feb 282014
 
In het Nationaal Archief te Den Haag bevindt zich in de Inventaris van het archief van de Staten-Generaal een Verbaal van de gezanten Albert Coenraetsz. Burch en Johan van Veltdriel wegens hun zending naar Rusland in verband met onderhandelingen over uitvoer van salpeter en over vrije korenhandel. Het is gedateerd 10 januari 1632 maar de werkelijke 'Ambassade' vond plaats in 1630. Mogelijk zelfs als boek uitgegeven.
Op 4 nov 1631 bezocht een Russisch gezantschap de Staten Generaal
In 1630 toog een gezantschap namens de Staten Generaal (Veltdriel was daarin de vertegenwoordiger van Friesland) naar Archangelsk voor salpeter (een grondstof voor buskruit) en graan vanwege door de Dertigjarige Oorlog onstane tekorten en stijgende graanprijzen. De handel stagneerde. Het was dan ook de bedoeling om een monopolie voor Amsterdam te bepleiten en een goede ligplaats voor de schepen uit de Republiek op de Noordelijke Dwina aan de Witte Zee bij Archangelsk. Er waren begin 17e eeuw al diverse Hollanders en Friezen actief in de handel met Rusland, waaronder Andries Winius en Isaac Massa, hoewel het merendeel van de 'Hollanders' bestond uit gevluchte Antwerpenaren en Duitsers die zich in de Republiek gevestigd hadden. De meeste handel vond plaats over zee via de Sont en Oostzee (de Moedernegotie).
Een prachtige bron hiervoor zijn de online Notariele akten over de Archangelvaart 1594-1724 en uiteraard de Sonttolregisters. Archangelsk werd in 1584 gesticht bij het klooster van de Aartsengel Michael.
De plaats Sint Petersburg bestond nog niet. Deze gewenste haven aan de Oostzee via de Narva werd pas vanaf 1703 met behulp van Friezen en Hollanders door tsaar Peter de Grote opgebouwd.
Aan de Ambassade naar Rusland rond 1630 deed als predikant ook Ovittius Abbema uit Oldeboorn mee. Die kennen we nog van het prachtige boek van kerkhistoricus Paul Abels: Ovittius Metamorphosen. Voluit heette de dominee Pibo Ovittius van Abbema.

Van der Aa meldt over Veltdriel:
VELTDRIEL (Johan), een man van groote bekwaamheid en bedrijf, in 1629 wegens Friesland ter vergadering der Staten-Generaal afgezonden. Namens deze vergadering trok hij, benevens graaf Ernst Casimir, H. van Essen, J. van Gogh, G.v.d. Kamer en R. Huyghens, ten tijde van den inval van het keizerlijk-Spaansch leger in de Veluwe, naar Arnhem, en later werd hij naar Wesel gezonden, om aldaar op alles orde te stellen.
In 1630 werd hij met Albert Coenraadszoon Burgh tot ambassadeur naar Moscoviën benoemd. Hij keerde vroeger dan zijn ambtgenoot naar het vaderland terug. In 1634 werd hij door Friesland gelast om zitting te nemen in de admiraliteit van Zeeland. Onvriendelijk door De Knuyt afgewezen, bleef hij sedert de plaats in de Vergadering der Staten-Generaal, als buitengewoon lid, behouden.

In het archief van Ernst Casimir, in het Koninklijk Huisarchief, vinden we  correspondentie met Van Veltdriel in 1630 en 1631.

Stadgenoot uit Dokkum, Lieuwe van Aitzema beschrijft Veltdriel in zijn Saken van staet en oorlogh, Deel I, bl. 1041.
De familie Van Veltdriel heeft als familiewapen een vos met drie palen.

Er moeten ook nog brieven bewaard zijn gebleven van een latere periode, gezien deze vermelding:  7-06 Stadhouderlijk archief: De archieven in het Koninklijk Huisarchief: Willem Frederik. Inventaris III. Stukken betreffende het openbare leven. B. Aangelegenheden met zowel bestuurlijke als militaire aspecten 4. Personen 424     Briefwisseling met Johan Veltdriel, gedeputeerde ter Staten-Generaal namens Friesland. Datering: 1641-1645 en z.j., met bijlagen 1643 en z.j. (1642)
NB: Minuutbrieven ook aan Herema, 1641, aan Donia, 1641, 1643 en aan gedeputeerden ter Staten- Generaal namens Friesland, 1641. Omvang:1 pak. Vindplaats: Tresoar (Frysk Histoarysk en Letterkundich Sintrum)

Uiteindelijk zou de Ambassade naar Rusland in 1630 een merendeels mislukte missie blijken. De beoogde doelen bleken niet te realiseren. Alleen het voorstel voor een permanente vertegenwoordiging werd door de tsaar positief ontvangen.
Zoals op de afbeelding hierboven te zien kwam in november 1631 alweer een Russische delegatie op bezoek bij de Staten Generaal (bron: Rijksmuseum).

Het zou in ieder geval interessant zijn om deze illustere Dokkumer Johannes Veltdriel eens verder te onderzoeken en over hem een mooi artikel in ons verenigingsblad De Sneuper te publiceren.
feb 262014
 
Het maandblad van de Nederlandse Genealogische Vereniging (NGV) heeft een moeilijk jaar achter de rug. De gehele redactie stapte op, evenals een groot deel van het landelijk bestuur. De vernieuwde Gens Nostra werd van A5 naar A4 formaat gebracht maar kwam door de interne strubbelingen niet echt van de grond.
Met het dubbelnummer 1/2 van jaargang 69 wordt in 2014 een nieuwe poging gewaagd. En het valt wat mij betreft niet tegen. De opmaak is fris. Niet heel erg vernieuwend, eerder een vergrote versie van Gens Nostra van toen het nog als A5 uitkwam. Er staat een historische tekening op de cover die daarmee niet direct een kleurrijk beeld geeft (bijgaande foto is overigens niet erg scherp).
De nieuwe hoofdredacteur Frits van Oostvoorn geeft in het voorwoord ook aan dat men eerst een achterstand moet inhalen. Daarom zullen de eerste twee nummers van 2014 dubbelnummers zijn die min of meer bij elkaar geveegd oud materiaal bevatten. Daarna moet het echt los gaan met het nieuwe elan. Het redactieteam bestaat naast Van Oostvoorn uit Ben Matzinger, Maja Westhoff, Rob Dix en Hans van Felius.
Over de inhoud van dit nieuwe dubbelnummer: Anton Neggers schrijft over een scabreuze familiegeschiedenis in het artikel Chicanes ende Quaetrouweheijt, d'Esten contra van Beerwinkel, gebaseerd op processtukken uit de jaren 1657-1690 in Oirschot.
In De familie Engels in Sempse in de achttiende eeuw- een kroniek, gaat Roger van Kerckhoven in op een familie in de buurt van Mechelen en Brussel die van oorsprong van een Hollandse soldaat afstamde.
En ons aller Antonia Veldhuis uit Veenwouden is weer actief met een uitgebreid verhaal over 'Brieven van Cyriacus Hoorn senior en junior, vanuit Groningen geschreven aan hun bazen, de Stadhouders in de 17e en 18e eeuw'. Vader en zoon Hoorn waren in Groningen hofmeesters.
Verder nog een 'Portret' en een kwartierstaat van Victor Westhoff in dit nummer.

Een idee voor de redactie en het bestuur zou zijn om leden waarvan het emailadres bekend is ook een digitaal exemplaar aan te bieden, als pdf. Makkelijk om naderhand in te zoeken!

feb 232014
 
Onder het pseudoniem van Tomke Dragt, met een knipoog naar zowel de naam van de bekende kinderboekenschrijver Tonke Dragt als naar zijn eigen lengte, publiceert de conservator van de Stichting Musea Noardeast Fryslân, Ihno Dragt, een eerste dichtbundel.

De titel is: 25 Frisse Fryske Ferskes: sa mar út myn Hollânske pinne drippele.
Deze verraadt meteen al dat de schrijver geen Fries van origine is. En dat levert, zoals een ter zake kundige het uitdrukte, soms ongebruikelijke woordkoppelingen op die een ‘native speaker’ niet gauw bedenkt.
De auteur heeft met zijn debuutbundel niet de pretentie om hoogstaande poëzie te leveren. Sterker nog, hij geeft aan niet te weten wat dat is. Wel is het zijn ambitie om zijn plezier in het schrijven en dichten in de Friese taal over te brengen op de lezer. En hij doet dat door middel van rijmdichten, verrassende taalgrapjes en gegoochel met woorden.

Bij 16 verzen heeft Tomke Dragt bovendien een illustratie gemaakt. En doordat de gehele opmaak, inclusief het omslagontwerp, van zijn hand is, kan rustig gesteld worden dat het full colour boekje van 52 pagina’s in alles zijn stempel draagt.
Hij begint met een gedicht over de ramp van Moddergat in 1883 en eindigt met een rijm over Bonifatius. Daartussenin hebben de verzen allerlei thema’s tot onderwerp, zoals mijmeringen over de tijd, depressie, de natuur of met een persoonlijke belevenis als inspiratiebron. Er is een gedicht met afwisselend een Nederlands en een Fries woord Onder het pseudoniem van Tomke Dragt, met een knipoog naar zowel de naam van de bekende kinderboekenschrijfster Tonke Dragt als naar zijn eigen lengte, publiceert de directeur, een waarbij de beginletters van de woorden in iedere zin hetzelfde zijn, en zo al meer.

Van de verkoopprijs van € 12,45 is vier euro, het bedrag dat overblijft na aftrek van de drukkosten, bestemd voor de Stichting Markant Friesland.
Deze in Buitenpost gevestigde stichting is een samenwerkingsverband van musea in noordoost Fryslân. Sinds een jaar of vijf timmert deze stichting aan de weg om de organisatie van circa 25 aangesloten cultuuraanbieders (in zes gemeenten) en de beleving van de cultuurhistorie op een hoger plan te brengen.

Het boekje is te verkrijgen in de winkel van de musea in Dokkum en Moddergat, alsmede te bestellen via info@museumdokkum.nl. De verzendkosten bedragen € 3,50 per boekje.

Uitgeverij Walraven de Granje, Clantlaan 1  9843 EA Grijpskerk
ISBN/EAN: 978-90-821609-1-8
feb 202014
 
Uit het onderzoek van Marjan Vroom naar de landschapsgeschiedenis van Noord-Friesland Buitendijks bleek dat het agrarische gebruik van deze kwelder in ieder geval terug gaat tot de vijftiende eeuw en waarschijnlijk zelfs tot de twaalfde eeuw.
Belangrijke bronnen hiervoor waren belasting- en andere registers. De eerste registratie om grondbelasting te kunnen heffen heet het Register van den Aanbreng.
Het “Register van den aanbreng van 1511 en verdere stukken tot de Floreenbelasting” is in 1880 opnieuw uitgegeven en in te zien bij Tresoar. Het register beschrijft in welk dorp de huurders woonden, hoeveel grond ze totaal gebruikten en wat de huurwaarde van die grond was. Bovendien is ook vermeld van welke “landheer” de grond werd gehuurd. Er zijn slechts enkele van deze registers bewaard, waaronder die van Ferwerderadeel (Holwerd staat hier ook bij). Marjan heeft de eigenaren en de huurders van het buitendijkse gebied in 1511 in een document op de website gezet.

De Stemkohieren zijn een politieke stemadministratie en bevatten per boerderij informatie over eigenaren en gebruikers. De stemcohieren van 1640, 1698 en 1728 zijn opgenomen in HISGIS. Dit is een Historisch Geografisch Informatie Systeem, waarin ruimtelijke informatie in de vorm van kaarten is verbonden met gegevens uit Kadaster, Floreenkohieren, Stemkohieren en andere bronnen. De Fryske Akademy leidt dit landelijke project (www.hisgis.nl).
Ook hiervan heeft Marjan de gebruikers en eigenaren van percelen in de kwelder in een document beschikbaar gesteld.

Op de site van de Fryske Akademy staat ook van Achtkarspelen een transcriptie van het Register van de Aanbreng.
DBNL heeft nog een scan online met oa Kollumerland en op pag.225 enkele uittreksels uit de Floreenkohieren van Oostdongeradeel rond 1687.
feb 142014
 
Han Nijdam van de Fryske Akademy schreef enkele jaren geleden naar aanleiding van zijn dissertatie het boek Lichaam, eer en recht in middeleeuws Friesland. Ook in de Vrije Fries van 2009 publiceerde hij over dit oude rechtstelsel.
Eer was een belangrijk principe voor de Vrije Friezen in de middeleeuwen. En als een Fries in zijn eer werd aangetast gaven de Oudfriese boeteregisters uitkomt over een passende straf. Daarmee kon hij een soort eerwraak nemen en smartengeld ontvangen.

Deze week zag ik scans van het manuscript van het Freeska Landriucht op Twitter voorbij komen en moest weer even denken aan de aardige briefkaarten die gemaakt zijn, waarop bijzondere gevallen van overtredingen en bijbehorende straffen uit dit wetboek van ca. 1300 geillustreerd worden.
Zo is daar het fenomeen bierpissen (Fries: Bierpisje, Engels: Pint pissing) dat als volgt omschreven staat: Hwasa otherem inane pinth pissie: tuia xv enza ieftha tian ethar.
Ofwel: Wie in iemand zijn bier pist moet twee keer 15 ons betalen of 10 keer onschuld zweren.

Of wat dacht u van deze: Vrouwensmijten (Fries: Frouljusmite, Engels: Femtossing).
In het Oudfries: Lef hir en frouue vr enne benc euurpen wert, thet hiu binitha gerdel blike and hit tha liude urse: fiften scillingar.
Vertaling:
Als een vrouw over een bank geworpen wordt zodat lieden onder haar rokken kunnen kijken, dan moet men haar 15 schellingen betalen.

Andere hilarische overtredingen zijn bijvoorbeeld: baardverbranden (Burdbaarne, Beard burning) en Rugspringen (Bekljeppe, Back leaping).

Hoedt u dus voor het onbezonnen benaderen van een Vrije Fries!
feb 092014
 
Op onze website hebben we al een tijdje een index van de Betaalrol van het fregat Eensgezindheid der Friese Admiraliteit. Pieter Visser mailde die mij ooit. Het betrof de jaren 1780 t/m 1783. Het fregat stond onder commando van kapitein Willem Livius van Bouricius, die een buiten, Nijenburgh, tussen Kollum en Oudwoude bewoonde. Visser trof verschillende opvarenden uit onze regio aan en noteerde ze.
De familie Van Bouricius zou van oorsprong Bourix geheten hebben en uit Dokkum komen, maar eind 16e eeuw naar Leeuwarden verhuizen.
Willem Livius van Bouricius zag ik enkele jaren later wel weer terug toen Jeanine Otten online
publiceerde over 18e eeuwse proppen die uit een plafond als opvulmiddel gekomen waren en boodschappenbriefjes bleken te zijn. Havenmeester Cornelis Dirks Zijlstra van Harlingen ontving diverse briefjes van zeelieden en op een er van klaagde kapitein Jan Vlielander over Bouricius.
Pas recent realiseerde ik met dat het fregat Eensgezindheid onder leiding van Bouricius had deelgenomen aan de Slag bij de Doggersbank in augustus 1781.
Mogelijk dat Van Bouricius in zijn eigen regio wat extra geworven had want we komen diverse opvarenden tegen uit Noordoost-Friesland. Weliswaar deden ze niet allemaal mee aan de zeeslag maar enkelen toch wel.
Zoals bij voorbeeld adelborst Sytse Bylanus van Ee, opvarende van 1780-1782. Hij was in werkelijkheid Casparus Sytzo Beilanus afkomstig van Ee die in 1793 trouwde met Gertie Willems Huisinga afkomstig van Leeuwarden. Bij de geboorte in 1794 van hun eerste dochter Petronella Wilhelmina, wordt Casparus Sytzo aangeduid als oud luitenant ter zee.
Casparus Sytzo moet ook familie zijn geweest van Eyso de Wendt (zijn moeder was Idkse Beilanus), die ook een buiten bij Kollum bewoonde zoals later Van Bouricius. Het hielp Beilanus ongetwijfeld om een bevoorrechte positie aan boord te verkrijgen. 
Nog even terug naar Willem Livius van Bouricius en de informatie die Jeanine Otten op de site Vergetenharlingers.nl geeft:  
In 1781-1782 was Van Bouricius gezagvoerder op het schip De Eensgezindheid met 38 kanonnen en 230 koppen bemanning. Dit fregatschip was in 1778-1779 in opdracht van de Friese Admiraliteit in Harlingen gebouwd en in 1796 gesloopt. 
Willem Livius van Bouricius werd geboren op 8 oktober 1746. Vijf dagen nadat Jan Vlielander zijn briefje naar Cornelis Zijlstra had gestuurd, namelijk op 5 augustus 1781, commandeerde Van Bouricius zijn schip De Eensgezindheid in de Slag bij de Doggersbank. Hij lag met zijn schip achter of buiten de linie om de zwaardere schepen te ondersteunen en moest het zwaar gehavende schip De Batavier te hulp schieten. De slag eindigde feitelijk onbeslist, maar in Nederland werd de slag als een grootse overwinning gevierd. Alle hooggeplaatsten kregen van stadhouder Willem V een eremedaille aan een lint, de zogenaamde Doggersbankmedaille. De matrozen werden beloond met een geldbedrag. 
In de collectie van Gemeentemuseum het Hannemahuis is een unieke zilveren lepel ter nagedachtenis aan Willem Livius van Bouricius en zijn schip De Eensgezindheid. Op de achterzijde van de bak is een afbeelding gegraveerd van een fregat en het opschrift 'Ter Gedagtenis aan sLands Oorlog schip de Eensgezindh Gecomm door Capitein W:L:B:  P:S: 1781'. De lepel werd gemaakt door de Harlinger zilversmid Hoyte Jans Lieuwma (1739-1817). Deze zilversmid stamt overigens weer uit de familie van de Dokkumer stadsomroeper Pytter Lieuwma (ten tijde van het bewind van de Dokkumer burgemeester Julius Schelto van Aitzema).

Na de Slag bij de Doggersbank op 5 augustus 1781 werd de Eensgezindheid ingezet om schepen naar West-Indie, dus de Caribbean, te begeleiden. In october 1781 ging de Eensgezindheid weer op pad na een Missive van Prins Willem van Oranje.

Van der Aa meldt nog over hem: In 1782 hielp hij de naar Oost en West-Indië bestemde schepen begeleiden, zoo verre als men die voor eenige vijandelijke magt in de Noordzee meende te moeten beveiligen.
Nog wordt van Bouricius gemeld, dat hij in 1787 met het fregat de Pallas in het Vlie zeilree lag, toen de Stadhouder den Officieren van dit en drie andere schepen bevel gaf, om vooreerst niet uit te zeilen. In hetgene daar verder voorviel met Decker, Tulleken en den Luitenant Aegidius van Braam wordt Bouricius niet genoemd.
In 1788 en 1789 was Bouricius met de Pallas, een vieren-veertiger, in de Middellandsche zee, onder het eskader van den Kapitein J. Schrender Haringman, en werd door dien Bevelhebber met zijn schip en de Castor Kapitein van Capelle naar Gibraltar gezonden, om een wakend oog op de Marokkanen te houden.

Van Bouricius had een treurig einde toen het schip waarop hij het commando voerde, de hulk De Dwinger, in 1793 in het Vlie in vlammen opging. 

Een kaart met slagordes van de schepen in de Slag bij de Doggersbank en allerlei andere afbeeldingen vindt u in de collectie van het Rijksmuseum.
feb 042014
 
Jozien Driessen-Van het Reve beschrijft in haar boek De Kunstkamera van Peter de Grote hoe de preparaten-collectie van apotheker Albertus Seba verkocht werd aan tsaar Peter de Grote en ook hoe Seba hielp bij de verzending van de anatomische collectie van doodskunstenaar en professor in de anatomie Frederik Ruysch.
Op blz. 93: Op 3 juni 1716 had Seba de apothekerswaren voor de Hofapotheek van Sint-Petersburg geladen op De Blauwe Klocke, met schipper Wiebe Siewerts, bestemming Petersburg. De apothekerswaren bestonden uit 74 colli, genummerd en gemerkt A.P. Volgens de order waren de stukken geconsigneerd aan de heren Ranson, Parsons en Waidt. Seba had de zending ook laten verzekeren: de apothekerswaren op het schip De Blauwe Klocke voor een waarde van ƒ15.000 à vijf percent, en die voor de Hofapotheek in Moskou, die op het schip De Swarte Haan met schipper Claas Mentse (Claes Mentsen van Vlieland, zie Notariele akten over de Archangelvaart 1594-1724 en de Sonttolregisters Online, HZ) naar Archangel gingen, voor een zelfde bedrag. De rekening en cognossementen hiervan zou hij per post verzenden.
Op 2 september 1716 berichtte Schumacher aan Seba de goede aankomst zowel in Sint-Petersburg als in Archangel. Aan Areskine schreef Schumacher op 24 oktober 1716 ‘dat de apothekerswaren door de apotheker, de heer Baehr, in ontvangst genomen waren en zonder schade bevonden. Honderd maal beter dan vorig jaar’, was diens oordeel geweest.
Op blz. 113: De lijst van de collectie Seba. Mei ging voorbij. Tenslotte vertrokken de schepen naar Sint-Petersburg op 4 juni 1716. Het kabinet was geladen aan boord van het schip De Blauwe Klocke met schipper Wiebe Siewerts tezamen met de bestelling voor de Hofapotheek.
Aan boord bevond zich de apothekersgezel Balthasar Staehl die zorg zou dragen voor de collectie. Seba drong er bij Schumacher (de secretaris van Areskine, HZ) op aan dat hij een goed woordje voor hem zou doen bij Areskine (de Schotse lijfarts van de tsaar, ook als Erskine geschreven, HZ) en dat hij dan misschien een baan kon krijgen. Hij had drie jaar bij Seba naar volle tevredenheid gediend. Seba had hem een lijst meegegeven die hij aanduidde als ‘einige notitien’.
Er is dus sprake van een catalogus grosso modo, opgestuurd op 4 oktober 1715 en door Seba ook aangeduid als ‘kurtzen auffsatz’, en van ‘einige notitien’ die de apothekersjongen bij zich had. Deze laatste lijst is dezelfde lijst die als kopie te vinden is in de afdeling handschriften van de Bibliotheek van de Academie van Wetenschappen in Sint-Petersburg.
Achterin dit boek is deze Nederlandse lijst getiteld Notitie van verscheyde uytmuntende Cabinette met alle bedenklyke soorten van Rariteyten, waar de hele collectie Seba staat opgesomd, als bijlage II opgenomen. Seba had zijn collectie (‘het kabinet’) voor een waarde van ƒ15.000 verzekerd à vijf procent. De bestelling voor de Hofapotheek in Sint-Petersburg bestond uit 74 colli alle genummerd en gemerkt A.P. (Apotheek Petersburg). Alles was volgens order geconsigneerd aan Ranson, Parsons & Waith. Seba had nog niet te horen gekregen waar de factuur en cognossementen heen moesten.
Opvallend is dat Seba de kisten waarin zijn kabinet zat verpakt, merkte met zijn eigen merk, met het merk R.A. voor Robert Areskine, of met het merk van de tsaar. Het  was alsof hij er nog niet helemaal afstand van had gedaan.

Op blz. 101:  Op 7 juni antwoordde Seba Areskine op diens brief van 2 mei 1718, die hij 3 juni had ontvangen. Hij kon Areskine vertellen dat in het schip Juffrouw Anna Maria, per schipper Jan Pietersz. Vettevogel, en in het schip Stad Coningsbergen, per schipper Wiebe Siewerts, te samen met de wijnen en de andere bestellingen voor Areskine, de apothekerswaren voor de Hofapotheek en de Admiraliteitsapotheek in Sint-Petersburg zaten geladen. Dit keer wachtten in Petersburg Schumacher en Areskine al eind juni 1718 ‘met spanning tot de schepen met de geneesmiddelen binnenliepen want de oude voorraden verkeerden in een droevige toestand’..

De tsaar had na zijn twee bezoeken aan de Republiek (in 1697 en 1717) besloten eerst de collectie van Seba te kopen (in 1716 voor 15.000 gulden) en in 1718 ook de collectie anatomische preparaten van Frederik Ruysch, botanicus en anatoom te Amsterdam.

Blz. 151:  Seba had de opdracht d.d. 2 mei 1718 de kisten waarin de anthropogenia van het kabinet Ruysch zaten gepakt naar Lübeck te sturen, pas op 3 juni 1718 ontvangen. Op 7 juni antwoordde Seba Areskine dat het kabinet al geheel geladen was.
53 kisten genummerd van 1 tot 53 bevonden zich op het schip de Juffrouw Anna Maria (een hoeker, HZ), met schipper Jan Pietersz. Vettevogel, en 47 kisten zonder nummer op het schip de Stad Coningsbergen, met schipper Wiebe Siewerts, tezamen met de wijnen en de andere bestellingen voor Areskine en ook de apothekerswaren voor de Hofapotheek en de Admiraliteitsapotheek in Sint-Petersburg. Omdat de schepen al helemaal geladen waren en omdat Seba niet wist in welke nummers de stukken gepakt waren, kon er niets meer uitgehaald worden. Het kon niet meer veranderd worden en Seba hoopte dat door Gods geleide de aankomst in Sint-Petersburg gelukkig en wel zou zijn. Er waren niet meer dan twee schepen naar Sint-Petersburg onderweg; daarom had hij het kabinet niet over meer schepen kunnen verdelen. Seba had alles volgens opdracht laten verzekeren, hij stuurde met de volgende post de rekening en de cognossementen. De schepen wachtten op het konvooi en op goede wind. Het Ruysch-kabinet zat gepakt in totaal 98 colli.
De nummers 99 en 100 waren twee kisten met boeken die door Seba aan Areskine waren geadresseerd, één uit Frankrijk en de andere van meneer Van den Burg.

Voor de verzending van de collectie schakelde de tsaar, via een agent, ervaren schippers van Amsterdam op Sint Petersburg in. Wiebe Siewerts uit Molkwerum en Jan Pieters Vettevogel uit Amsterdam (maar waarschijnlijk uit Harlingen en ook wel Houtsma genoemd).

In de Sonttolregisters Online zijn diverse reizen van Wiebe Siewerts en Vettevogel terug te vinden.
Op 15 juli 1716 passeert Wiebe Siewerts de Sonttol met de collectie Seba aan boord (waarschijnlijk beschreven als koopmanswaren).
In De Kunstkamera van Peter de Grote wordt gemeld: In Amsterdam wachtte Seba in spanning af hoe het zijn collectie zou vergaan. Eind augustus had hij nog geen bericht ontvangen. Niet van Areskine en niet van Schumacher. Wel had hij half augustus een brief van zijn vroegere gezel Balthasar Staehl gekregen. Die schreef hem uit Kopenhagen dat het schip De Blauwe Klocke, waar hij aan boord was, samen met de volledige lading aangekomen was in Kopenhagen. Ze waren daar binnengelopen omdat ze bang waren in handen te vallen van ‘de Zweedse Kapers’. Staehl had zich aangediend bij Areskine die met de tsaar in Kopenhagen verbleef en gemeld dat de bestelling voor de Hof-apotheek en het kabinet in de haven aangekomen waren. Waarop Areskine geantwoord had dat hij daar verheugd over was, maar dat hij niets kon doen om een spoedig vertrek naar Petersburg te bevorderen tot er een order werd gegeven door de tsaar om de schepen verder naar Sint-Petersburg te begeleiden.
Areskine gaf de jonge apotheker een brief mee om aan Schumacher te overhandigen met instructies voor het in ontvangst nemen van de collectie. Toen de schepen op 19 augustus 1716 in goede orde op Cronslot (het tegenwoordige Kronstadt op het eiland Kotlin, dat lange tijd dienst deed als de haven van Sint-Petersburg) arriveerden, las Schumacher in de instructie van Areskine dat ‘niemand behalve de jongen die het kabinet had begeleid het kabinet mocht aanraken tot de terugkeer van de tsaar’.
Staehl begon met assistentie van Schumacher alles uit te pakken en de lijst te controleren. Op 2 september 1716 waren ze zo ver gevorderd dat Schumacher Seba kon melden dat het kabinet goed was aangekomen. Slechts één kist, met animalia had door het hevige schommelen van het schip schade geleden, zodat zij genoodzaakt waren de alcohol (l’eau de vie ) bij te vullen.‘Balthasar Staehl heeft de zorg voor het kabinet op zich genomen zodat het er goed uit zal zien als de tsaar terug komt’. ‘De anatomische preparaten zullen Areskine bevallen’, schreef Schumacher aan Seba. Het geld zou snel komen, maar, verontschuldigde hij zich, ‘in abwesenheit einer person habe man grossemühe geld aus das prikasen zu bringen’.
Om de rest van het verlangde geld voor het kabinet over te kunnen maken, was klaarblijkelijk de terugkeer van Areskine vereist. Ook Areskine kreeg van Schumacher bericht over de aankomst van de collectie. Bij het openen van de kisten had deze niet alleen alles in goede orde bevonden, maar ook kunnen vaststellen dat ‘er nog meer in zat dan Seba in zijn catalogus had vermeld’. De fiolen [ phioles ] die moesten worden bijgevuld, had hij bijgevuld met wijngeest [l’esprit du vin ]. ‘De rest is god zij dank in goede staat en ik heb alles terug gepakt in de kisten tot de terugkeer van de tsaar’.

Overigens begon Albertus Seba na de verkoop gewoon weer overnieuw met verzamelen! Uitgever Taschen gaf er vrij recent een mooi boek over uit (in 2011). 

Met de collectie van Frederik Ruysch zien we dat Jan Pieters Vettevogel passeert op 8 juli 1718 de Sonttol in Elseneur/ Helsingor. Een dag later wordt Wiebe Siewerts voor de Sonttol geregistreerd met geregistreerde bestemming Tallin.

Ook in 1719 had Wiebe Siewerts nog een lading via Seba: blz.188: In de derde week van juni 1719 verzond Seba echter weer een lading genummerde colli bestemd voor archiater Blumentrost met schipper Wiebe Siewers.
Hij was door Brants tevoren betaald met een wissel van de archiater van 1.330 roebel ‘voor de nieuwe rekening van de Moskouse apothekerswaren’. Seba had kennelijk weer een bestelling in de wacht weten te slepen.

Wiebe Siewerts (=Wiebe Sjoerds) trouwde vermoedelijk in 1722 (hoewel ook in 1701 een Wybe Syoerts van Molkwerum trouwt): Hemelumer Oldeferd, huwelijken 1722.Vermelding: Bevestiging huwelijk op 7 maart 1722, Bruidegom: Wybe Sioerds afkomstig van Molkwerum, Bruid: Sijmentie Clases afkomstig van Molkwerum. Opmerking : Hij is schipper.

Zoals vaak komen namen in de Sonttolregisters Online voor met diverse spellingsvormen. Zo komt Wiebe Siewerts voor (Datum doorkomst/Naam/Thuishaven/Route):
16-9-1726Wiebe Siewers/Molquern/Amsterdam - Petersborg
12-5-1727Wiibe Sievers/Molqueren/Amsterd. - Petersborg
31-8-1724Wiibe Sievers/Amsterd./Amsterd. - Petersborg
26-6-1720Wiibe Sieverts/Molqueren/Amsterd. - Petersburg
7-6-1715Wiebe Siewers/Molquern/Amsterd. - Petersbourg
1-6-1721Wiebe Siewerts/Molqweren/Amsterdam - Petersborg
15-7-1716Wibe Siewers/Molquern/Amsterd. - Petersborg
12-7-1719Wiebe Siewerts/Mollgwern/Amsterdam - Petersborg
22-6-1722Wiibe Sieverts/Molqueeren/Amsterd. - Petersborg