jan 222017
 
Tijdens de bijeenkomst van de Wurkgroep Maritieme Skiednis van de Fryske Akademy in Harlingen over 1666, de ramp van Vlieland en Terschelling, sprak ik weer diverse maritieme onderzoekers.

Van Ubo Kooijinga, projectleider van de Sonttolregisters, begreep ik dat inmiddels ook de ruim 182.000 doorvaarten van de jaren 1600-1634 getranscribeerd zijn en online staan (in database 2).
Vanaf 1634 is de opbouw van de gegevens anders, zodat er een aparte database(structuur) is opgezet, database 1.

In de doorvaarten van 1600-1634 zien we dat 169 keer een schipper Dokkum als thuishaven opgaf, weliswaar onder verschillende schrijfwijzen. Het was echter maar een beperkt aantal schippers dat relatief vaak de Sont passeerde. De Dokkumers hadden namen als Alef Oedzes (ook als bv Aluff/Alluff Onsches/Onskes/Untzes/Wesches/Vntzses etc. geschreven), Abraham Clausen of Clauwsen, Jacob Sibrantsen (deze eerste 3 zijn samen goed voor ruim 150 doorvaarten), Lunas Mystard, Jan Dirksen en Wiegert Allertsen.
Als vertrekhaven komt Dokkum 51 keer voor in de jaren 1600-1634, met name vanaf 1616. Al deze tochten zijn door de drie hiervoor genoemde grootschippers uitgevoerd.
Jacob Sijbrands vinden we terug als hij zich op 28 december 1611 in het Burgerboek van Dokkum laat inschrijven als grootschipper. De andere twee veelvarende grootschippers heb ik nog niet verder kunnen traceren.
Ameland wordt maar liefst 430 keer als thuishaven opgegeven door schippers die de Sont passeren tussen 1600 en 1634. Remmert Issebrands is in de eerste jaren zeer actief en later o.a. Pieter Gerbrands, David Pieters, Thomas Gerrits en Pieter Simens.
Om het project Sonttolregisters voort te zetten (en u begrijpt dat 15e en 16e eeuws Deens schrift lastig te lezen is) zoekt het team nog naar verdere financiering. Als dit project uw sympathie heeft, neem dan contact op met Ubo Kooijinga.
Ziet u overigens ook de eerdere blogartikelen over de Sonttol registers, met o.a de Dokkumer schippers Tal en Veltcamp.

Jan de Vries uit Koudum is bezig met een artikel waarin schilderijen van (Friese) zeehelden, met name uit de tijd van de WIC, beschreven worden. Momenteel bekijkt Piet Bakker (auteur van Friese schilderkunst in de Gouden Eeuw) het artikel, hoewel hij druk bezig is voor de Amerikaanse kunstkoper Tom Kaplan, eigenaar van de Leiden Collection, een catalogus te maken die binnenkort online beschikbaar zal zijn.

Nykle Dijkstra, maritiem historicus en redactielid van De Sneuper en webredacteur van de Nederlandse Vereniging voor Zeegeschiedenis, heeft weer diverse artikelen op stapel staan voor ons ledenblad, met een verrassende link naar de Dokkumer Admiraliteitsdagen. Binnenkort meer daarover.

Anne Doedens, die samen met Jan Houter veel onderzoek heeft gedaan naar de maritieme geschiedenis van Vlieland, wees erop hoe belangrijk het is om vele verschillende archiefbronnen te koppelen. Niet alleen online bronnen maar vooral ook de pareltjes die nog in kilometers ongescande papieren archieven zijn opgeslagen. In het Rijksarchief te Brussel vond hij recent weer zeer interessante zaken over de 16e eeuwse scheepvaart op de Wadden. In die tijd werden we immers vanuit Brussel bestuurd, waar toen ook Viglius Aytta gestationeerd was.

Frans Breukelman vertelde over de Terschellinger dominee Johannes Grevesteijn, die na de furie van 1666 in Noord-Holland fondsen wierf voor de wederopbouw en daar buitengewoon goed in slaagde!
De oorlogsmisdaad van de Engelsen in 1666 op het Vlie werd in 1667 gewroken met de beroemde Tocht naar Chatham, met o.a. een Fries smaldeel onder leiding van de Holwerder generaal Hans Willem baron van Aylva.
In juni van dit jaar kunt u overigens in Chatham de overwinning van de vloot van de Republiek na de Tocht naar Chatham herbeleven!

Update: Ubo Kooijinga geeft context over het hardnekkige verhaal dat schepen door de Sont belast werden op basis van dekbreedte, en dat zo het smalle scheepstype fluit zou zijn ontstaan. Daar is dus (nog) geen enkel bewijs voor! Het is een verhaal wat regelmatig tevoorschijn komt, ook bij zogenaamde ‘deskundigen’, maar wat ik tot nu toe nergens bewezen zie, niet in de registers, nog ergens anders. Ik hoop nog steeds dat we daar concrete informatie over vinden, over de berekeningen van de tol.
Het enige wat we tot nu weten is dat de (scheeps-)tol is gebaseerd op lastage. De categorieën zijn < 30 last, > 30 en < 100 last, en > 100 last. Daar zijn de tolbedragen aan gekoppeld.  We hebben inmiddels ook de registers van 1590/1591 (deels) gedaan, en ook daarin is er geen sprake van enige tol die berekend wordt aan de hand van het dek-oppervlak of dek-breedte. Dat is wel de periode waarin de fluiten ontstaan, maar ook daarin zijn de categorieën als gezegd. En dat blijft zo in de decennia die volgen.
Wat we echter nog niet goed weten is hoe de lastage van het schip werd berekend/bewezen. Stond het in de scheepspapieren? Of werd er een bepaalde berekening uitgevoerd? Dat is (mij) nog onbekend. Eén van de vrijwilligers is zowel nu als in het verleden intensief bezig geweest met deze materie, maar ook nog op zoek naar de regels die gehanteerd werden voor het bepalen van de lastage. Eventueel kan ik je met hem in contact brengen.

 Leave a Reply