jan 312017
 
Op de cover van Historisch Tijdschrift Fryslân, het tweemaandelijkse tijdschrift van het Koninklijk Fries Genootschap voor Geschiedenis en Cultuur, een jonge Fries die in de Amerikaanse Burgeroorlog vocht en omkwam. Sake Kooistra vocht als Silas Coster mee en was in 1853 met zijn
ouders na een barre tocht uit Arum naar de VS gereisd. In Fryslân beschrijft Wim van de Giesen zijn bijzondere levenswandel.
Het Rampjaar 1666, waarin op het Vlie een grote vloot koopvaarders door de Engelsen in brand werd gestoken, en daarna West-Terschelling, komt aan bod in twee artikelen. Anne Doedens beschrijft in Republiek in crisis hoe de Engelsen vrij spel hadden na de Tweedaagse Zeeslag. De Engelsen herdenken deze slag als 'Holmes Bonfire'.
Frans Breukelman vult aan met een artikel over dominee Grevesteyn, die geld ging inzamelen in Noord-Holland om de getroffenen te helpen.

Dat er niet alleen maar juichend over Lourens Alma Tadema geschreven werd en wordt bewijst Doeke Sijens in zijn artikel over 'Onzen beroemden voormaligen gewestgenoot'. In Engeland werd zijn werk soms schamper 'Victorians in togas' genoemd. Toch zijn er ook diverse aanwijzingingen dat Alma Tadema wel degelijk een 'echte romantische Fries' was.

Jeanine Otten neemt ons weer mee op een culinaire ontdekkingsreis. In de Eerste Wereldoorlog aten Duitse soldaten, die in België en Frankrijk gelegerd waren, visworstjes van mosselen die in Friese mosselpellerijen waren gekookt en gepeld. Hedentendage beleeft de 'Leeuwarder Ziltezee Worst' een revival.

De rubriek Historici in Friesland portretteert Marlies Stoter, conservator bij het Fries Museum. Nieuwsgierigheid is haar grootste drijfveer.
Han Nijdam van de Fryske Akademy heeft samen met Henk Meijering een groot project afgesloten dat tot een publicatie leidt van het boek Ommelander handschriften als spiegel van de Oudfriese rechtsliteratuur. Het zal een mooie aanvulling zijn op het eerdere boek Lichaam, Eer en Recht in middeleeuws Friesland.
In de rubriek Kort Nieuws o.a. een tentoonstelling over de oudste filmclub van Fryslan, Kleare Kimen, met films over de Elfstedentochten van 1954, 1956 en 1963.

Streekmuseum-Volkssterrenwacht van Burgum is gerenoveerd en heropend met twee tentoonstellingen, waarvan een over kapper Hendrik Bulthuis die de ontwerper was van de 12-kwadraat BM-er uit 1931. Deze afkorting van een type zeilboot staat voor BergumerMeer.

In de boekbespreking, door Wytse Vellinga, wordt het boek Gasten tegen wil en dank, van Erik Betten, besproken. Het gaat over Belgische vluchtelingen in de Eerste Wereldoorlog in Menaldumadeel.
 Posted by at 09:20
jan 292017
 
Donderdag 2 februari: Winterjûnenocht-lezing in Hiaure

Architect Nynke-Rixt Jukema: Voel het nachtleven in Dongeradeel

Graag willen wij u hierbij uitnodigen voor onze ‘Winterjûnenocht-lêzing ' op donderdag 2 februari
a.s.
Onze gastspreker is architect Nynke-Rixt Jukema uit Mantgum. Jukema organiseert met haar initiatief Feel the Night, pelgrimages en tal van culturele evenementen rond de schoonheid van duisternis en stilte. Met beeld en geluid laat ze zien wat wij ’s nachts aan dieren en planten kunnen waarnemen.  
Dongeradeel is een van de laatste ‘Tsjustermienskippen’ waar de duisternis regeert en die nog grotendeels bedekt worden door een heldere sterrenhemel.

Waar: kerkje Hiaure
Wanneer: donderdag 2 februari
Aanvang: 20.00 uur (kerk open 19.45)

Ieder is welkom. Gratis entree. Wij zorgen voor een warme kachel, koffie, thee en koek.

Stichting Vrienden van de kerk Hiaure
Evt. informatie bij Bert Barten, 0519 220104
Stichting Vrienden van de kerk Hiaure
 Posted by at 09:20
jan 272017
 
Door Hilbert G. de Vries, Schiermonnikoog

De schrijvers van het boek “Geschiedenis van de Wadden; de canon van de Waddeneilanden”, Anne Doedens en Jan Houter noemen het boek een allereerste aanzet tot een cultuurgeschiedenis van alle Nederlandse Waddeneilanden en het wordt gepresenteerd als een naslagwerk; het boek ziet er ook mooi uit, met veel mooie foto’s. Kortom: het zal wel veel gebruikt worden in toekomstige onderzoeken en scripties.
En juist daar wringt het nu. Want het is wel een mooi boek, maar het zou nog veel mooier zijn als er niet zo veel fouten in zouden staan!
En dan heb ik het niet over drukfouten (volgens mij staan die er niet zo veel in), maar over inhoudelijke fouten.

Ik beperk me tot Schiermonnikoog en wil een paar voorbeelden noemen (er zijn er meer, maar ik laat het hier bij een selectie – een volledig lijstje kunt u bij mij krijgen).
Op blz. 46 wordt gesteld dat de vuurtoren onbemand is (dat is toch – gelukkig – echt niet zo);
op blz.84/85 wordt gesproken over het Riga-aardewerk, terwijl dat toch van hout is!
Op blz. 64 staat dat Johan Stachouwer het eiland in 1638 kocht – dat moet zijn 1640.
In Venster 22 over Beeldende kunst van, over en op de Wadden (het boek is, net zoals bijv. de Canon van de Nederlandse Geschiedenis, verdeeld in hoofdstukken, vensters genoemd) wordt Schiermonnikoog alleen genoemd als plaats waar Haaike Jaarsma de zeevaartschool heeft bezocht;
maar de naam van Martin van Waning wordt helemaal niet genoemd – hoewel er in het venster over kloosters wel een foto is afgedrukt van het standbeeld van de Schiere Monnik, dat gemaakt is door Van Waning.
Op blz. 120 staat dat Schiermonnikoog tussen 1801 en 1806 bij Groningen heeft gehoord – terwijl het toen (tijdens het Bataafs Gemenebest) toch echt bij het ‘Departement Friesland’ heeft gehoord (zie bijvoorbeeld op Wikipedia).
Venster 38 gaat over Banck en Bernstorff. De eerste zin daarvan luidt: ‘In 1859 verkochten Edzard van Starkenborch Stachouwer en zijn vrouw Schiermonnikoog’. (Het jaartal 1859 komt nog een paar keer voor in het boek).
Dit is een zin waarbij je de haren ten berge rijzen.
Het eiland werd namelijk door mr. Banck in 1858 gekocht van Edzard Tjarda van Starkenborch Stachouwer (die het eiland voor 2/3 in bezit had) en Gratia Susanna Stachouwer (die 1/3 van het eiland in bezit had). (zie Foskea van der Ven – Een omstreden eiland; blz. 129/130). En Edzard en Gratia waren niet man en vrouw, maar achterneef en –nicht.
Blz. 184: sedert 2007 is er een sneldienst naar Schiermonnikoog vanaf het Groningse (!) vakantiepark Esonstad.

De presentatie van het boek op Schiermonnikoog (het boek werd op alle eilanden gepresenteerd) was begonnen met de aanbieding van een ‘ingelijste, op zeer duurzaam papier geprinte kopie van een oorkonde uit Tresoar van 1465 – daarin komt het woord Schiermonnikoog voor het eerst voor’.
Afgezien van het feit dat de foto een kopie is van een deel van de bij Tresoar berustende foto van de oorkonde van 1465, is het niet waar dat de oudste vermelding van de naam Schiermonnikoog op de oorkonde van 1465 voorkomt; de oudste vermelding komt voor op een oorkonde van 1440.
 Posted by at 09:20
jan 252017
 
Uitnodiging lezing door de heer Wim Mollema
Titel:  “Beurtschippers & Bodediensten Dockum & Omstreken”

De lezing zal worden gehouden op woensdag 22 februari 2017.
Aanvang: 20.00 uur.
Locatie: Doopsgezinde/Remonstrantse Kerk aan de Legeweg te Dokkum.

Bijschrift foto archief W.S Mollema : drukte op het bodeterrein op de Markt in Dokkum

Inhoud lezing:
Wim Mollema neemt ons in deze lezing terug in de tijd van beurtschippers en boderijders in Dockum & Omstreken. Het geheel wordt begeleid door unieke historische beelden.
Deel 1    Het ontstaan van de beurtschippers
Deel 2   Het ontstaan van de bodediensten
Deel 3    Beurtschippers en boderijders  Dockum & Omstreken

Het belooft weer een interessante avond te worden waarvoor u van harte bent uitgenodigd! We zien u graag op 22 februari a.s.
 Posted by at 09:20
jan 222017
 
Tijdens de bijeenkomst van de Wurkgroep Maritieme Skiednis van de Fryske Akademy in Harlingen over 1666, de ramp van Vlieland en Terschelling, sprak ik weer diverse maritieme onderzoekers.

Van Ubo Kooijinga, projectleider van de Sonttolregisters, begreep ik dat inmiddels ook de ruim 182.000 doorvaarten van de jaren 1600-1634 getranscribeerd zijn en online staan (in database 2).
Vanaf 1634 is de opbouw van de gegevens anders, zodat er een aparte database(structuur) is opgezet, database 1.

In de doorvaarten van 1600-1634 zien we dat 169 keer een schipper Dokkum als thuishaven opgaf, weliswaar onder verschillende schrijfwijzen. Het was echter maar een beperkt aantal schippers dat relatief vaak de Sont passeerde. De Dokkumers hadden namen als Alef Oedzes (ook als bv Aluff/Alluff Onsches/Onskes/Untzes/Wesches/Vntzses etc. geschreven), Abraham Clausen of Clauwsen, Jacob Sibrantsen (deze eerste 3 zijn samen goed voor ruim 150 doorvaarten), Lunas Mystard, Jan Dirksen en Wiegert Allertsen.
Als vertrekhaven komt Dokkum 51 keer voor in de jaren 1600-1634, met name vanaf 1616. Al deze tochten zijn door de drie hiervoor genoemde grootschippers uitgevoerd.
Jacob Sijbrands vinden we terug als hij zich op 28 december 1611 in het Burgerboek van Dokkum laat inschrijven als grootschipper. De andere twee veelvarende grootschippers heb ik nog niet verder kunnen traceren.
Ameland wordt maar liefst 430 keer als thuishaven opgegeven door schippers die de Sont passeren tussen 1600 en 1634. Remmert Issebrands is in de eerste jaren zeer actief en later o.a. Pieter Gerbrands, David Pieters, Thomas Gerrits en Pieter Simens.
Om het project Sonttolregisters voort te zetten (en u begrijpt dat 15e en 16e eeuws Deens schrift lastig te lezen is) zoekt het team nog naar verdere financiering. Als dit project uw sympathie heeft, neem dan contact op met Ubo Kooijinga.
Ziet u overigens ook de eerdere blogartikelen over de Sonttol registers, met o.a de Dokkumer schippers Tal en Veltcamp.

Jan de Vries uit Koudum is bezig met een artikel waarin schilderijen van (Friese) zeehelden, met name uit de tijd van de WIC, beschreven worden. Momenteel bekijkt Piet Bakker (auteur van Friese schilderkunst in de Gouden Eeuw) het artikel, hoewel hij druk bezig is voor de Amerikaanse kunstkoper Tom Kaplan, eigenaar van de Leiden Collection, een catalogus te maken die binnenkort online beschikbaar zal zijn.

Nykle Dijkstra, maritiem historicus en redactielid van De Sneuper en webredacteur van de Nederlandse Vereniging voor Zeegeschiedenis, heeft weer diverse artikelen op stapel staan voor ons ledenblad, met een verrassende link naar de Dokkumer Admiraliteitsdagen. Binnenkort meer daarover.

Anne Doedens, die samen met Jan Houter veel onderzoek heeft gedaan naar de maritieme geschiedenis van Vlieland, wees erop hoe belangrijk het is om vele verschillende archiefbronnen te koppelen. Niet alleen online bronnen maar vooral ook de pareltjes die nog in kilometers ongescande papieren archieven zijn opgeslagen. In het Rijksarchief te Brussel vond hij recent weer zeer interessante zaken over de 16e eeuwse scheepvaart op de Wadden. In die tijd werden we immers vanuit Brussel bestuurd, waar toen ook Viglius Aytta gestationeerd was.

Frans Breukelman vertelde over de Terschellinger dominee Johannes Grevesteijn, die na de furie van 1666 in Noord-Holland fondsen wierf voor de wederopbouw en daar buitengewoon goed in slaagde!
De oorlogsmisdaad van de Engelsen in 1666 op het Vlie werd in 1667 gewroken met de beroemde Tocht naar Chatham, met o.a. een Fries smaldeel onder leiding van de Holwerder generaal Hans Willem baron van Aylva.
In juni van dit jaar kunt u overigens in Chatham de overwinning van de vloot van de Republiek na de Tocht naar Chatham herbeleven!

Update: Ubo Kooijinga geeft context over het hardnekkige verhaal dat schepen door de Sont belast werden op basis van dekbreedte, en dat zo het smalle scheepstype fluit zou zijn ontstaan. Daar is dus (nog) geen enkel bewijs voor! Het is een verhaal wat regelmatig tevoorschijn komt, ook bij zogenaamde ‘deskundigen’, maar wat ik tot nu toe nergens bewezen zie, niet in de registers, nog ergens anders. Ik hoop nog steeds dat we daar concrete informatie over vinden, over de berekeningen van de tol.
Het enige wat we tot nu weten is dat de (scheeps-)tol is gebaseerd op lastage. De categorieën zijn < 30 last, > 30 en < 100 last, en > 100 last. Daar zijn de tolbedragen aan gekoppeld.  We hebben inmiddels ook de registers van 1590/1591 (deels) gedaan, en ook daarin is er geen sprake van enige tol die berekend wordt aan de hand van het dek-oppervlak of dek-breedte. Dat is wel de periode waarin de fluiten ontstaan, maar ook daarin zijn de categorieën als gezegd. En dat blijft zo in de decennia die volgen.
Wat we echter nog niet goed weten is hoe de lastage van het schip werd berekend/bewezen. Stond het in de scheepspapieren? Of werd er een bepaalde berekening uitgevoerd? Dat is (mij) nog onbekend. Eén van de vrijwilligers is zowel nu als in het verleden intensief bezig geweest met deze materie, maar ook nog op zoek naar de regels die gehanteerd werden voor het bepalen van de lastage. Eventueel kan ik je met hem in contact brengen.
 Posted by at 09:20
jan 062017
 
In het Stadsarchief van Amsterdam ligt een wereld aan documenten. Voor genealogen en historici met interesse voor Friesland is er ook heel wat te halen.

Zo schreef ik in 2013 over het Signalementenregister, waarin vele criminelen uit alle windstreken
genoemd worden, dus zeker ook uit Dokkum en omgeving.

In 2015 schreef Antonia Veldhuis over Veroordeelde Dokkumers in de confessieboeken van Amsterdam (tot 1732).

De Averijgrossen hebben we wel eens gebruikt voor een artikel, omdat hier veel gegevens over (Friese) schippers met schade in staan. Bijvoorbeeld Lolke Hilles die in 1753/54 met het schip Het Raadhuijs van Dockum op de route Setubal-Viborg schade had. Lolke Hilles werd in 1759 als grootschipper ingeschreven in het Burgerboek van Dokkum, mogelijk vanuit Warga. Hij was ook schipper van de Martinus en Dina.
De Dokkumer schipper Uilke Menkes of Minkes komt voor met verschillende schepen, zoals in 1752 met de Schermont Kogereij van Dockum (bijzondere naam! Verbastering van Schiermonnikogerij Ei of IJ?) en de Juffrouw Cornelia en de Juffrouw Anna (1753, 1765), ook in de Collectie Beetstra bij Tresoar. Blijkbaar werd hij door kapers ook regelmatig belaagd, want zelfs een klaagbrief van hem vanuit Rochefort haalde de krant in 1757, de Leeuwarder Courant.

En recent nog over Pieter Doekes van Bil (stuurman van Australië-ontdekker Dirk Hartog) en Abel Tasman uit Lutjegast.

Sinds korte tijd zijn de scans die van de documenten gemaakt zijn gratis toegankelijk.
Doe er uw voordeel mee, en laat het ons weten als u een mooie vondst doet of een artikel wilt publiceren in De Sneuper.

 Posted by at 09:20
jan 012017
 
Dat er in België nog vrij veel historisch materiaal van Friezen bewaard is gebleven heb ik op dit blog al meermaals vermeld. Van Friese middeleeuwse relieken (13e eeuw) tot grafstenen in Brussel en ga zo maar door.
Op zich is dat ook helemaal niet zo vreemd, omdat in de Vroegmoderne tijd het economische zwaartepunt van de Nederlanden in eerste instantie nu eenmaal in het zuiden lag. En ook de wetenschappelijke bloei vond veel eerder plaats in Vlaanderen. Al in 1425 ontstond er een katholieke universiteit in Leuven, terwijl de eerste Noordnederlandse universiteit pas in 1575 (na de reformatie) in Leiden werd gesticht, gevolgd door de universiteit van Franeker in 1585. Die hadden dan ook als primair doel het opleiden van de broodnodige gereformeerde predikanten.

Om te studeren gingen Friese jongelingen (voor 1575) dan ook veelal naar plaatsen als Heidelberg, Oxford, Douai of Leuven.
De Dokkumer wetenschapper Gemma Frisius (1508-1555) genoot in Leuven zijn opleiding in de geografie, wiskunde en medicijnen en was later de leermeester van de beroemde cartograaf Mercator.
Toen ik recent met de familie in Gent was, bezocht ik de beroemde Sint-Baafs kathedraal. In eerste instantie gaan de meeste mensen, ook ik, hier naar toe voor het aanschouwen van het wereldberoemde kunstwerk De aanbidding van het Lam Gods. Dit polyptiek (uit meerdere panelen bestaande) schilderwerk van de gebroeders Hubert en Jan van Eyk werd rond 1432 gemaakt in opdracht van het echtpaar Joos Vijd en Lysbette Borluut, die beide op een zijpaneel zijn afgebeeld.

Nisgraf Aytta met grafschrift en blazoen
Wat ik mij niet gerealiseerd had was dat er ook een Fries een belangrijke rol gespeeld heeft in de geschiedenis van de Sint-Baaf. Viglius Aytta van Swichum (1507-1577) was een zoon van een eigenerfde Friese boer en maakte carriëre als raadsheer en diplomaat onder keizer Karel V en zijn zoon Filips II. De leeftijdsgenoot van Gemma Frisius (ze moeten elkaar haast wel gekend hebben) was een voorvechter van het katholicisme, ook nog na de reformatie. Na het overlijden van zijn echtgenote in 1553 ging hij zich meer met religieuze zaken bezighouden als proost van de Gentse Sint-Baaf. Hij was echter zijn familie in Friesland niet vergeten en zorgde er dan ook voor dat vele neefjes in Leuven konden studeren. In het Genealogysk Jierboek 2011 is een uitgebreid artikel verschenen over de Ayttana. Er moest immers ook bewezen kunnen worden dat men familie was, om in aanmerking te komen voor een studiebeurs.

Viglius was niet alleen geestelijk leider van de Gentse kathedraal maar ook archivaris van Vlaanderen op kasteel Rupelmonde, in 1559 de eerste bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel en tevens kanselier van de Orde van het Gulden Vlies. Ook was hij voorzitter van de Geheime Raad maar pleitte voor een gematigde kettervervolging. Vanuit zijn humanistische idealen (Erasmus was een goede vriend) had hij speciale belangstelling voor geschiedenis en stichtte hij in zijn geboorteplaats Swichum een hospitaal en in 1569 in Leuven het naar hemzelf genoemde Vigliuscollege voor theologie, filosofie en rechten.
In de kooromgang van de Sint-Baafskathedraal zijn vele kapellen ingericht die op initiatief van gilden, bisschoppen, kanunniken of privé-personen zijn betaald.
Drieluik Frans Pourbus voor Viglius Aytta

De kapel van Sint-Nicolaas is speciaal ingericht voor Viglius Aytta. Aan de rechterzijde is in de wand zijn nisgraf, met grafschrift en blazoen, ingemetseld. Daar tegenover, aan de linkerzijde is een groot geschilderd drieluik te zien. Het altaarstuk uit 1571 is van de hand van de bekende Brugs-Antwerpse schilder Frans Pourbus. Op de achterzijde van de luiken knielt opdrachtgever Aytta voor Christus als de Zaligmaker. Aan de voorzijde staan op de drie luiken episodes uit het leven van Jezus. Op het middenpaneel staan echter ook diverse andere personen. Naast Aytta, links vooraan in een rood kleed met grijze baard, staan keizer Karel, zijn zoon Filips II en de beruchte hertog van Alva afgebeeld. Maar ook linksvoor staan vertegenwoordigers van de protestanten, waaronder Calvijn, afgebeeld! Op de troon zit waarschijnlijk aartsbisschop Granvelle, een belangrijke man in het leven van Viglius.
Ook bijzonder is dat op de zijluiken diverse kunstenaars zijn geportretteerd, waaronder Cornelis Floris, Lanceloot Blondeel, Pieter Bruegel en de schilder Frans Pourbus zelf, met zijn vrouw Suzanna Floris. Het tekent het goede gevoel voor (beeldende) propaganda van Aytta.
Bij het binnenkomen en verlaten van de kerk zijn nog meer sporen van Viglius bewaard gebleven. Het eikenhouten portaal bij de ingang draagt in de kroonlijst de tekst "Vita Mortalium Vigilia", ofwel "Het leven van stervelingen is een wake".  Het tochtportaal is in 1572 gemaakt in opdracht van Viglius Aytta en draagt dan ook, naast het woordspel, zijn uitgesneden wapenschild met korenschoof boven een feniks.
Al met al weer een prachtig inzicht in het leven van een invloedrijke Fries in het huidige België!

Overigens: ook in het stadhuis van Dokkum hangt nog een portret van Aytta (uit de collectie van het Fries Museum). Hij was geparenteerd aan de Hanya's van Holwerd.

Update: Dankzij Siebrand Krul, hoofdredacteur van o.a. Historisch Tijdschrift Fryslan, deze aanvullingen. Een verklaring voor Calvijn en Viglius’ aanwezigheid in de Sint Baafs komt uit ‘Het geheugen van Nederland in Gent’ van Herman Balthazar (emeritus hoogleraar) en Johan Decavele (voormalig directeur Cultuur Stad Gent).

De triptiek van Viglius van Aytta in de Sint-Baafskathedraal in Gent
De eerste zijkapel aan de rechterkant van de kooromgang is de grafkapel van Viglius van Aytta (1507-1577). Ze wordt beheerst door een groot drieluik. Wigle of Viglius, zoon van een boer uit het het piepkleine Friese Zwichum bij Leeuwarden, werd één van de meest vooraanstaande juristen van zijn tijd. Vanaf 1549 was hij het brein van het Habsburgse regeringsapparaat in Brussel, waar hij voorzitter was van de belangrijke regeringsraden. Als eindverantwoordelijke voor de toepassing van de keizerlijke ketterij-plakkaten pleitte Viglius voor een gematigde uitvoeringspraktijk. Hij verwachtte meer van overtuiging met redelijke argumenten dan van het gebruik van de botte bijl.

Het middenpaneel van dit schilderij is daar een uiting van. Het thema is de jonge Christus tussen de schriftgeleerden, maar in werkelijkheid is het een symbolische voorstelling van de religieuze meningsverschillen van die tijd.
Links ziet men de vertegenwoordigers van de katholieke orthodoxie: keizer Karl V, koning Filips II, de hertog van Alva, de eerste Gentse bisschop Cornelius Jansenius (afkomstig uit Hulst), en zeer prominent ook de zittende Viglius zelf.
Aan de overkant staan onder meer Calvijn en de Gentse calvinistische volksleider Jan van Hembyze, terwijl vooraan een jonge knaap een zware bijbel in de hand houdt. Maar ook aan die kant blijkt Viglius te zitten, die dus blijkbaar geen partij kan kiezen. De hogepriester op de troon, die als het ware radeloos de handen uitsteekt over zoveel ideologische strijd, is te identificeren met Nicolas Perrenot, een belangrijk staatsman onder Karel V en vader van de bekende kardinaal Granvelle.

Viglius, als opdrachtgever knielend afgebeeld op het rechter buitenluik, bestelde het schilderij bij Frans Pourbus voor zijn toekomstige grafkapel in de Sint-Baafskathedraal. Hij was hier immers proost van het kapittel, een lucratieve benoeming die hij in 1563 in de wacht had gesleept en waartoe hij na de dood van zijn echtgenote zich door kardinaal Granvelle tot priester had laten wijden. Even werd hij genoemd voor het ambt van eerste bisschop van Gent, maar hij weigerde. Net toen werd hij ervan beschuldigd door zijn inhaligheid groot schandaal te hebben verwekt. In een brief van landvoogdes Margaretha van Parma aan Filips II van 8 oktober 1564 heet het dat hij ringen, juwelen, vaatwerk, linnen, bedden, tapijten en andere meubelen van de Gentse proosdij ontvreemd en naar Friesland gestuurd had, en dat hij zich al het baar geld van de overleden abt François d’Havroult van Sint-Pieters, zo’n 100.000 gulden, had toegeëigend. Een vreemd kantje van een uitzonderlijke man. Wat niet belette dat hij zich later toch heeft ontpopt als maecenas van de Sint-Baafs.
 Posted by at 09:20