dec 152015
 
Het jaarboek 2015 van het Koninklijk Fries Genootschap voor Geschiedenis en Cultuur, in samenwerking met de Fryske Akademy, De Vrije Fries is het vijfennegentigste deel sinds de start in 1839!
Alle leden van het genootschap ontvangen het kloeke boek als onderdeel van het lidmaatschap. Ook het Historisch Tijdschrift Fryslan hoort hierbij.
De inhoud van De Vrije Fries gaat in de meeste gevallen de diepte in van een onderwerp dat past binnen de context van Friesland, geschiedenis, cultuur en wetenschap.
Het komende jaar zal een nieuwe frisse website gelanceerd worden waarop, nog meer dan nu al het geval is, een groot deel van de oudere publicaties digitaal beschikbaar wordt gemaakt.

Om een goed beeld van de inhoud van dit nummer van De Vrije Fries te geven volgt hier het Redactioneel:
Dit 95ste jaarboek van De Vrije Fries bevat volgens traditie een breed scala aan artikelen over het lange en veelzijdige verleden van Fryslân. Er is aandacht voor alle hoeken van de provincie, inclusief de Stellingwerven en het Waddengebied. Een van de artikelen brengt ons bovendien in het Duitse Nordfriesland. De brede oriëntatie betreft verder mens en dier, het gewone volk en de elite, hun onderricht, kunst en archeologische nalatenschap. Ook wordt de discussie over de Friese identiteit in deze aflevering voortgezet.

Jorieke Savelkouls opent de editie met een nieuwe geschiedenis van it hynder yn Fryslân en it Fryske hynder. In haar Engelstalige artikel onderscheidt zij deze paarden met slechts één letter, dus wees op uw hoede: de Frisian horse naast de Friesian horse. Pas rond 1900 werden de kenmerken vastgesteld waaraan de Friesian horse – oftewel het stamboekpaard – moest voldoen. Een gepopulariseerde versie van dit artikel is te vinden in de vrijwel gelijktijdig verschijnende wintereditie van het tijdschrift Fryslân.

Kees Kuiken verdiept zich vervolgens in de identiteitspolitiek van de Stellingwerver beweging. Hij graaft eerst in het verdere verleden om daarna te kunnen analyseren hoe de Stellingwervers tamelijk recent een verbeelde gemeenschap hebben gevormd, door zich zowel te spiegelen aan als te verzetten tegen de verbeelde gemeenschappen van de buurregio’s. Zijn bijdrage past voortreffelijk in het huidige onderzoek naar transregionale geschiedenis en het veld van ‘border studies’.

Ineke Noordhoff benadert evenals Savelkouls de relatie tussen mens en dier, in dit geval in de bijzondere omgeving van het Terschellinger duingebied. Het gemeenschappelijke gebruik ervan voor de begrazing door vee heet hier oerol (overal). Sinds 1982 is deze term echter ook gekoppeld aan het intussen succesvolle toeristische festival op het eiland en staat deze voor de beleving van overal cultuur. Het is daarom goed dat Noordhoff de oorspronkelijke betekenis voor het voetlicht brengt en landschapsgeschiedenis verbindt met eerdere inkomstenbronnen van de eilanders.

Na de oprichting van de Franeker universiteit in 1585 door stadhouder Willem Lodewijk hield het Huis Nassau-Dietz een warme band met deze instelling, onder andere door er zijn jonge prinsen te laten studeren. Als eerstejaars werden deze verwelkomd met een academische oratie. Sybren Sybrandy bestudeert de Latijnse redes voor drie Nassause studenten, die ook alle drie stadhouder werden. Het betreft een genre dat overeenkomsten vertoont met de vroegmoderne ‘vorstenspiegels’.

De bijdrage van Sytse ten Hoeve brengt ons daarna bij het werk van de bijna vergeten achttiende-eeuwse Duitse beeldhouwer Johannes George Hempel. Diens grandioze erfenis is vooral te vinden in Sneek en het noordwesten van Fryslân. Ten Hoeve heeft daarover een schat aan gegevens bijeengebracht, die uitnodigen tot nader onderzoek. De meeste illustraties in de kleurenkaternen betreffen het fraaie werk van Hempel.

Otto Knottnerus is de auteur die het blikveld verlegt naar Nordfriesland, wat hij doet in een beschouwing over Friese identiteit rond 1800. Hij begint niettemin met het politieke drinkritueel van ‘de uitluider’ tijdens de patriottentijd in Franeker. Het glaswerk daarvoor kwam van de patriotse medicus Jan de Vicq Tholen, die in 1787 de restauratie niet afwachtte maar via Altona naar het Duitse Husum vertrok. De Vicq Tholens verdere levensloop is de opmaat naar bredere bespiegelingen over de ontwikkeling van het vrijheidsbesef in de gehele kustregio. Knottnerus’ conclusies bieden interessante gezichtspunten voor verder debat, bijvoorbeeld ten aanzien van de vraag of het emancipatieproces van de Friese taalbeweging al dan niet is voltooid.

Het laatste artikel is van Corien Rattink, die het leven van de wâldtsjer Rients Agema onderzoekt. In 1881 was deze het slachtoffer van klassenjustitie, na een schietincident bij zijn werkgever Johannes Bieruma Oosting in Oranjewoud. Hoewel Agema in hoger beroep wegens gebrek aan bewijs werd vrijgesproken, wist hij zijn leven niet meer goed op de rails te krijgen. Hij eindigde als landloper en werd een goede bekende van het Drentse Veenhuizen. Zowel Rattink als Knottnerus schenkt aandacht aan materiaal dat tegenwoordig door het Fries Museum wordt bewaard, een van de instellingen die ook voor dit nummer veel illustraties heeft verschaft.

Deze aflevering wordt afgesloten met enkele beschouwingen over recente publicaties op het terrein van de voorgeschiedenis en archeologie in de Friese en omringende landen. De eerste beoordeling komt van Egge Knol en de tweede van oud-redactielid Ernst Taayke. Daarna volgt de archeologische kroniek over 2013 en 2014, het eerste overzicht waarvoor Nelleke IJssennagger het materiaal vanuit het veld bijeenbracht. Hulde aan allen die deze kroniek mogelijk maakten.

Ook dit kalenderjaar veranderde de redactie van samenstelling. Begin 2015 namen wij, onder grote dankzegging voor al hun redactionele werkzaamheden, afscheid van Piet Bakker en Marjan Brouwer. Hun namen zijn verbonden aan de jaargangen vanaf achtereenvolgens 2004 (!) en 2013. We verwelkomden in januari Martha Kist en Hans Zijlstra. Met de komst van Suzanne Rus, halverwege het jaar, voelt het redactieteam zich op volle sterkte.

Dit jaarboek verschijnt onder auspiciën van zowel het Fries Genootschap / Frysk Genoatskip als de Fryske Akademy. Wij zijn beide organisaties zeer erkentelijk voor de mogelijkheden die zij ons bieden om dit jaarboek te realiseren en toekomstplannen te smeden. In het bijzonder zijn wij verheugd over de professionele redactionele ondersteuning die de Fryske Akademy ons recent heeft verleend door een van haar medewerkers permanent beschikbaar te stellen voor onder meer eindredactionele werkzaamheden. Als redactie kunnen wij ons hierdoor voortaan meer richten op de inhoud van de komende edities en de webpagina’s bij het jaarboek, die momenteel vernieuwd worden. Nieuwe kopij op het terrein van de Friese cultuur en geschiedenis is altijd van harte welkom.
 Posted by at 09:01

 Leave a Reply