feb 252012
 
Onlangs moest ik voor een gezelschap in Dokkum een verhaal vertellen. Ik koos als onderwerp de geschiedenis van de stranding van ‘De Valk’ op Ameland in 1799. Ter voorbereiding van dat verhaal bezocht ik het Rijksarchief in Leeuwarden. Daar ontdekte ik een brief die het gemeentebestuur van Ameland schreef aan het bestuur van het Departement van de Eems, het toenmalig provinciale bestuur van Friesland en Groningen. Tot mijn verrassing bleek dat het gemeentebestuur in deze brief loog, of althans niet de volledige waarheid vertelde.
Het verhaal van de stranding van het fregat ‘De Valk’ in de morgen van 10 november 1799, is bekend. Bij die scheepsramp kwamen ruim vierhonderd mannen, vrouwen en kinderen om. Over deze ramp is op 1 februari 1800 een rapport geschreven door de Engelse officier John Humphrey Edward Hill. Uit dat relaas blijkt dat van het regiment van Hill, de Royal Welsh Fusiliers, 19 soldaten en Hill als enige officier de scheepsramp overleefden. Zij werden op Ameland met grote liefde en zorg opgevangen en bleven een week op het eiland. Zij verlieten Ameland volgens Hill dus op of omstreeks 17 november 1799 met als reisdoel Den Helder. Hill zette daar zijn 19 soldaten op een schip en miste zelf vervolgens de reis naar Engeland omdat hij eerst zelf de overtocht van Ameland naar Den Helder ging betalen. Hill kwam op 20 november veilig in Portsmouth aan.
Essentieel in het bovenstaande is dat Hill met 19 Engelse soldaten op Ameland was. Er waren dus in die week van 10 tot 17 november 1799 twintig Engelsen op Ameland.
Eerder dat jaar had de landing plaats gevonden van het gecombineerde Engels-Russische leger in Noord-Holland. Daar vond een reeks veldslagen plaats tussen die invasiemacht en het gecombineerde Frans-Bataafse leger. Na veel bloedvergieten zegevierden de Fransen en de Hollanders. Op 22 oktober werd er een wapenstilstand gesloten en zo verlieten op 28 oktober 1799 de Royal Welsh Fusiliers aan boord van ‘De Valk’ de Noord-Hollandse kust.
Het jonge revolutionaire bewind was zeer trots op deze overwinning. Er werd een nationaal feest gelast; “ter vereering van den roem door de vereenigde Bataafsche en Fransche Armee behaald, ter nagedachtenis van die Helden die op het bed van Eer gesneuveld zijn, ter opwekking van vaderslandsliefde, en vereeniging van alle welgemeenden tot eene zin tot een gevoelen om de Staatsregeling getrouwelijk aan te kleeven en het Vaderland en de Vrijheid te behouden, en voorts tot alle andere en dergelijke nuttige en lofwaardige einden en bedoelingen” zo blijkt uit de proclamatie van het bewind.
Tegelijkertijd was het Bataafse bewind ook erg geschrokken van deze invasie en de reacties die er hier en daar optraden. Er werden op meerdere plaatsen vrijheidsbomen omgehakt en vervangen door Oranjebomen. Dat gebeurde ook op Ameland. Sorgdrager meldt dat op 8 oktober 1799 “de regeering Ameland overgegeven had”, en dat dat “een ongemeende vreugde verwekte Oud en Jong kwam in menigte op de been, Elk voorzag zig uit Eijgen beweeging van een Oranje Lint geen half uur was de tijding tot Holm geweest of de vrijheidsboom wierd door het Jong volk omgekapt en aan stukken gehouden, op order van de Commissaris de vlag zag men op het oogenblik waaijen van den Toren de klok deed men Luiden tot ‘S avonds 8 uur het Jong volk Liep schietende langs het dorp, en het geroep van Oranje boven, en de blijdschap onder het volk was ongemeen groot”. Sorgdrager meldt verder dat er die avond een “gelag” plaats vond in de “Herberg” ( De Zwaan ?) dat zonder iemand te molesteren goed afliep.
De volgende dagen werd er zelfs een proclamatie voorgelezen waarin paarden en vaartuigen werden gevorderd voor het Engelse leger. Die hele week vonden er nog meer Oranje-feesten plaats ook op de rest van het eiland. Op 18 oktober hoorden de Amelanders echter dat de strijd nog volop woedde. Op 27 oktober vernam men op Ameland dat er op 22 oktober een wapenstilstand was gesloten tussen de strijdende partijen. De bordjes waren weer verhangen en op 5 november werd er in Hollum een Franse proclamatie voorgelezen waarbij aan alle burgers werd aangezegd om de vrijheidsboom weer op te richten. De oude tijden van voor 1795 keerden nog niet weerom. Deze laatste proclamatie werd voorgelezen vijf dagen voordat ‘De Valk’ verging.
Uit dit overzicht uit het Memoriboek van Sorgdrager blijkt onomstotelijk dat er die dagen een contra-revolutie op Ameland plaats vond. Dat dit ook bekend was bij het Departementaal Bestuur in Leeuwarden blijkt uit de brief die vanuit Leeuwarden werd gestuurd aan het Uitvoerend Bewind van de Bataafsche Republiek in Den Haag. Men schrijft: “Op heden is door twee leden van de Raad van de gemeente Ameland als daartoe door hunnen medeleden gecommiteerd, ter Onzen kennis is gebragt dat sedert den 9 October wanneer het Eiland Ameland zich voor den Engelschen heeft verklaard aldaar een volkoomene Rebellie plaats heeft; dat de zoogenaamde Princevlag van de Torens waayt en alles met Orangetekenen is ontsierd dat de Vrijheidsboom is omvergehaald en de Orangeboom geplaatst is dat de Raad voorn. wordt bespot en deszelfs orders niet gerespecteerd.”  Het departementaal bestuur trad echter niet op: ”daar wij onzeeker zijn in hoeverre wij gerechtigd zijn van de Magt aan ons competeerende tot herstel van de rust en goede orde op dat Eiland voor den 30 November aanstaande, zijnde het termijn binnen hetwelk volgens de geslotene Capitulatie de Engelschen deze Republiek moeten hebben geevacueerd, uit hoofde gen. Eiland zich voor den Engelschen heeft verklaard. Wij zouden echter gaarne daartoe alle onze pogingen in het werk willen stellen en verzoeken over zulks met Uw welmeening daaromtrent te worden gehonoreerd.
Heil en Broederschap J. Huber vz. M Salverda secr. 1 November 1799.”
Uit deze brief blijkt dat er een complete rebellie is geweest. Niet alleen zijn overal Oranje-symbolen aangebracht, ook wordt de Bataafse gemeenteraad genegeerd en bespot.
Het is op zich niet verwonderlijk dat Ameland vooraan liep in de Oranje-geledingen. Ameland was immers tot 1795 persoonlijk bezit geweest van de Oranjes. De Amelanders zullen in de economisch zeer slechte tijden van de Franse bezetting beslist terug verlangd hebben naar die dagen. Men zal ook genoeg gehad hebben van de enorm belastende inkwartieringen van militairen en de beperkingen die in het kader van het continentaal stelsel werden opgelegd. Er was in die dagen daardoor honger en gebrek op het eiland.
Na de grote periode van onzekerheid als gevolg van de invasie en de Oranje-aanhangers, stuurt het Bataafse bewind na de wapenstilstand van 22 oktober aan alle besturen van de Departementen een brief met het verzoek om na te gaan of er nog Engelsen achter gebleven zijn. Tegelijkertijd stelt men de vraag of de departementsbesturen willen nagaan hoe het staat met het de gevoelens onder het volk. Op hun beurt schrijven de besturen van de departementen de gemeentebesturen aan met de vraag rapport uit te willen brengen. Die brief van het bestuur van het departement van de Eems komt op 12 november op Ameland aan. Twee dagen dus na de stranding van ‘De Valk’.
Het gemeentebestuur van Ameland heeft dan een groot probleem. Het departementaal bestuur wil weten of er Engelsen binnen de gemeente zijn, net op het moment waarop er twintig Engelsen als overlevenden van de ramp met ‘De Valk’ op het eiland zijn aangespoeld. En dat terwijl tot overmaat van ramp in de gemeente op uitbundige wijze de vrijheidsboom “aan stukken is gehouden” en er vele Oranje-feesten zijn gevierd. De Engelsen waren zelfs met Oranje-vlaggen verwelkomd, zo geeft Hill in zijn rapport aan. De brief van het departementaal bestuur had niet op een ongelukkiger moment kunnen komen. Het gemeentebestuur moet met de hele kwestie enorm in zijn maag hebben gezeten: het is de ultieme test tussen loyaliteit aan de eigen eilanders of loyaliteit aan het Bataafsche bewind.
Men zal lang vergaderd hebben om een passend antwoord te bedenken. Het gemeentebestuur kiest voor de weg van list en leugen men schrijft dan een brief die een mix is van waarheid en onwaarheid.
Brief van gemeentebestuur van Ameland aan het Departementaal bestuur van de Eems te Leeuwarden.
Gelijkheid, Vrijheid.
De Raad der gemeente van Ameland.
Aan het Departementaal Bestuur van de Eems
Te Leeuwarden.
Burgers,
Uw gerespecteerde Missive in dato 12 deeser is ons wel geworden. In antwoord op deselve dient dat hier op het eiland geene Engelsen zijn nog gedurende de oorlog ook niet hebben geweest. Ook worden thans geene scheepen van deselve meer gezien. Eghter blijven de vlaggen van de Toorns hier nog waaijen en de zogenaamde Orangeboomen in derselve ….
In hun volle luyster alschoon wij Uw Resolutie van den eersten deeser aan den ingezeetenen hebben bekent gemaakt daar intusschen het gebrek aan Proviand en levensmiddelen dagelijks vermeerdert en toeneemt.
Wij hebben de gesalveerde manschap van het alhier op den 10de deeser verbrijselde Transportschip de Valk waarvan kennisz hebben gegeeven met een daartoe afgehuurd schip den 15e deeser na de Helder gesonden. Met onsen Chirurgin doordien het meerendeel derselve ziek en door het stranden geblesseerd waaren. Onder deselve bevond zich een Engelse officier welke aan ons een bewijs van Een goede behandeling heeft gegeeven. Wij vertrouwen dat Ulieden onze verrichting met het versenden derselve zult goedkeuren.
Van het verongelukte schip De Valk is niets van aanbelang geborgen. Eenig Zeijl en Touwwerk is met de Tuigage aangedreven. Veertig a 42 Lijken sijn hier op strand gevonden zoodat een groot getal nog manqeerd.
Wij zijn na toewensching van Heijl en Eerbied uwe medeburgers,
De Raad van de gemeente van Ameland
Sipke Claassen, Presendent.
Ter ordonnantie van deselven
O.J. Klijn, Prov. Secretarisz.
Ameland 17 november 1799
Het 5e jaar der bataafschen vrijheid.
(Inventaris van de Archieven van de Gewestelijke bestuursinstellingen Van Friesland 1795-1813
Tresoar/Ryksarchyf BRF (8) Inv.nummer; 692.)
Men redt zich dus uit deze netelige situatie door glashard te beweren dat er geen Engelsen op het eiland zijn en dat die er ook niet tijdens de oorlog zijn geweest. Hier liegt het gemeentebestuur dus. Wel verzacht men de leugen door verder in de brief deze manschappen wel te noemen waarbij men echter wijselijk de nationaliteit onvermeld laat. Alleen van de ene Engelse officier (Hill dus) maakt men wel gewag, maar men stelt daar onmiddellijk bij dat men op de 15 november deze officier met de rest van de groep met een schip heeft weggezonden. Zij zagen zich daartoe gedwongen omdat de gestranden ziek en gewond waren. Men had zelfs de eigen chirurgijn meegestuurd. Huichelachtig stelt men vervolgens dat men aanneemt dat het departementaal bewind deze handelwijze zal goedkeuren. Het wegsturen van die ene Engelsman kon toch niet euvel geduid worden. Men had bovendien geen keuze omdat hij gewond was en medische verzorging nodig had, zo lijken de gemeentebestuurders te impliceren. Of deze weergave van de feiten helemaal correct is mag worden betwijfeld. Het is zelfs niet uitgesloten dat ten tijde van het versturen van de brief (15 november 1799) er nog Engelsen op het eiland waren. Hill schrijft immers dat men een week op het eiland verbleef, hetgeen meer duidt op een vertrek van de Engelsen op 16 of 17 november.
Het is mij niet duidelijk geworden waarom het gemeentebestuur loog. Was het uit eilander solidariteit? Of was het omdat men niet wilde toegeven dat men als gemeentebestuur de zaken niet goed in de hand had.
Het vertrek van de Engelsen was echter net op tijd. Want uit het Notulenboek van het Departementaal Bestuur van 21 november 1799 blijkt dat er op 23 november 1799 een detachement Bataafse militairen naar Ameland werd gestuurd. In dat notulenboek van het Departementaal Bestuur in Leeuwarden staat;
“Door de President ter vergaadering zijn gecommuniceerd dat door de plaats. Major. Hartemink namens de Comandant deezer stad aan hem was vertoond eene patent van den Collonel Boonacker op last van Generaal Dumonceau afgegeven waar op een detachement van 1 sergeant, 1 corporaal en 12 gemeene van de Compagnie Friesche Guarde zich op aanstaande saturdag naar het Eiland Ameland moeten begeeven tot herstel der zaaken aldaar.
Sipke Klaassen en O.J. Klijn zijn dus goed weg gekomen met hun leugen. Maar ook voor hen geldt: “Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt ze wel.” Ook al duurt het soms meer dan tweehonderd jaar.
Mr. Roel Cazemier
Bron: Pollepraat 2002, Cultuurhistorisch museum Sorgdrager Ameland, http://www.amelandermusea.nl/cultuurhistorisch.html
 Posted by at 12:43

  One Response to “Het gemeentebestuur van Ameland loog!”

  1. Lees ook dit verhaal over het monument op het Engelsmanduun n.a.v. het vergaan van ‘De Valk’

     

 Leave a Reply