar: Cornelis Claesz van Wieringen

Verschillende Spaans schepen werden in vlammen geschoten en explodeerden. Het vlaggenschip werd veroverd, leeg en brandend op het strand gedreven. De totale Spaanse vloot van totaal 21 schepen werd vernietigd inclusief alle opvarenden. De slag is berucht door zijn bloederige details. Veel schepen werden met overspringen op de vijandelijke schepen veroverd en de bemanning werd aan boord stuk voor stuk afgemaakt. Na de vernietiging van de schepen werden kleine boten uitgezet en werden honderden wegzwemmende Spaanse soldaten en matrozen alsnog gedood. De verliezen aan Nederlandse kant waren 100 doden en 60 gewonden. De Spanjaarden verloren 4000 man inclusief admiraal Alvares. In boven-genoemd gevecht was Friese Teun met zijn bemanning aanwezig op de Friesche Pinas en zij veroverden het schip Nostra Siegnora del Rosario. Mede door hun aanwezigheid en als gevolg van de vernietiging van deze Spaanse vloot gingen in 1608 vredesbesprekingen van start waarna in 1609 het Twaalfjarig Bestand begon.

Nog even terug, voor Friese Teun was het verhaal nog niet afgelopen. Na de slag voer het schip weer terug naar de Nederlanden waar het werk op de Wadden en voor de Wezer weer werd hervat. Op 13 juni wordt Theunis Woltersz beloond met 6 gulden voor het veroveren van het bovengenoemd schip, die zal hij wel gekregen hebben. Maar op 12 mei 1612 vraagt hij de Gen. Staten nogmaals om uitbetaling van de 50 gulden die hem ook op 17 december 1609 voor betoonde moed bij de slag toegewezen is. De Gen. Staten besluiten de Admiraliteit in Dokkum te schrijven dat ze de 50 gulden moeten uitbetalen en hem bij de eerste vacature weer in dienst moeten nemen. Voorlopig zal hij een extra ordinarius traktement ontvangen van 12 gulden als hij in werkelijke dienst is. Of hij de 50 gulden gekregen heeft is niet na te gaan, wel dat hij weer in dienst is gekomen. In 1619/ 1620 was hij onder de Zeeuwse Commandant Moy Lammers op expeditie in de Middelandse Zee, ook in1631 wordt hij nog genoemd als werkende bij de Friesche Admiraliteit.

Dat er wel het nodige aan betalingen misging blijkt ook wel uit een schrijven van Teunis Woltersz aan de HoogMogende Heren St. Gen. van 5 october 1628. Hij vraagt daarin de HMH Heren, bijna 20 jaar later, de Admiraliteit te Dokkum te gelasten het hem in 1609 vanwege bij de zeeslag in de Straat van Gibraltar verrichtte diensten toegekende jaartraktement uit te betalen. De admiraliteit zal wel zonder geld gezeten hebben want op 30 maart 1612 vragen zij de Staten-Generaal om f.50.000,= te mogen ontvangen ter aflossing van de schulden van de admiraliteit van Dokkum. Zelf kregen de raadsleden een vergoeding van f.600-= per jaar, dit in schrille tegenstelling tot het personeel (3).

Bronnen:

De gegevens, namen en data zijn uit archieven van de Generale Staten, de Friese Admiraliteit, de Gemeente Kollummerland en uit de boeken Admiraliteit in Friesland Dokkum 1599 uitgegeven door M.H.H. Engels en De Friesche Admiraliteit boven water door E. Smits FAzn.

Noten:

1. Een afbeelding van Jan Hendrick Jarichs van der Leij is te vinden op: http://www.hvnf.nl/2005/09/jan-hendrick-jarichs-van-der-ley-1565-1639-een-onbekend-genie-uit-dokkum/

2. Jacob van Heemskerck overleefde als schipper van Willem Barents in 1596/1597 de Overwintering op Nova Zembla. Deze reis werd beroemd dankzij het verslag van Gerrit de Veer: Waerachtighe Beschrijvinghe van drie seylagien, ter werelt noyt soo vreemt gehoort […] by noorden Noorweghen, Moscovia en de Tartaria, na de Coninckrijcken van Cathay ende China.

3. Naar aanleiding van de in 1607 gewonnen Slag bij Gibraltar, waaraan diverse Friese schepen van de Dokkumer Admiraliteit deelnamen werd een kaart besteld: Andrijes Lader boeckebijnder vereert voerde caert bij hem inde camer van Oestergoe opt Landtschaps huijs gelevert vande [zee]slach voer Gibraltar geschijet 3 £.

 Posted by at 00:30
feb 252012
 
Onlangs moest ik voor een gezelschap in Dokkum een verhaal vertellen. Ik koos als onderwerp de geschiedenis van de stranding van ‘De Valk’ op Ameland in 1799. Ter voorbereiding van dat verhaal bezocht ik het Rijksarchief in Leeuwarden. Daar ontdekte ik een brief die het gemeentebestuur van Ameland schreef aan het bestuur van het Departement van de Eems, het toenmalig provinciale bestuur van Friesland en Groningen. Tot mijn verrassing bleek dat het gemeentebestuur in deze brief loog, of althans niet de volledige waarheid vertelde.
Het verhaal van de stranding van het fregat ‘De Valk’ in de morgen van 10 november 1799, is bekend. Bij die scheepsramp kwamen ruim vierhonderd mannen, vrouwen en kinderen om. Over deze ramp is op 1 februari 1800 een rapport geschreven door de Engelse officier John Humphrey Edward Hill. Uit dat relaas blijkt dat van het regiment van Hill, de Royal Welsh Fusiliers, 19 soldaten en Hill als enige officier de scheepsramp overleefden. Zij werden op Ameland met grote liefde en zorg opgevangen en bleven een week op het eiland. Zij verlieten Ameland volgens Hill dus op of omstreeks 17 november 1799 met als reisdoel Den Helder. Hill zette daar zijn 19 soldaten op een schip en miste zelf vervolgens de reis naar Engeland omdat hij eerst zelf de overtocht van Ameland naar Den Helder ging betalen. Hill kwam op 20 november veilig in Portsmouth aan.
Essentieel in het bovenstaande is dat Hill met 19 Engelse soldaten op Ameland was. Er waren dus in die week van 10 tot 17 november 1799 twintig Engelsen op Ameland.
Eerder dat jaar had de landing plaats gevonden van het gecombineerde Engels-Russische leger in Noord-Holland. Daar vond een reeks veldslagen plaats tussen die invasiemacht en het gecombineerde Frans-Bataafse leger. Na veel bloedvergieten zegevierden de Fransen en de Hollanders. Op 22 oktober werd er een wapenstilstand gesloten en zo verlieten op 28 oktober 1799 de Royal Welsh Fusiliers aan boord van ‘De Valk’ de Noord-Hollandse kust.
Het jonge revolutionaire bewind was zeer trots op deze overwinning. Er werd een nationaal feest gelast; “ter vereering van den roem door de vereenigde Bataafsche en Fransche Armee behaald, ter nagedachtenis van die Helden die op het bed van Eer gesneuveld zijn, ter opwekking van vaderslandsliefde, en vereeniging van alle welgemeenden tot eene zin tot een gevoelen om de Staatsregeling getrouwelijk aan te kleeven en het Vaderland en de Vrijheid te behouden, en voorts tot alle andere en dergelijke nuttige en lofwaardige einden en bedoelingen” zo blijkt uit de proclamatie van het bewind.
Tegelijkertijd was het Bataafse bewind ook erg geschrokken van deze invasie en de reacties die er hier en daar optraden. Er werden op meerdere plaatsen vrijheidsbomen omgehakt en vervangen door Oranjebomen. Dat gebeurde ook op Ameland. Sorgdrager meldt dat op 8 oktober 1799 “de regeering Ameland overgegeven had”, en dat dat “een ongemeende vreugde verwekte Oud en Jong kwam in menigte op de been, Elk voorzag zig uit Eijgen beweeging van een Oranje Lint geen half uur was de tijding tot Holm geweest of de vrijheidsboom wierd door het Jong volk omgekapt en aan stukken gehouden, op order van de Commissaris de vlag zag men op het oogenblik waaijen van den Toren de klok deed men Luiden tot ‘S avonds 8 uur het Jong volk Liep schietende langs het dorp, en het geroep van Oranje boven, en de blijdschap onder het volk was ongemeen groot”. Sorgdrager meldt verder dat er die avond een “gelag” plaats vond in de “Herberg” ( De Zwaan ?) dat zonder iemand te molesteren goed afliep.
De volgende dagen werd er zelfs een proclamatie voorgelezen waarin paarden en vaartuigen werden gevorderd voor het Engelse leger. Die hele week vonden er nog meer Oranje-feesten plaats ook op de rest van het eiland. Op 18 oktober hoorden de Amelanders echter dat de strijd nog volop woedde. Op 27 oktober vernam men op Ameland dat er op 22 oktober een wapenstilstand was gesloten tussen de strijdende partijen. De bordjes waren weer verhangen en op 5 november werd er in Hollum een Franse proclamatie voorgelezen waarbij aan alle burgers werd aangezegd om de vrijheidsboom weer op te richten. De oude tijden van voor 1795 keerden nog niet weerom. Deze laatste proclamatie werd voorgelezen vijf dagen voordat ‘De Valk’ verging.
Uit dit overzicht uit het Memoriboek van Sorgdrager blijkt onomstotelijk dat er die dagen een contra-revolutie op Ameland plaats vond. Dat dit ook bekend was bij het Departementaal Bestuur in Leeuwarden blijkt uit de brief die vanuit Leeuwarden werd gestuurd aan het Uitvoerend Bewind van de Bataafsche Republiek in Den Haag. Men schrijft: “Op heden is door twee leden van de Raad van de gemeente Ameland als daartoe door hunnen medeleden gecommiteerd, ter Onzen kennis is gebragt dat sedert den 9 October wanneer het Eiland Ameland zich voor den Engelschen heeft verklaard aldaar een volkoomene Rebellie plaats heeft; dat de zoogenaamde Princevlag van de Torens waayt en alles met Orangetekenen is ontsierd dat de Vrijheidsboom is omvergehaald en de Orangeboom geplaatst is dat de Raad voorn. wordt bespot en deszelfs orders niet gerespecteerd.”  Het departementaal bestuur trad echter niet op: ”daar wij onzeeker zijn in hoeverre wij gerechtigd zijn van de Magt aan ons competeerende tot herstel van de rust en goede orde op dat Eiland voor den 30 November aanstaande, zijnde het termijn binnen hetwelk volgens de geslotene Capitulatie de Engelschen deze Republiek moeten hebben geevacueerd, uit hoofde gen. Eiland zich voor den Engelschen heeft verklaard. Wij zouden echter gaarne daartoe alle onze pogingen in het werk willen stellen en verzoeken over zulks met Uw welmeening daaromtrent te worden gehonoreerd.
Heil en Broederschap J. Huber vz. M Salverda secr. 1 November 1799.”
Uit deze brief blijkt dat er een complete rebellie is geweest. Niet alleen zijn overal Oranje-symbolen aangebracht, ook wordt de Bataafse gemeenteraad genegeerd en bespot.
Het is op zich niet verwonderlijk dat Ameland vooraan liep in de Oranje-geledingen. Ameland was immers tot 1795 persoonlijk bezit geweest van de Oranjes. De Amelanders zullen in de economisch zeer slechte tijden van de Franse bezetting beslist terug verlangd hebben naar die dagen. Men zal ook genoeg gehad hebben van de enorm belastende inkwartieringen van militairen en de beperkingen die in het kader van het continentaal stelsel werden opgelegd. Er was in die dagen daardoor honger en gebrek op het eiland.
Na de grote periode van onzekerheid als gevolg van de invasie en de Oranje-aanhangers, stuurt het Bataafse bewind na de wapenstilstand van 22 oktober aan alle besturen van de Departementen een brief met het verzoek om na te gaan of er nog Engelsen achter gebleven zijn. Tegelijkertijd stelt men de vraag of de departementsbesturen willen nagaan hoe het staat met het de gevoelens onder het volk. Op hun beurt schrijven de besturen van de departementen de gemeentebesturen aan met de vraag rapport uit te willen brengen. Die brief van het bestuur van het departement van de Eems komt op 12 november op Ameland aan. Twee dagen dus na de stranding van ‘De Valk’.
Het gemeentebestuur van Ameland heeft dan een groot probleem. Het departementaal bestuur wil weten of er Engelsen binnen de gemeente zijn, net op het moment waarop er twintig Engelsen als overlevenden van de ramp met ‘De Valk’ op het eiland zijn aangespoeld. En dat terwijl tot overmaat van ramp in de gemeente op uitbundige wijze de vrijheidsboom “aan stukken is gehouden” en er vele Oranje-feesten zijn gevierd. De Engelsen waren zelfs met Oranje-vlaggen verwelkomd, zo geeft Hill in zijn rapport aan. De brief van het departementaal bestuur had niet op een ongelukkiger moment kunnen komen. Het gemeentebestuur moet met de hele kwestie enorm in zijn maag hebben gezeten: het is de ultieme test tussen loyaliteit aan de eigen eilanders of loyaliteit aan het Bataafsche bewind.
Men zal lang vergaderd hebben om een passend antwoord te bedenken. Het gemeentebestuur kiest voor de weg van list en leugen men schrijft dan een brief die een mix is van waarheid en onwaarheid.
Brief van gemeentebestuur van Ameland aan het Departementaal bestuur van de Eems te Leeuwarden.
Gelijkheid, Vrijheid.
De Raad der gemeente van Ameland.
Aan het Departementaal Bestuur van de Eems
Te Leeuwarden.
Burgers,
Uw gerespecteerde Missive in dato 12 deeser is ons wel geworden. In antwoord op deselve dient dat hier op het eiland geene Engelsen zijn nog gedurende de oorlog ook niet hebben geweest. Ook worden thans geene scheepen van deselve meer gezien. Eghter blijven de vlaggen van de Toorns hier nog waaijen en de zogenaamde Orangeboomen in derselve ….
In hun volle luyster alschoon wij Uw Resolutie van den eersten deeser aan den ingezeetenen hebben bekent gemaakt daar intusschen het gebrek aan Proviand en levensmiddelen dagelijks vermeerdert en toeneemt.
Wij hebben de gesalveerde manschap van het alhier op den 10de deeser verbrijselde Transportschip de Valk waarvan kennisz hebben gegeeven met een daartoe afgehuurd schip den 15e deeser na de Helder gesonden. Met onsen Chirurgin doordien het meerendeel derselve ziek en door het stranden geblesseerd waaren. Onder deselve bevond zich een Engelse officier welke aan ons een bewijs van Een goede behandeling heeft gegeeven. Wij vertrouwen dat Ulieden onze verrichting met het versenden derselve zult goedkeuren.
Van het verongelukte schip De Valk is niets van aanbelang geborgen. Eenig Zeijl en Touwwerk is met de Tuigage aangedreven. Veertig a 42 Lijken sijn hier op strand gevonden zoodat een groot getal nog manqeerd.
Wij zijn na toewensching van Heijl en Eerbied uwe medeburgers,
De Raad van de gemeente van Ameland
Sipke Claassen, Presendent.
Ter ordonnantie van deselven
O.J. Klijn, Prov. Secretarisz.
Ameland 17 november 1799
Het 5e jaar der bataafschen vrijheid.
(Inventaris van de Archieven van de Gewestelijke bestuursinstellingen Van Friesland 1795-1813
Tresoar/Ryksarchyf BRF (8) Inv.nummer; 692.)
Men redt zich dus uit deze netelige situatie door glashard te beweren dat er geen Engelsen op het eiland zijn en dat die er ook niet tijdens de oorlog zijn geweest. Hier liegt het gemeentebestuur dus. Wel verzacht men de leugen door verder in de brief deze manschappen wel te noemen waarbij men echter wijselijk de nationaliteit onvermeld laat. Alleen van de ene Engelse officier (Hill dus) maakt men wel gewag, maar men stelt daar onmiddellijk bij dat men op de 15 november deze officier met de rest van de groep met een schip heeft weggezonden. Zij zagen zich daartoe gedwongen omdat de gestranden ziek en gewond waren. Men had zelfs de eigen chirurgijn meegestuurd. Huichelachtig stelt men vervolgens dat men aanneemt dat het departementaal bewind deze handelwijze zal goedkeuren. Het wegsturen van die ene Engelsman kon toch niet euvel geduid worden. Men had bovendien geen keuze omdat hij gewond was en medische verzorging nodig had, zo lijken de gemeentebestuurders te impliceren. Of deze weergave van de feiten helemaal correct is mag worden betwijfeld. Het is zelfs niet uitgesloten dat ten tijde van het versturen van de brief (15 november 1799) er nog Engelsen op het eiland waren. Hill schrijft immers dat men een week op het eiland verbleef, hetgeen meer duidt op een vertrek van de Engelsen op 16 of 17 november.
Het is mij niet duidelijk geworden waarom het gemeentebestuur loog. Was het uit eilander solidariteit? Of was het omdat men niet wilde toegeven dat men als gemeentebestuur de zaken niet goed in de hand had.
Het vertrek van de Engelsen was echter net op tijd. Want uit het Notulenboek van het Departementaal Bestuur van 21 november 1799 blijkt dat er op 23 november 1799 een detachement Bataafse militairen naar Ameland werd gestuurd. In dat notulenboek van het Departementaal Bestuur in Leeuwarden staat;
“Door de President ter vergaadering zijn gecommuniceerd dat door de plaats. Major. Hartemink namens de Comandant deezer stad aan hem was vertoond eene patent van den Collonel Boonacker op last van Generaal Dumonceau afgegeven waar op een detachement van 1 sergeant, 1 corporaal en 12 gemeene van de Compagnie Friesche Guarde zich op aanstaande saturdag naar het Eiland Ameland moeten begeeven tot herstel der zaaken aldaar.
Sipke Klaassen en O.J. Klijn zijn dus goed weg gekomen met hun leugen. Maar ook voor hen geldt: “Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt ze wel.” Ook al duurt het soms meer dan tweehonderd jaar.
Mr. Roel Cazemier
Bron: Pollepraat 2002, Cultuurhistorisch museum Sorgdrager Ameland, http://www.amelandermusea.nl/cultuurhistorisch.html
 Posted by at 00:30
feb 212012
 

Van dhr. J. Ponne uit Canada kregen wij een copie van de door C. Manje overgeschreven brief van commandeur Hidde Dirks Kat aan zijn huisvrouw, geschreven van uit Straat Davids in den jare 1778.

Straat Davids den 4 Februarij 1778

Zeer Geliefde vrouw Jantje Jans.

Wensche dat ued. deeze beneffens mijn Lieve Kinderen in een goede welstand aan mag koomen. Wat mij betreft beneffens eenige van mijn Volk, is na droevige omstandigheeden redelijk wel.

Verdient deeze om U te laaten weeten dat ik den laasten September mijn schip tot mijn leedweezen heb verloren met een harde storm uit het O.N.O. dik van sneeuw, zaten digt aan de Zeekant, borgen doen ons eten op de Schots, maar door de geweldige hooge Zee spoelde ons eeten van de schots, sleepten ons 3 sloepen met 3 ton Brood en een Vatie boter op een andere schots, daar wij dien nagt op bleeven met 68 Man, dien ik had geborgen van Commandeur Albert Jansen en Pieter Andries, die den 20 Augustus haar scheepen hadden verlooren. Des anderen daags dreven wij met de Schots een mijl na binnen, toen kreeg dien dag nog 10 man van mijn Makker Hans Pieters zijn volk bij mij op de Schots. Waren toen met ons 78 Man op de breedte van 64 graden, 70 mijl bij Oosten Statenhoek, dreven al bij ’t land langs.

Den 3 October liepen daar 27 Man van mij af, 40 mijl bij oosten de hoek, waar zij beland zijn weet ik niet.

Comm. Albert Jansen en ik bleeven met 49 man op de Schots staan, zo als wij niet anders dagten als dat ons leevens tijd ten einde was, des kreegen wij zo een hooge zee, dat wij dagten, dat wij de dag niet meer beleeft zouwen hebben. De Schotsen stieten zo geweldig tegen malkanderen, dat het droevig was te hooren. Den 5 october kwamen wij met ons 3 sloepen in zee, ieder sloep 17 man, voeren doen bij ’t ijs langs om statenhoek heenen. Doen wij om de hoek kwamen strekte het ijs zo ver op zee uit, dat wij weder resolveerden om in het ijs te gaan, terwijl ons eeten meest op was. Daags kreegen wij een halve Beschuit en weinig boter:

Den 7 gingen wij weder in ’t ijs om na land toe te werken, waren 18 mijlen van de wal. Den 8 dito zaten wij met ons sloepen digt bezet. Deelden toen ons brood onder malkanderen, de man 3 beschuiten en een weinig boter, lagen toen met malkanderen over, om ons sloepen te vlugten, om te zien, of wij niet aan de wal konden komen.

De klok 9 uur gingen wij met ons 4 man weg, twee bleeven in de Sloep leggen die niet gaan konden. De eerste dag verdronken daar verscheiden van het Volk bij ons, ik zelf raakte 2 maal tusschen de schotsen en over het hoofd nat, maar kreegen mij weer, moesten toen met die natte kleeren loopen, en des nagts liepen wij bij malkanderen op de Schots, enkelde Vroozen dood van de koude, en het slimst was nog, die ’t leeven was ook niet anders te wagten had.

Den 11 dito kwam ik met 20 man aan de wal, 5 mijlen beneeden Statenhoek, hadden niet meer te eeten, liepen doen bij een baai langs, vonden daar groote mosselen en Beijen, aten daar ons Lijf van vol.

Van den 11 tot den 16 October lagen wij daar bij malkanderen, doornat van reegen en des nagts konden wij ons niet begeven te slaapen of vroozen stijf, een man storf bij ons van de koude. Den 16 des middags zagen wij 3 wilden in de baaij uit komen, riepen haar, kwamen bij ons, bonden haar 3 schuitjes aan malkanderen en gingen daar met ons twee man op zitten, de Stuurman en ik, kwamen des agter middags door nat en stijf van koude bij haar in de Huizen, trokken ons kleeren uijt en gaven ons haar kleeren aan, en gingen doen op haar legersteede leggen, gaven ons Robbespek en vleesch te eeten, het smaakte ons zo zoet als honing, want wij waren regt uijt gehongert, gelijk gij wel kunt denken. Des anderen daags liet ik mijn ander volk ook bij mij haalen, kwamen den 17 October bij mij in de tent.

Den 18 liepen wij een mijl over de klippen, kwamen in een andere tent, vonden daar mijn makker Albert Jans en met nog 13 man, zodat wij met ons 33 man aan de wal kwamen, de andere zijn verdronken of gestorven van de koude.

Den 13 November kwam ik met 5 man bij de eerste Duitsche broeders, Hernhutters genaamd, wierden daar met groote liefde en blijdschap ontfangen, drie dagen daar geweest hebbende, zette ik mijn reis verder Noordwaards om op Colonie te Komen.

Den 19 November kwam ik bij een Deensche Koopman Andries Oelsen, daar Marten Jansen Jeldert Jans 4 dagen van daar waren vertrokken geweest, terwijl daar geen geleegentheid was om aan de kost te komen, terwijl zijn Schip met eeten 50 mijl hier bij Noorden leit, zo raade hij mij om aldaar te blijven, en beloofde mij met mijn volk, als zijn schip hier komt, dat wij daar mede na Huis konden Koomen. Commandeur Hans Christiaans, die zijn schip ook bij ons heeft verlooren, is hier bij mij en hebben het hier aller best, hoopen in de maand Julij in Koppenhagen te weezen en als het wat langer duurt, zo weest maar niet ongerust, al de ellende en droefheid die ik hebbe beleeft, kan ik met geen pen beschrijven, dog doe de Heere zij gelooft en gedankt, die mij dus ver heeft bewaart, hoope dat hij mij verder mag bewaren, op dat ik U. E. eens mag vertellen, hoe wonderbaarlijk de Heere mij gered heeft.

Mijn Cajuitswagter is bij mij, de koksmaat leit hier 2 mijl met nog 6 man hier van …., in ’t leeven, stuurman, speksnijder,  koksmaat Pieter Hendriks, en Kok Jan Kats, en nog eenige van ’t volk.

….en Vader, Moeder, Zuster en verdere Vrienden …. groetenisse van mij. Zijt verders gegroet …. de Heere bevoolen van mij U.E. Lief hebbende Man, Zoen mijn Lieve Kinders deeg … mij.

Hidde Dirks Kat

En wees maar niet ongerust, in al de hevige tijd kan ik niet zeggen dat mij een ….er zeer gedaan heeft. Schrijft een brief aan mij na Hamburg toe, dit heb ik geschreven 4 Februarij 1778 en stuur het met een Schip dat 36 mijl van daar leid. Wij zijn aangekomen 106 man, 331 verlooren …… 18 schepen 6 Commandeurs.

namentlijk Marten Jansen, Jeldert Jansen, Pieter Andries, Hans Christiaans. Weest maar niet ongerust, mijn Swager Klaas weet ik niet van. Groet alle bekende.

Bron: Pollepraat 2002, Cultuurhistorisch museum Sorgdrager Ameland, http://www.amelandermusea.nl/cultuurhistorisch.html

 Posted by at 00:30
feb 062012
 

De Ondergang van de Batavia met als hoofdrolspeler de in Dokkum opgegroeide Jeronimus Cornelisz is ook in stripboekvorm verschenen. De titel is dan eenvoudigweg: Jeronimus.
Onlangs kwam het derde en laatste deel van de trilogie uit. Meteen kocht ik bij de befaamde stripboekenwinkel Lambiek in Amsterdam een exemplaar. Als ondertitel heeft dit deel 3: Batavia’s Kerkhof. Wel behoorlijk aan de prijs (bijna 25 euro), maar dan heb je ook wat.

Elk plaatje is een schilderij waarop met veel gevoel voor drama de gruwelijkheid van de Batavia stranding en het gedrag van Jeronimus Cornelisz wordt weergegeven. Verbazingwekkend genoeg wordt vrijwel de gehele verhaallijn van het boek van Mike Dash gevolgd, uiteraard niet zo gedetailleerd maar wel realistisch. Alhoewel…dat Jeronimus zo’n Spaans uiterlijk zal hebben gehad lijkt me sterk, gezien zijn Friese moeder, Sytske Douwes uit Burgum.
Dat geschiedenis via een beeldverhaal echter meer gaat leven is wel zeker. Een aanrader voor iedereen die van (maritieme) geschiedenis en stripboeken houdt!
Zie ook de recensie.

 Posted by at 00:30
feb 052012
 

Van onze verslaggever ter plaatse Henk Aartsma

Jong en oud in Dokkum beleven dankzij de inspanningen van het bestuur en de leden van de Koninklijke IJsclub Dockum weer veel schaatsplezier op de ijsbaan. De IJsclub is opgericht in 1840, en daarmee de oudste van Nederland en misschien wel van de wereld! Ook op de Dokkumer stadsgrachten, Zuider Ee en het Grootdiep wordt er inmiddels volop geschaatst.

In een koek en zopie tent kunnen de schaatsliefhebbers tijdens een korte pauze genieten van een beker met heerlijke warme chocolademelk. Een dun laagje sneeuw, dat als een wit kleed over de stad is gespreid, maakt het winterse beeld compleet.

 Posted by at 00:30
feb 032012
 
Ihno Dragt geeft uitleg aan burgemeester Waanders
Afgelopen woensdag heeft directeur-conservator Ihno Dragt van Museum het Admiraliteitshuis in Dokkum het boek ´Het herenhuis van Helder (1773) aan de Dokkumer Ee´ uitgereikt aan burgemeester Marga Waanders van de gemeente Dongeradeel. De uitreiking vond plaats in de  burgemeesterskamer in het stadhuis van de gemeente Dongeradeel in Dokkum.
Het boek gaat over een Fries topinterieur uit de 18de eeuw dat gelukkig een herbestemming vond in de burgemeesterskamer (bij restauratie in 1938-1942). Het vaak droeve lot van Friese interieurs staat momenteel sterk in de belangstelling (onder andere symposium vorig jaar oktober in Fries Museum). Sytse ten Hoeve, oud-directeur van het Fries Scheepvaartmuseum in Sneek, heeft een bijdrage geleverd aan het boekje.
Over het boek: Het herenhuis van Helder (1773) aan de Dokkumer Ee.
De rijke houthandelaar Jan Helder (1727-1807) liet in 1773 een fraai herenhuis bouwen op een plek even buiten de omwalling van de stad Dokkum aan de vaarweg naar Leeuwarden. Hij was toen al wat ouder en weduwnaar maar nieuw geluk wachtte hem in de vorm van een huwelijk datzelfde jaar met de weduwe Dieuwke Jelles. Bevestiging huwelijk op 3 januari 1773 in Rinsumageest: Jan Jansen Helder afkomstig van Sijbrandahuis, Dieuke Jelles afkomstig van Oudkerk. Voor de inrichting keek Helder niet op een dubbeltje: prachtig houtsnijwerk en een monumentale schouw met een groot tegeltableau waren er onderdeel van.
Achterkant boek Het herenhuis van Helder 1773


Het herenhuis van Helder bestaat niet meer, maar een deel van de inrichting bleef gespaard en werd in 1938 gebruikt om de nieuwe burgemeesterskamer in het stadhuis mee in te richten. Het prachtige tegeltableau van de hand van de Harlinger Pals Karsten, dat tot de top van de 18e-eeuwse Friese tegelbeschildering behoort, heeft altijd al de nodige aandacht getrokken. Hier wordt het door Ihno Dragt, directeur van het Dokkumer streekmuseum, uitgebreid beschreven.
Maar dat het houtsnijwerk, besteld door Jan Helder, van de hand van de getalenteerde Yge Rintjes is, dezelfde die het snijwerk in de raadzaal van het stadhuis maakte, dat werd nog niet eerder gepubliceerd. Dit is de verdienste van Sytse ten Hoeve, oud-directeur van het Fries Scheepvaartmuseum te Sneek. Men had daardoor in 1938 niet in de gaten hoezeer de bouwfragmenten uit het herenhuis van Helder in het stadhuis op hun plaats waren. Overigens was Yge Rintjes een katholiek ‘beeldsnijder’ uit Leeuwarden die 8 juli 1764 in Dokkum trouwde met Martha Ages (zijn derde huwelijk). Nakomelingen voerden de familienaam Damsma. De preekstoel en het doophek in rococostijl in de Grote of Martinuskerk in Dokkum zijn ook van de hand van Yge Rintjes.

Toevalligheden in plaats van beleid spelen helaas maar al te vaak een rol bij het behoud van monumentale Friese interieurs. Veel ging voorgoed verloren door desinteresse of onkunde. Soms vonden onderdelen buiten Friesland een plaats, zoals een Dokkumer bedsteden-/kastenwand die zich nu in paleis Het Loo in Apeldoorn bevindt. Deze kastenwand uit ca 1770 in rococo-stijl, van de hand van Johannes Laases Hardenberg, is in 1911 door de toenmalige rijksbouwmeester weggehaald uit het voormalige Dokkumer hoofdpostkantoor, dat ooit woonhuis was van de bekende burgemeestersfamilie Fockema (Johannes, Daam, Eelco). Het lot van dergelijke interieurs staat momenteel weer volop in de belangstelling. Belangrijk is vooral kennis, bij een breed publiek, over wat er was en nog is. Deze rijk geïllustreerde publicatie kan daar zeker aan bijdragen.
Rijk geïllustreerd, 84 pagina’s, verkrijgbaar in het museum voor € 14,50. Verzendkosten 3,-. Bestellen via info@museumdokkum.nl
 Posted by at 00:30
  1. Transcriptie Kollumer Oproer, over Eeuwe Ennes
  2. Gens Nostra januari 2012 met Fries tintje