mei 232011
 

Vrijdag 20 mei kwam de Wurkgroep Maritime Skiednis van de Fryske Akademy bijeen in Harlingen. Het Hannemahuis fungeerde als gastvrije plaats van samenkomst. Hier zag ik voor het eerst in de gang ook met eigen ogen het schilderij met familiewapens van Harlinger diakenen en notabelen, waaronder het archetypische Zijlstra-wapen met in het centrum een zijl, van de Harlinger havenmeester Cornelis Dirks Zijlstra. Hij kreeg recent enige bekendheid door de vondst van een tas met proppen waarop boodschappenlijstjes voor het oorlogsschip De Faam (uit de vloot van de Admiraliteit van Friesland) stonden. Deze dakvullingen stamden uit 1781 en bevatten correspondentie tussen havenmeester Zijlstra en kapitein Jan Pieters Vlielander.

Bij de receptie kocht ik het boekwerkje De dood voor ogen ziende…door de commandeur Klaas Hoekstra van Texel (hertaald door Annie Douma), ofwel het Dagverhaal van het verongelukken van het galjootschip Harlingen in Straat Davis (1826). De walvisvaarder liep met zijn bemanning vast in het ijs en werd gekraakt. De schipbreukelingen worden eerst aan boord genomen van de Engelse walvisvaarder Dundee maar moeten al snel vertrekken wegens voedselgebrek. Na een epische tocht met veel ontberingen bereiken ze een eskimo-nederzetting, waar ze mogen overwinteren. Zomer 1827 keren de meesten pas, via Denemarken, terug naar Harlingen. Dit verhaal lijkt natuurlijk veel op dat van de Amelander commandeur Hidde Dirks Kat uit 1777 (toen er heel veel schepen in het Groenlandse ijs strandden), ook een walvisvaarder.

Hugo ter Avest begon met een inleiding over de geschiedenis van Harlingen als maritieme stad, gelardeerd met afbeeldingen van de stad op oude schilderijen en prenten.

Vervolgens nam Gerald de Weerdt het woord over het Herbouwproject van het expeditieschip van Willem Barentsz. De Weerdt schetste aan de hand van scheepsarcheologische vondsten, afbeeldingen op schilderijen en vermeldingen in archiefstukken hoe het expeditieschip gereconstrueerd is. Het schip heeft ondanks zijn relatief weinig lengte toch 2 dekken en een bijzondere druppelvorm als je het in de lengte ziet. De romp van het schip mat ongeveer 25 meter en de breedte ruim 5 meter. Het had een voor- én grote mast met razeilen en een kleine bezaansmast met een driehoekig latijnzeil. Onlangs had De Weerdt nog ontdekt dat de twee kleine scheepjes waarmee Barents bemanning vanaf Nova Zembla de terugreis aanvaardde nog tot 1851 bewaard waren in de Noorse kustplaats Vardø (en toen helaas met loods en al verbrandden)! Op de Mercator atlas van 1595 en die van Lucas Wagenaer uit 1589 staat deze plaats aangegeven als Wardhuys.

Na de presentatie begaf het gezelschap zich naar buiten om in de zon de werf te bezoeken waar de herbouw plaatsvindt. Deze is eind 2010 gestart met studenten en geïnteresseerde vrijwilligers. Oude ambachtelijke technieken worden op deze manier doorgegeven. U kunt zich nog steeds aanmelden via info@dewillembarentsz.nl
En mocht u toevallig in een oud archiefstuk vinden hoe het expeditieschip van Barents heette, dan graag ook even melden!
Het ultieme doel van de stichting is om in het spoor van Willem Barentsz de historische ontdekkingstocht te herhalen!
Zie voor een kort fotoverslag het online foto-album.

Op zaterdag 21 mei was er de Voorjaarsbijeenkomst van de Nederlandse Vereniging voor Zeegeschiedenis. Het 50-jarig jubileum werd gevierd met een serie lezingen in het Zaans Museum bij de Zaanse Schans. Als u ook lid wilt worden dan kunt u zich hier online aanmelden.

Na de ledenvergadering, geleid door voorzitter Joost Schokkenbroek, gooide Christiaan van Bochove de trossen los met een verhaal over de Handel en integratie in Noord Europa.
Milja van Tielhof presenteerde een project van Huygens/ Instituut voor Nederlandse Geschiedenis: een analyse van de Archangelvaart op basis van 3000 bevrachtingscontracten (1594-1724). Dit ter gelegenheid van de digitale publicatie van de database van wijlen Piet de Buck.
Voor Friese historici is dit ook een interessante bron omdat er vrij veel Friese schippers, met name uit de Zuidwesthoek (Hindeloopen, Koudum en Staveren) in voorkomen, zoals de Friese zeeheld Jacob Benckes. Tot 1703, toen Sint Petersburg opkwam als belangrijke Russische havenstad, werd er veel handel gedaan via de Witte Zee op Archangel en was er zelfs een Nederlands wijkje in die stad. Een mooie aanvulling, deels gebaseerd op deze database, is een online beschikbare case-study over de Nederlandse scheepvaart in de Finse Golf en op Archangel, 1703-1740 (2009) van Werner Scheltjens en Yvonne Frans.

Na de lunch ging Matthias van Rossum in op de VOC en de Noordwest Europese maritieme arbeidsmarkt. Hiervoor biedt de online database van VOC opvarenden bij het Nationaal Archief mooie analysemogelijkheden. De vraag daarbij is altijd wel in hoeverre het correct is om bv een Deen die enige tijd in Amsterdam woonde en dat als plaats van herkomst opgeeft als Nederlander te beschouwen.

Mijns inziens de meest opvallende en inspirerende presentatie was van Hanno Brand van de Fryske Akademy. Hij gaf de aanzet tot een project: Friese schepen in de Engelse Prize Papers in de aanloop (1776-1781) tot de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784). Alom bekend zijn wel de brieven die door de Engelsen zijn onderschept en bewaard in de National Archives in het Londonse Kew Gardens, de zogenaamde Sailing Letters. Dit is echter maar een klein deel van de totale scheepsadministraties die daar liggen opgeslagen. Daar waar de Sailing Letters met name door taalkundigen zijn opgepakt voor een groots uitgewerkt project, daar geven de volledige scheepspapieren, in combinatie met de data van het Sonttolproject een prachtig inzicht in personen, ladingen en handelsroutes. Daartoe moet natuurlijk wel een grote hoeveelheid papier gescand worden, een kostbare en tijdrovende klus. Niet alleen brieven in allerlei talen moesten voor de rechtzaak bij de High Court of Admiralty vertaald worden in het Engels, maar ook bv Arabische documenten die schippers aan boord hadden na handelsbezoeken aan het Midden Oosten. Brand stelde dat parallel aan het zoeken naar financiering via een consortium waarin oa het Nationaal Archief, KNAW en de Fryske Akademy zitten, ook gewoon op case-basis verhalen van Friese schippers in beeld gebracht kunnen worden. Dat lijkt me inderdaad ook een goede wijze om te illustreren hoe rijk deze bron wel is.
De dag in Zaandam werd afgesloten met een prijsuitreiking van de J.C.M. Warnsinckprijs, gewonnen door de oud-voorzitter Gerard Acda en de J.R. Bruijnprijs voor de scriptie van Suze Zijlstra over de vrij onbekende periode van Suriname in de jaren van het Zeeuwse bewind (1667-1682), waarbij ook weer de Sailing Letters uit de National Archives in London een belangrijke bron waren. Zie voor achtergrondinfo het telefonische interview met de Wereldomroep en ook haar eerdere lezing over Slaafse vrouwen in Suriname.

Voorwaar weer een hoop activiteit van de maritieme historici!

 Posted by at 13:07

 Leave a Reply

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.