dec 012004
 

H. Zijlstra

In de kelder van het gemaal Ezumazijl zijn 5 gedenkstenen ingemetseld. Een prima plek om de stenen tegen weersinvloeden te beschermen, echter bijna niemand kan ze zo zien.
Tijdens een excursie van de Historische Vereniging Noordoost Friesland kregen we de gelegenheid deze stenen van nabij te aanschouwen. De in prima staat verkerende stenen met tekst vermelden historische momenten van de Ezumazijl, vaak tijdens opknapbeurten en reparaties. Meestal werd dan een beschrijving van de werkzaamheden gegeven, samen met de datum en de verantwoordelijken van het polderbestuur. En dat bevat natuurlijk weer namen die ook leuk zijn voor de genealoog en lokale historicus.
Een zesde steen is ooit in handen gekomen van het Fries Museum, maar is, ondanks navraag van de heer Faber (peilbeheerder van Wetterskip De Waadkant), niet boven water gekomen in de depots van het museum.
Net als de bakstenen uit het geboortehuis van Foeke Sjoerds te Ee (o.a. een met jaartal 1613) hopen we dat die ooit nog teruggevonden worden.
Een korte beschrijving van de namen en teksten op enige van de stenen zoals afgebeeld:

Gedenkstenen in kelder van gemaal te Ezumazijl
De sluis alhier is in de maand Augustus 1879 drooggemaakt, waarna de bestaande gebreken aan het muurwerk zijn hersteld en de houten puntstukken en slagdorpels door hardsteen vervangen.

Gedenkstenen in kelder van gemaal te Ezumazijl
De Historieschrijvers en de alhier gevondene Antiquiteiten, getuigen dat alhier die Renomeerde Eezens Stad soude gelegen hebben, waarvan de buurschap alsnog de naam heeft behouden van Eezenbuiren
1827 den 27 Aug is deze Zijl droog geweest en bevonden, dat het koper van alle puntstukken en slagbalken was versleten, de bodem der Zijl onder de vlappe eenigzins vervallen gescheurd en los was, de zijdmuren weinig beschadigd en eenige keilstenen gebroken waren, dat de over de buitenslagbalken en koningstuk gelegde steenen bevloering nog zoo goed als nieuw was, dat de aan het puntstuk voor de buitenvloeddeuren aangelegde slijtstukken geheel door de worm verteerd waren en op het punt bijkans een palm afgewerkt, welke defecten alle hersteld en de slagbalken opnieuw bekoperd zijnde, is op den 11 Sept 1827 het werk afgenomen door het polderbestuur van Oost en Westdongeradeel bestaande uit
Jan Piters Reiding, Nanne Piters Benthem en Minne Douwes Mellema. Wegens Oost- en
Worp van Peima, Pier Johannes de Groot en Willem Johannes Hannema namens Westdongeradeel.

Gedenkstenen in kelder van gemaal te Ezumazijl Gedenkstenen in kelder van gemaal te Ezumazijl
Op den 5 September 1854 is onder directie van het polderbestuur van Oost en Westdongeradeel, bestaande uit de Leden D.M. Mellema, G.J. Sinia en R.G. Zijlstra wegens Oost-
en I.W. Idsardi, A.D. Bosch, en I.H. Bieruma wegens Westdongeradeel de Ezumazijl droog gemaakt. Daarna zijn de puntstukken vernieuwd en met kooper bekleed. De zerken keelsteenen bij de groote vloeddeuren en tusschen de Eb- en kleine vloeddeuren beneden de waterlijn vernieuwd. Het beschadigde metzelwerk hersteld en de vloer in de schutkolk vernieuwd en in den vorm van een omgekeerde boog gemetseld.

Gedenkstenen in kelder van gemaal te Ezumazijl
De tiende Mei 1871 is de eerste steen gelegd door den heer J.?. Witteveen te Metslawier, voorzitter van het polderbestuur van Oost en Westdongeradeel in tegenwoordigheid van de Heeren J.W. Idsardi te Ternaard, P.J. Idsardi te Betterwird, IJ.P. Douma te Nes, J.IJ. Botma te Anjum en A. Sijbenga te Nijkerk, gecommitteerden,
benevens de Heer Gatsonides te Metslawier, Secretaris-boekhouder des bestuurs,
voorts van den architect den Heer R. Kielstra te Leeuwarden en den aannemer A. Bosch jr. aldaar.

Gedenkstenen in kelder van gemaal te Ezumazijl In den zomer van het jaar 1910 is krachtens het besluit van volmachten des polders van Oost- en Westdongeradeel deze sluis droog gemaakt, zijn de noodige herstellingen uitgevoerd en is daarin een nieuwe vloer aangebracht van gewapend beton.
Het polderbestuur
J.T. Alberda voorzitter
W.J. Idsardi
J.E. Holwerda gecommitteerden
K. Jan….

In De Monumenten van Geschiedenis en Kunst, Noordelijk Oostergo, De Dongeradelen, pagina 266, wordt ook nog over de volgende steen uit 1931 met tekst gesproken, die in het ketelhuis zou zijn:
Ter vervanging van de in 1671 onder directie van de gecommitteerden Georg van Schwartzenberg en Hohenlandsberg en jhr. Philippus van Humalda gelegde Ezumazijl, welker onderbouw in 1930 ernstig door den paalworm bleek te zijn aangetast, werd door de Vergadering van Volmachten, gehouden 24 Janurai 1931, tot den bouw van deze nieuwe sluis besloten, welke 13 meter langer en 45 cm dieper is dan de voorheen bestaande. Het werk werd aangevangen 1 april 1931 en voltooid 31 october daar aan volgende, werd uitgevoerd door Th. Fokkens te Dokkum onder leiding van den polderopzichter W.D. Booijenga te Metslawier. Het Bestuur van het Waterschap de Polder van Oost- en Westdongeradeel.

Polderbestuur 1931 te Ezumazijl

Het polderbestuur in 1931 te Ezumazijl bij de opening van het gemaal:
zittend vlnr: P.G. Hiemstra, J. Hartmans, D.v.d.Herberg, E. Beintema, S.van Straten.
Staand vlnr: De Haan, Steensma, Lipjes, J. Holwerda, D.Wierda, S.Dantuma, D.P.Bosch, E.Botma, B. Terpstra, G.Stallinga, J. Kroodsma en W.Booyenga.(Foto collectie Admiraliteitshuis).

 Posted by at 22:47
nov 182004
 

D. Douma en R. Tolsma

Zoals zoveel kerken bezit ook de uit de twaafde eeuw daterende Ned. Herv. kerk van Lioessens een aantal grafzerken, stammende uit de tijd dat er nog in de kerk begraven mocht worden (tot 1828). Vooral de rijken konden zich dat veroorloven en lieten zich zo dicht mogelijk bij het altaar begraven. Zo’n begrafenis vond bij voorkeur ‘s avonds plaats wanneer bij het licht van flakkerende fakkels het lichaam naar de laatste rustplaats gebracht werd. Het bestaan van grafstenen in de kerk van Lioessens was in de vorige eeuw reeds bekend, Andreae meldt er een achttal uit 1652-1763. In 1931 werd de houten vloer van de kerk vernieuwd en kwamen de stenen weer tevoorschijn. Waarschijnlijk heeft bij die gelegenheid een inventarisatie plaatsgevonden want in de collectie Roorda (Leeszaal RAF, 185) bevinden zich de afschriften van 16 grafstenen uit Lioessens. Bij die beschrijving valt op dat enkele stenen half zichtbaar waren: “stien foar in part ûnder de banken”. Tijdens de restauratie van het gebouw in 1997/98 werden vloer en banken geheel verwijderd en kwamen de stenen weer tevoorschijn. Er bleken in totaal 36 grafstenen in de kerk te liggen. Deze werden in de nieuwe vloer ingemetseld en zijn daardoor weer te bewonderen.

Hieronder volgt een opsomming van de genealogische opschriften van de grafstenen, verdere opschriften zijn hier weggelaten. Voor een integrale versie van de opschriften en een bijbehorende plattegrond kunt u contact opnemen met de schrijvers.

Bij de noten kunt u informatie vinden omtrent de eventuele vermelding bij Roorda en worden, voor zover bekend, enkele genealogische gegevens vermeld van de personen op de grafstenen. Tussen [] staan de letters/woorden zoals die door ons geïnterpreteerd/gelezen zijn.

Nummer 1 (1):

Groot formaat. In de vier hoeken de (doods)koppen. Randschrift:

Anno 1705 Den 6 Iannevary is in den [Heere] gervst de Eersame ende Devghtsame Dieuke Ates die Huijsvrou van Sije Jans ovt in haer 27 iaer ende leit hier begraven

Op de steen:

Anno 1730 den 6 xber is in den [Heere].[gerust]…..de eersame Aucke Ubles in leven huisman tot…..oudt in syn 33 iaer ende leit alhier begraven.

Aan beide kanten van uitgekapt wapen de letters D en A (2)

Nummer 2 (3):

Klein formaat.

Anno 1809 den 22 dezember is overleden Ype Jans een soon van Jan Ypes en Jantje Folkerts oud bijna 2 1/2 jaar en ligt alhier begraven.(4)

Nummer 3:

Klein formaat. Slecht leesbaar.

.8 januari sterf de eersame…..huijsfrou….. .an Rietsma …..ligt alhier begraven

Nummer 4:

Groot formaat. De (doods)koppen in de vier hoeken.

Randschrift:

Anno 1627 den 9 february ste[r]f den eersame Gercke Saepes zoon out ontrent 59 jaar ende leyt alhier begraven

Op de steen een vers. Aan beide zijden van het uitgehakte wapen de letters G en S

Ook:

Anno [17]25 den 11 juni is gestorfen de eerbare [RinskeFolkerts in leeven de huisfrou van Auck Ubles In het 27 jaar haars ouderdoms en leit alhier begraven met verwagtenge van een saalighe verrijsenisse (met een vers)(5)

Nummer 5 (6):

Klein formaat.

1634 den 17 febr…..den eersame Sibren H[e]erkes…..64 jaar en leit alhier begraven. Met het volgende vers:

Al die hier op mij treden

Die neem exempel aen mij

Al lig ick hier beneden

Ick ben geweest als gij.(7)

Nummer 6(8):

Heel klein formaat. Aan beide zijden van weggekapt wapen de letters F en R

Ao 1652 den [8] november sterf de eersame Frouck Reintsdr de huisfrou van Rinnert Ianssen oud 49 jaren en leit alhier begraven (met een vers)(9)

Nummer 7(10):

[Ao 1811 den 26] okt is overleden [JantjeFolkerts in leeven huijsfrou van Jan Ypes in de ouderdom van 32 jaaren en ….. weken en ligt alhier begraven.(4)

 

Nummer 8:

Klein formaat, steen aan de rechterkant enigszins weggebroken

1716 is Trijntje Folkerts in den Heere geru[ust] …..is Douwe Folkerts in den Heere gerust

Met een lang vers.(11)

Nummer 9:

Deze steen is onleesbaar, alleen het woordje …..den…..is te herkennen

Nummer 10(12):

Groot formaat. Vier (doods)koppen in de hoeken.

Randschrift:

A 1743 den 18 julius is in den Heere gerust Trijntje Saapes in haer leven geweest de Huisvrouw van Folkert Douwes oud zoals wij meenen in haar 69 jaar en leit alhier begraven

Op de steen een vers.(11)

Nummer 11:

Klein formaat.

Anno 1775 den 11 december is overleden Pijter Heinis huisman op Klein Ropta Sathe onder Metslawier oud bijna 75 jaar en leit alhier begraven.(12)

1811 den 8 oktober is overleden Kornelis Douwes oud 35 jaar 4 maanden en 8 dagen en ligt alhier begraven.(14)

Nummer 12:

Klein formaat.

1785 den 12 november is overleden Cornelis Sijbes en den 14 [dec.] 1788 is overleden [Dieuwke Sybes]

Met een vers.(15)

Noten:

1. Roorda 49 nummer 6

2. Genealogische gegevens:

Auke Ubles, steen nr. 1.

* 1697

† 6-10-1730

getr. (1) 13-6-1723 te Lioessens met

Rinske Folkerts, zie steen nr. 4

ged. 30-10-1698

† 11-1-1725

d.v. Folkert Douwes en Trijntje Sapes

Kinderen:

1. Trientje Aukes ged. 12-5-1724

2. Trientje Aukes ged. 10-6-1725

getr. (2) 7-7- 1726 te Lioessens met

Tetje Fransen

3. Roorda 49 nummer 12: de ouders

4. Genealogische gegevens:

Jan Ypes Jousma, steen nr. 2 en 7

* 28-6-1772 Lioessens

† 29-12-1849 Oosternijkerk

z.v. Ype Lieuwes (Boer) en Trijntje Lieuwes

getr. 3-6-1805 te Lioessens met

Jantje Folkerts Wierstra, steen nr. 7.

* 1779

† 26-10-1811 Lioessens

Kinderen:

1. Ype Jans, steen nr. 2.

* 20-7-1806 Anjum

† 22-12-1809 Lioessens

2. Ype Jans Jousma * 10-3-1810 Anjum

getr. 19-7-1832 te Metslawier met

Hiltje Lieuwes Huizinga

Jan Ypes Jousma is eigenaar/bewoner in 1818 van Op de Soen, floreennummer 6 te Lioessens en eigenaar van floreen nr 19.

5. Genealogische gegevens, zie: Auck Ubles

6. Zie steen nummer 36: de vrouw van Sybren

7. Heerke Sybrents woonde 1640 op floreenr 19 te Lioessens

8. Deze steen is langer geweest

9. Rinnert Jans was in 1640 bewoner van Huichwerd, floreen-nummer 1 Lioessens

10. Roorda 49, nummer 12

11. Genealogische gegevens:

Folkert Douwes, steen nr. 10.

* 1667

† 21-9-1724 Lioessens

ondertr. te Anjum 29-5-1697 met

Trijntje Sapes,

* 1674

† 18-7-1743 Lioessens

Kinderen:

1. Rinske, steen nr. 4

ged. 30-10-1698 Lioessens

† 11-1-1725

getr. met Aucke Ubles, steen nr. 1.

2. Lieuwe ged. 2-12-1703

getr. met Grietje Sijbes

3. Anne ged. 2-4-1706 Lioessens

4. Kornelis * 1709 ,,

† rond 1759 ,,

ondertr. te Anjum 10-5-1732 met Dieuke Sijbes.

5. Trientje ged. 1-12-1715 Lioessens

In 1700 is Folkert Douwes bewoner van Nieuw Heenstra State, floreennummer 18 te Lioessens en 1708-1728 van Ysalda Sathe, floreennummer 2.

12. Roorda 49, nummer 9

13. Genealogische gegevens:

Pijter Heinis, steen nr. 11.

* rond 1700

† 11-12-1775 te Lioessens

afkomstig van Engwierum

getr. (1) te Morra/Lioessens 7-8-1728 met

Sjieuwke Jacobs,

afkomstig van Lioessens

Kinderen:

1. Hein ged. 18-12-1729 Engwierum

2. Jacob ged. 27-1-1732 ,,

3. Trijntje ged. 31-5-1733 ,,

4. Jasper ged. 6-3-1735 ,,

5. Jasper ged. 30-9-1736 ,,

getr. (2) te Engwierum 11-5-1738 met

Trijntje Clases,

afkomstig van Engwierum

Kinderen:

6. Tryntje ged. 1-3-1739 Engwierum

7. Klaas ged. 29-7-1742 ,,

8. Jacob ged. 7-6-1744 ,,

9. Botte ged. 26-6-1746 ,,

10. Akke ged. 6-7-1749 ,,

11. Haye ged. 31-10-1751 ,,

12. Akke ged. 24-2-1754 ,,

Pieter Heins is in 1758 bewoner van Klein Ropte te Metsla-wier.

14. Genealogische gegevens:

Kornelis Douwes Dijkstra, steen nr. 11.

* 31-5-1776 Lioessens

† 8-10-1811 Lioessens

z.v. Douwe Kornelis Dijkstra en Hiltje Uilkes

getr. te Lioessens 19-4-1801 met zijn nicht

Tjitske Sijbes de Boer,

* 19-8-1778 Lioessens

† 13-1-1848 Lioessens

d.v. Sijbe Kornelis de Boer en Sibbeltje Rimmerens

Tjitske is later getrouwd (2) te Anjum 24-5-1816 met Taeke Pieters Klimstra.

Kinderen:

1. Sibbeltje * 20-1-1802 Lioessens

† 1-12-1848 Morra

getr. met Albert Jans Alberda

2. Douwe * 18-3-1804 Lioessens

† 20-5-1836 Lioessens

getr. met Grietje Doekes Fokma

3. Hiltje * 11-10-1806 Lioessens

† 19-5-1813 ,,

4. Siebe * 11-2-1811 ,,

† 12-2-1813 ,,

Kornelis D. Dijkstra is in 1858 eigenaar van Jouwersma Sathe te Lioessens, floreennummer 13.

15. Genealogische gegevens:

Sijbe Kornelis de Boer, steen nr. 22.

ged. 5-6-1747 Lioessens

† 1-11-1817 Lioessens

z.v. Kornelis Folkerts en Dieuke Sijbes

getr. 16-9-1770 te Lioessens met

Sibbeltje Rimmerens, steen nr. 17.

ged. 21-9-1749 Niawier

† 6-8-1811 Lioessens

d.v. Rimmeren Sapes en Tjitske Jans.

Kinderen:

1. Cornelis, steen nr. 12.

ged. 18-8-1771 Lioessens

† 3-11-1785 ,,

2. Hendrik * 3-9-1774 ,,

† 5-12-1831

getr.(1) met Tettje Jacobs Dijkstra

getr.(2) met Renske Folkerts Zijlstra

3. Tjitske * 19-8-1778 Lioessens

† 13-1-1848 ,,

getr.(1) met Kornelis Douwes Dijkstra,

steen nr. 11

getr.(2) met Taeke Pieters Klimstra

4. Dieuwke, steen nr. 12.

* 27-5-1782 Lioessens

† 14-12-1788 ,,

5. Folkert * 16-8-1785 ,,

† 8-6-1840 ,,

getr. met Neeltje Crans

6. Cornelis * 4-11-1790 Lioessens

† 24-5-1824 Dokkum

getr. met IJbeltje Posthumus


 

nov 012004
 


Bron: Rare Kostgangers in Dokkum en omliggende gemeenten door de eeuwen heen W.Tsj. Vleer p. 32 e.v.
Ook vermeld in: Uit Frieslands Volksleven, Waling Dijkstra

Sterk staaltje van patergeloof in de 17e eeuw…. In handen van de Jezuieten zag en voelde Anna overal duivelen en duivelsknechten.

In het rustige Ezumazijl aan de Lauwerszee woonde in 1633 het meisje Anna. Haar vader was doopsgezind maar niet bijzonder vroom. Hij vloekte nogal eens en was op een dag vreselijk kwaad op zijn dochter. Hij wenste haar toe dat de duivelen in haar hart mochten varen en haar opheffen in de lucht.

Sedert dat ogenblik begon Anna ongesteld te worden en werd al spoedig door kwade geesten geplaagd. Ze begon te schreeuwen en huilen dat de buren het niet meer konden aanhoren.

Terzelfder tijd kwam de duivel in eigen persoon enige inkopen doen in het winkeltje van Anna haar vader, daarbij belangstellend vragende naar de toestand van zijn dochter. Heel opgewekt zei ‘de zwarte’ toen: “Na twee of drie dagen zal er bij haar wel een ander kwaad uitbarsten! ”

Met deze bijzonder aardige mededeling telden de ouders de dagen en inderdaad werd het met Anna erger en erger. De ouders deden alles wat zij konden, maar het was vruchteloos.

Inmiddels was de vader van Anna uit de doopsgezinde gemeente gestoten vanwege zijn gedrag en hier nog boos om zijnde, wendde hij zich tot de rooms-katholieken in Dokkum om hulp. Anna werd nu naar Catharina van der Meulen, de vrouw van Tzietse van Peijma gestuurd en door haar bemoeienis werd ze rooms gedoopt.

Dit was niet naar de zin van de duivel, want toen zij op het punt stond gedoopt te worden, raakte zij haar verstand kwijt. Toch werd Anna gedoopt, waarbij vrouw Van Peijma antwoordde en de duivel de gehoorzaamheid opzegde. In tussen was het huis van Anna omringd door een menigte katten, die door hevig gemiauw kenbaar maakten dat zij het niet eens waren met Anna’s bekering.

De doop deed Anna goed. Zij werd rustiger en ook de verstandelijke vermogens deden het weer beter. Maar nu maakte Anna een grote fout. Tegen de zin van haar ouders in ging zij naar een waarzegster toe. Deze waarzeggende vrouw verklaarde de duivel niet te kunnen uitwerpen. De vrouw vatte de hand van Anna, prevelde iets uit een toverboek, legde haar strenge geheimhouding jegens haar ouders op en maakte een drank klaar, welke Anna terstond voor een groot deel moest innemen.

Maar Anna kreeg argwaan, ze begon zich betoverd te voelen en schold de oude vrouw uit voor alles wat maar mooi en lelijk was, maar kon niet van haar plaats komen. Daarop kreeg zij van de waarzegster twee geheimzinnige papiertjes, het ene, in een lap genaaid, hield het bevel aan de duivel in het meisje in het vervolg niet meer lastig te vallen en dit document moest Anna om de hals dragen. Op het andere, dat open was, stond geschreven:

Quade staet stil,

Om de naem Jezus Christus wil,

In den naem des Vaders en des Soons en des H. Geest,

Dat ick verlost mach worden van sulcken quaden geest.

Dit gebed moest Annatje op weg naar huis op alle kruiswegen opzeggen en verder zo vaak als het wezen met de bokkepoten haar lastig viel. Een volgende keer las de waarzegster Anna’s toekomst uit de sterren. Anna zou in haar 19e jaar van de satan verlost worden.

Anna was al negen maanden met de waarzegster bevriend eer de eerzame vrouw Peijma achter haar daden kwam. Anna werd nu bij vrouw Peijma in huis gebracht en de hulp van een priester werd ingeroepen, die de kerkelijke middelen eens zou proberen…

Maar de hulpmiddelen van de priester hielpen nog minder dan die van de koffiedikkijkster, want Anna werd weer veel gekweld door de hellevorsten. Een van hen, luisterende naar de mooie naam van Pieter Stobeler, maakte het haar het meest lastig.

Soms maakte hij haar zo zwaar, dat vier kloeke mannen haar niet van de grond konden opheffen, terwijl ze even later zo slap als een vaatdoek was. Daags voor Driekoningen zou deze duivel uitgeworpen worden, maar toen Stobeler dat vernam, werd hij hels. Een groot aantal katten vloog met een afschuwelijk geschreeuw door het huis. Allemaal duivelen…

Toch zijn er toen voor pasen 1634 nog zeven duivels uit Anna verdreven. Netjes zeiden de monsters hun naam tegen de Jezuietenpater toen ze opstapten. Het waren: Brand-in-de-hel, Kijk-in-de-hel, Kijkdeurdeglazen, Voordanser, Blaas-in-de-hel, Rabbeler en Babbeler. Dus een aardig stel kwelgeesten bij elkaar…

Maar het stel had het ook wel erg bont gemaakt. Zij spraken door middel van Anna, en kreeg het meisje bezoek van niet-roomsen, dan was Anna een grammofoonplaat en zei Rabbeler of Kijkdeurdeglazen: “Komt maar hier, gij zijt ook van ons volk, want gij zijt ketters.” Een predikant, die ook eens bij Anna kwam, kreeg te horen: “Kom hier dominee met je dobbelstenen in de zak. Laat ons samen eens spelen !”

Wij krijgen sterk de indruk uit Anna haar taal, dat zij een vrije vogel was, te nuchter om zich te laten strikken. Maar na de uitwerping van haar vrienden zou ze het bijzonder moeilijk hebben gekregen. Ze was weer minder werelds en ze leek geheel bekeerd te zijn.

Doch Anna kon de ketters niet vergeten en ging eens bij een dominee ter kerke en daar werd Anna toen weer zo toe aangetrokken, dat de kwelling opnieuw begon. Alle hulp was vruchteloos. Anna was weer in de macht der duivelen. De paters gingen zich er weer mee bemoeien. Na Anna onderzocht te hebben, ontdekten zij dat er nog een duivel bij haar was.

Het werk van de uitwerping werd nu door de paters verricht en de geest gedwongen te vertellen dat hij “Hanske kom te boven” heette. Maar het uitwerpen van Anna’s hartsgeheim “Hanske” slaagde niet bijzonder, want de paters wisten niet dat de stoute Anneke nog kromme naalden en andere tovermiddelen van de waarzegster bij zich had. Toen men die eindelijk vond, capituleerde Hanske weldra en met hem Anna, wier geest nu toch wel helemaal aangedaan was door zoveel bekering, ketterij, uitwerping en lichamelijk onderzoek door paterhanden.

Anna was op allergruwelijkste wijze gefolterd. Hiervan kreeg Hanske kom te boven de schuld, maar Anna zal wel de angst te pakken hebben gekregen, nadat er zo hevig met haar omgezeuld was. De heren paters dwongen volgens hun zeggen Hanske kom te boven een bekentenis af, die niet mooi meer was en waarmede toch wel de macht van deze geestelijken boven alle twijfel verheven werd !

Zij dwongen Hanske te vertellen, dat hij om de eeuwige heerlijkheid te bekomen, een ladder staande van de hel tot in de hemel, met sporten zo scherp als scheermessen, zou willen op en neder klimmen van toen af tot aan de jongste dag !

Of Hanske aan het klimmen is gegaan vermeldt de geschiedenis niet. Wel werd Anna opnieuw door de zwarte dienstknechten bezocht. Haar werd een goudstuk aangeboden tot huwelijkspand en toen zij dit weigerde werd ze neergeworpen en hield de duivel zich met haar bezig, doch ze genoot volgens de berichten: het lichaam des Heeren. Ook deze boelerende zwartjanus noemde zijn naam na uitgeworpen te zijn: “Sluit in de hel”. Zijn makker heette: “Kruip in de hel”. Toen de heren zich niet meer inwendig in Anna mochten nestelen, plaagden zij de arme stakker uitwendig…

Eindelijk, na vele maanden, waarbij Anneke nog altijd tovermiddelen bij zich droeg en zij hevig leed door het ontlastten van naalden, haarballen en andere soorten duivelse voorwerpen, die Sluit in de hel en zijn maten in haar lichaam hadden gebracht, werd ze voorgoed genezen, dit wil zeggen: voorgoed bekeerd.

Maar boze tongen beweerden dat Anna nimmer bezeten was geweest, doch veel had gezegd vanwege haar angst voor de Moederkerk.

De paters wisten echter wel beter. Krachtig genoeg zijnde om niet meer te dwalen, kon zij vrouw Van Peijma’s woning verlaten en weer naar haar ouders in Ezumazijl terugkeren. Daarna kwam zij als dienstmeid in Dokkum bij katholieken. In deze betrekking werd ze aangetast door de pest en weer overgebracht naar haar ouderlijke woning, waar ze op 23 juni 1636 aan deze ziekte overleed, zoals de duivel haar een half jaar daarvoor voorspeld had…

Dit hele verhaal is curieus, daar het van roomskatholieke zijde serieus is gebruikt om de macht van de katholieke kerk te bewijzen. Het werd beschreven door pater Willebrordus van der Heijden, geboren 29 mei 1595 te Middelbeers in Brabant. Hij studeerde vijf jaar Letteren te Antwerpen en werd in 1626 te Mechelen als priester der Jezuieten gewijd. Op 10 april 1627 kwam hij in Leeuwarden om daar in het geheim als geestelijke werkzaam te zijn. Volgens zijn eigen verklaring tekende hij het verhaal omtrent Anna (door hem veel uitvoeriger en ernstiger beschreven dan hier gedaan is) op uit een beschrijving van de bezweerder zelf, zijnde de Jezuitenpater Cornelius Sarcerius te Dokkum en uit de mond van pater Nicolaas Creps, die zelf verschillende mensen had gehoord die Anna hadden gezien en horen praten…

De bekende Ds. Balthasar Bekker uit Metslawier (schrijver van het beroemde ‘De betoverde wereld’)gebruikte het Anna-mysterie om de spot te drijven met deze duivelscomedie en het bijgeloof.

Anna zelf zal onder druk zijn gezet en is evenmin bezeten geweest als wij ! En die duivelen die gevonden zijn illustreren duidelijk met welke middelen hier pressie werd uitgeoefend. Zij was het slachtoffer van haar kwelgeesten, geen duivelen, maar mensen die in duivelen geloofden… “Arme Anna”, dat is het laatste wat we van deze historie kunnen zeggen. Zij was haar tijd ver vooruit en wellicht te nuchter om alles maar klakkeloos aan te nemen.

Uit: “Verhaal van de verrigtingen der Jezuieten in Friesland”, door pater Willebrordus van der Heijden, blz. 119 e.v.

 Posted by at 22:47
okt 012004
 

Baron Schwartzenberg en Hohenlandsberg kreeg vreemd bezoek…

Bron: Rare Kostgangers in Dokkum en omliggende gemeenten door de eeuwen heen W.Tsj. Vleer p.40 e.v.

Op Holdinga-state te Anjum woonden vroeger de Schwartzenbergs. Het waren leden van een goed aangeschreven familie, die ook het ambt van grietman (burgemeester) uitoefenden. Van 1627-1656 was Johannes Onuphrius, baron Schwartzenberg en Hohenlandsberg, grietman en daarna regeerde zijn zoon Georg Wilco. Johannes was gehuwd met Anna von Boselager, in goed Nederlands dus Anna van Bozeleger geheten.

De bijgelovige gemeenschap zal haar naam wel in verband gebracht hebben met hetgeen zich omstreeks 1638 op Holdinga-state afspeelde. Trouwens, nog in 1843 zag Dr. Worp van Peyma in Anjum ineens de dode persoon van generaal Burmania, vroegere bewoner van Holdinga, voor zich staan. Het oude slot was in 1832 afgebroken en in 1842 door een nieuw huis vervangen. Generaal Burmania hield toen even inspectie!

Maar erger was het omstreeks 1638 met de grietman gesteld. Op een nacht omstreeks 12 uur hoorde de baron het lawaai van een menigte mensen tussen de brug en de poort van zijn huis. Er werd ook gezongen. Duidelijk hoorde de baron een lied: “Slapen gaan is wel gedaan, laat ons samen slapen gaan. ”

Toen er nog meer lawaai kwam riep de baron zijn huisknecht. Tot zijn grote verbazing bleek de knecht niet te komen. Wel kwam de dienstmeid aanlopen, doch die had niets van het lawaai gehoord. De baron was verontwaardigd en mompelde: “Wat duivel is dit, dit is iets wonderlijks !”

Toen kwam ineens een snerpend antwoord: “Een duivel sulstu zien !”

De baron zag iemand naderen, een ‘donkerachtig lichaam, hebbende de lengte van twee voeten en de dikte gelijk een stuk klaphout”. De gedaante kwam recht op de grietman zijn gezicht af…. De baron vluchtte naar bed en kroop onder de dekens.

Nu hoorde hij weer het lawaai en aan zijn voeteneinde bewoog iets. Het kroop hogerop en de baron voelde een liefkozing op zijn wang. Het leken wel twee vuisten, maar daarop zat haar als van een konijn. Het geluid leek wel iets op dat van een kater.

De baron riep weer hard om zijn knecht, sprong het bed uit en holde naar de keuken. Maar hij viel bijna: voor zijn voeten liep een spin, wel een el hoog. Het beest werd nog steeds groter en groeide tot een hoogte van een jongen van twaalf jaar. Er kwamen nog meer spinnen, die de baron omringden en hem wilden aanvallen.

Nu begon de grietman te bidden, waarop de spinnen het op een lopen zetten. Totaal van zijn stuk ging de grietman bij de haard zitten, maar daar kwam weer een spin aan, die zich aankondigde als de satan in hoogst eigen persoon. Weer begon de baron te bidden en weer vertrok de hellevorst.

Het duurde echter niet lang. Een kwartier later kwam een vleermuis binnen fladderen: de boze in een nieuwe gedaante. Tegelijkertijd vloog een grijze vogel de kamer in, op de vloer kwam een pad aanwandelen en daarachter een kreeft. Ze hadden het allemaal op de grietman voorzien. De baron ging echter heldhaftig staan en vervloekte toen in naam van Jezus Christus de satan. Direct daarna werd de duivel een ruige worm, die in het vuur van de haard begon te branden en een afschuwelijke stank verspreidde.

Even later kropen er echter heel wat jonge wormen over de vloer, die verdwenen onder de baron zijn stoel. De baron begon om hulp te roepen, doch kreeg als antwoord een slag met een vuist in zijn nek, zodat hij van zijn stoel viel en wel een kwartier buiten bewustzijn bleef. Toen hij bijkwam liet hij ds. Cornelis Hieronimi uit Morra (1617-1651 predikant aldaar) komen.

De herder sprak die morgen met de grietman en deze voelde zich weer een stuk beter worden… Toch werd de arme Schwartzenberg niet met rust gelaten. ‘s Avonds kwam de satan terug met een paar jonge konijnen bij zich. Ze hadden nogal plezier, want de konijnen sprongen op en van het bed. De duivel zelf bleek de gedaante van een eekhoorn te hebben. Het gezelschap scheen in de allerbeste stemming te zijn, want er werd luid gezongen. De baron begon weer te bidden, waarop de pretmakers het hazepad kozen en verdwenen om niet meer terug te komen.

De arme baron was van de nachtmerrie zo geschokt en had deze zo intensief beleefd, dat hij zijn ervaringen op schrift stelde, die bewaard zijn gebleven en zich thans bevinden in de Provinciale Bibliotheek van Friesland (onderdeel van Tresoar).

Uit: Verscheidenheden, deel I en Yn us eigen tael, 1910, blz. 193.

 Posted by at 22:47
jun 012004
 

Wat Camphuysen’s verbeterde berijming der Psalmen betreft, deze voorzag in een behoefte, sinds de Dordtsche Synode het knoeiwerk van Dathenus boven het kunstwerk van Marnix had gesteld. De Psalmberijming werd zelfs nog in de 19e eeuw door verscheidene Doopsgezinde gemeenten bij de godsdienstoefening gebruikt.
Maar wat populariteit aangaat, wordt zij ver overtroffen door zijne Stichtelijke Rijmen, die karakteristiek zijn om hun schoonen, pittigen vorm. Reeds gedurende zijn kortstondig verblijf in Harlingen werd er de grondslag van gelegd: de eerste druk verscheen in 1624 in 2 deelen, later tot 4 deelen uitgebreid; het aantal drukken nadert de vijftig ! En ‘niet enkel in het krankvertrek of in de woning der smart lag dit boek geopend. Ook in de verblijven der vreugde klonken Van Camphuysen’s liederen, tusschen andere, niet altijd van zoo geestelijken inhoud’. Ja, er bestaan zelfs bewijzen, dat zij ‘bij de straat gezongen’ zijn. Geen wonder ook ! Onze dichter had namelijk de juiste opvatting, dat een lied, wil het veel invloed hebben, zoowel gelezen als gezongen moet kunnen worden. Daarom werden zijn liederen vervaardigd naar in zijn tijd bekende zangwijzen, als ‘Lieflockster van de Min’, ‘Ach, Amarillis, zegt wat u wil is’ enz. Daarbij zijn het ‘eenvoudige rijmen, maar van een goed gehalte. Er is juistheid van uitdrukking, rijkdom van taal en harmonische klank in; ze zijn in waarheid de schoone uitdrukking van zijn zelfverloochenend leven’. Het meest bekend van alle is zeker wel zijn ‘gheestlijck meditatie-liedt’, Mayschen morghenstondt, dat in bijkans geen enkele bloemlezing der Nederlandsche letteren ontbreekt, aanvangende:
‘Wat is de Meester wijs en goedt,
Die alles heeft gebout,
En noch in wesen blyven doet
Dat ‘s menschen oogh aenschout’

En dat eindigt:

Ach ! waren alle Menschen wijs,
En wilden daer by wel;
De Aerd waer haer een Paradijs,
Nu isse meest een Hel.‘

En van niet minder bekendheid zijn de volgende regels, welke Camphuysen, 21 September 1618, in een vriendenalbum schreef:
‘Daer moet veel strijdts gestreden sijn:
Daer moet veel leets geleden sijn:
En veel gebedts gebeden sijn:
En Christelijke zeden sijn:
Een nauwen wech betreden sijn:
Soo lang wij hier beneden sijn:
Soo sal ‘t hier nae in vrede sijn.’

Het stoffelijk overschot van hem, die bij zijn leven met zooveel strijd had te kampen gehad, werd begraven op het – thans tot Marktplein geamoveerd – kerkhof, ten noorden van de Nederl. Hervormde kerk, bij de Fetseput. Zijn graf was slechts gedekt met een zoogenaamde ‘hoofdsteen’, ter grootte eener halve zerk, waarop ongeveer de volgende inscriptie voorkwam:
Dirk Rafels Kamphuizen, overleden
den 9 Julij oude stijl oud 43 jaren
Mortuus Vivo (dit is ‘dood zijnde, leef ik’)

Doch ook na den dood scheen zijn gebeente de rust niet gegund, want eenige jaren daarna reisde zekere Jacob Colom (Colom gaf verscheidene malen Camphuysens gedichten uit, oa in 1628 en 1647; evenzoo de Theologische Werken in 1640), boekverkooper in Amsterdam, met zijn vriend Francois van Limburgh, naar Dokkum en wisten daar van de stedelijke overheid vergunning te verkrijgen tot opening van Camphuysen’s graf. Met behulp van den doodgraver werden zijn bekkeneel en eenige beenderen er uit genomen en vervolgens naar Amsterdam meegevoerd, waar zij als een kostbaar aandenken bewaard bleven. Ruim ¾ eeuw later berustte de schedel in de verzameling van zekeren Houbakker, zooals blijkt uit het volgende versje (in handschrift aanwezig in de bibliotheek der Doopsgezinde gemeente te Amsterdam), dat een 18de eeuwsch prul-poeet daarop dichtte:
‘Op het gesichte van een doodshoofd, hetwelk men my
verzekerde te zijn dat van Diderick Rafaels Kamphuisen. In
de herstmaand Ao 1708.
Is dit het bekkeneel, ‘t geen eertyds in zig sloot,
Dat hemelschrander brein! Welck lesz’op leszen goot,
(uit wysheids bronn’geput) door Evangeliebuizen.
Zoo mulm’ noit ‘t Hoofd-gebeent van vroome Dirk Kamphuizen.
Maar ‘t flonk’re stadig in Houbakkers kabinet,
Als een karbonkel-steen in fijnen goud gesett’!
Och dat het daar, schoon dorr’den Naazaat nog mocht stichten,
‘t Welck in zijn leven als een held’ren fakkel Lichten
Zijn deirebe leve ons in ‘t hert. ‘k Las op zijn zerk laast dus:
Dood zijnde leve ik nog of: Vivo Mortuus.
Leef dan, leef eeuwen lang, gij groote menscheLeerder,
En streck het Nageslacht staâg tot zielbekeerder,
T. Roos.’

Intusschen was in 1722 bovengenoemd opschrift van de zerk als volgt gewijzigd (en verbeterd):
Ao. 1627 den 19 Julius sterf den Eersame
Didericus Kamphuisen olt 41 jaar en
leit hier begraven.
Mortuus Vivo
door Dirck Helt vernuwt 1722.

Het verhaal van de opgraving geeft de geschiedschrijver Schotanus (in zijne ‘Beschryvinge van de Heerlyckheyt van Frieslandt, fol. 257b) als volgt weer:
‘Twee lieden van Amsterdam gereyst nae Dokkum lieten door een doodgraver ‘t beckeneel by nacht opgraven, en nament mede als een Heylighdom. Alhoewel de doodgraver diet geldt wilde verdienen, niet seeker wist oftet Camphuysens oft eenes anderen, daer naest begravenen, hooft was’.

De twijfel, in dezen laatsten regel uitgesproken, wordt opgehelderd door hetgeen in 1823 geschiedde. In dat jaar nl. Ontving het stedelijk bestuur van Dokkum een schrijven, dd. 22 mei 1823, van den heer P.S. Schull, advocaat en notaris te Dordrecht, waarin deze te kennen gaf: ‘dat hij eenige jaren te voren, bij eene verkooping van mineralen, uit de nalatenschap van den Eerwaarden Van Eick, predikant te Loosduinen, eigenaar was geworden van het bekkeneel en eenige beenderen van den dichter Kamphuysen, geborgen in een doos en met eenige documenten aangaande de herkomst daar bijgevoegd. Hij bood deze overblijfselen de regeering aan, die ze dankbaar aanvaardde en op het raadhuis een plaats gaf.’ Onder die documenten is een brief van een zekere Sophia Barbara van der Voort uit Noordwijk, van 28 November 1744, gericht aan eene vriendin, getuigende: ‘dat zij dikwijls van hare grootmoeder had gehoord, dat haar grootvader van moeders zijde Jacob Colom, eenige jaren na Camphuysen’s dood naar Dockum was gereisd, om het bekkeneel van den geliefden vriend te bekomen. Later had Sophia’s grootvader Van Eyk het gekregen en zoo was het eindelijk bij haar gekomen’.
Waarschijnlijk heeft het ontdekken der oude reliquie de gedachte aan Camphuysen wederom verlevendigd. In hetzelfde jaar nl. liet de Vereenigde Christelijke gemeente het oude zerkje door een nieuwe, en grootere vervangen. Deze zerk, te Amsterdam vervaardigd, werd door de gecommitteerden tot de bouwzaken van genoemde gemeente, zonder eenige plechtigheid, den 8 September 1823, op de plaats van de vorige neergelegd, voorzien van dit opschrift:

Mortuus Vivo
DIRK RAPHAELS KAMPHUIZEN
geboren te Gorinchem 1586
en overleden te Dockum 1627,
is deze steen gewijd door de
Vereenigde Christelijke
gemeente te Dockum,
in het jaar 1823,

Met beneden symbolen van den dood: een zandlooper, waaromheen een elkaar kruisende zeis en lelie, en waarboven vijf sterren.
In 1829 werd het oude kerkhof met den daaraan grenzenden voormaligen abdijtoren gesloopt en in een plantsoen herschapen, terwijl tevens op het Zuiderbolwerk een nieuwe begraafplaats werd aangelegd. Daarom vroeg Mr. J.W. de Crane (van 1780-1788 rector aan Dokkums Latijnsche school en nadien professor te Franeker), wien de vrees bekroop, dat nu de rustplaats van Camphuysen in vergetelheid zou geraken, in een schrijven aan den toenmaligen staatsraad baron Van Zuylen van Nijevelt, of hij er toe zou willen medewerken, dat de zerk van Camphuysen niet verwijderd werd. Deze beloofde dat. Ook de kerkeraad had een verzoek van dien aard tot de regeering gericht en een gunstig antwoord ontvangen. Doch in 1854 werd dat verlof ingetrokken, aangezien men het plantsoen tot marktplein wilde inrichten. Voorloopig werd nu de zerk in de stadstimmerschuur, en later in een afgesloten steeg naast de kerk der V.Chr. gemeente bewaard.
Eindelijk kwam men op het gelukkige denkbeeld, Camphuysen als het ware nogmaals te begraven op de begraafplaats aan het bolwerk. Men vroeg daartoe aan het bestuur van Dokkum den op het stadhuis berustenden schedel af te staan, ten einde dezen onder den nieuwen zerk te kunnen neerleggen, aan welk verzoek bij raadsbesluit van 3 Februari 1860 bereidwillig werd voldaan. En zoo werden met groote plechtigheid, vergezeld door het stedelijk en kerkelijk bestuur, de laatste overblijfselen van den dichter, juist op den gedenkdag van zijn sterven, naar het kerkhof op den stadswal gebracht, waar zij tot heden ongestoord rusten. Van die overbrenging gaven zelfs de groote nieuwsbladen een uitvoerig verslag. Het volgende is ontleend aan de notulen der Ver. Christelijke gemeente te Dokkum van 19 Juli 1860:
‘Overeenkomstig het in de vergadering van 10 Mei beslotene had den 19 Juli de plechtige overbrenging van Kamphuysen’s schedel plaats. Bij missive van 12 Juli was van Burgemeester en Wethouders kennis ontvangen, dat niet alleen de aan den Raad gedane uitnoodiging, om daarbij door eene commissie uit zijn midden geassisteerd te worden een gereeden ingang had gevonden maar dat alle deszelfs leden gaarne aan deze plechtigheid deel zouden nemen. Slechts enkele hunner werden dan ook verhinderd om met den kerkeraad, die voltallig was, des morgens ten halfelf in de kerkekamer samen te komen. Aldaar bevond zich het kistje met den schedel, hetwelk, nadat alle aanwezigen zich hadden overtuigd dat deze zich daar in bevond, werd digt gemaakt. Vervolgens werd het in zwart laken gehuld op een houten bakje geplaatst en door den Stadsbode, benevens den koster, naar zijne bestemming gedragen, begeleid door den Kerkeraad en het Stedelijk bestuur. Het schoonste weder begunstigde deze vreemdsoortige optocht. Op de begraafplaats werd dezelve reeds door een talrijke schare opgewagt. Voor het geopende graf lag de reeds derwaarts overgebragte gedenksteen. Rondom denselfden schaarden zich de deelgenooten van de plegtigheid. Onze voorzitter sprak daarbij in dichtmaat een toepasselijk woord (voorzitter was toen ds. H. Hussem. De dichtregelen, door hem uitgesproken, zijn uitgegeven bij de wed. B. Schaafsma te Dokkum. Daarin komt o.m. voor :
Was iedereen slechts wijs, zooals hij eens mogt wezen,
En wilde daar bij wel, zooals hij heeft gewild,
Wij zouden voor geen storm van godsdientshaat meer vreezen,
Waar liefde in ‘t harte woont, is dra die storm gestild.)

En toen daarna de schedel aan het graf toevertrouwd en hetzelve in onze tegenwoordigheid gesloten was, keerde de stoet nu in plaats van voorafgegaan, gevolgd door de dragers van het begravene naar de kerkekamer terug, waar men onder het genot van eenige ververschingen tot halftwee te zamen bleef en eindelijk welvoldaan over den gewenschten afloop eener zaak, die geruimen tijd het onderwerp onzer beraadslagingen had uitgemaakt, huiswaarts keerde’.

Inmiddels waren aan het grafschrift van 1823 deze woorden toegevoegd:
In het jaar 1860 van de
voormalige begraafplaats
herwaarts overgebracht benevens
‘s mans schedel tot dien tijd
berustende in het raadhuis alhier.

Ieder, die het kerkhof aan het bolwerk te Dokkum bezoekt, valt dadelijk de rustplaats van den dichter op. Hij ligt juist tegenover den ingang. Een eenvoudig ijzeren hek omsluit den grafsteen en treuresschen, aan weerskanten geplaatst, overschaduwen het graf.
‘Den man, wien men tijdens zijn leven nauwelijks een plekje op Dockum’s grondgebied wilde gunnen, is op het kerkhof de eereplaats ingeruimd’.
Tegenwoordig is de begraafplaats aan het Zuiderbolwerk op haar beurt ‘oud kerkhof’ ten opzichte van die in den Bonifatiuspolder geworden. De eerste is nl eenige jaren geleden definitief gesloten in afwachting eener andere bestemming, welke eenmaal aan dat terrein zal worden gegeven. Maar we hebben gegronde hoop, dat ook dan Dokkum’s vroede vaderen (evenals zijne geboorteplaats Gorinchem bezit ook Dokkum in de nieuw aangelegde N.O.-wijk zijn D.R. Camphuysenstraat.) en de Ver. Christelijke gemeente (deze gaat nog steeds voort met de nauwlettende verzorging van het graf, blijkens een telken jare op de gemeenterekening voorkomenden post van ‘onderhoud van Kamphuysen’s graf’) zullen blijven voortgaan met in eere te houden de laatste rustplaats van den ‘vromen dulder’, die heeft gezongen:
‘Van goed, van God, van deugd,
van lijden en verzaecken’.

 Posted by at 22:47
mrt 012004
 

Waar ging het fout?

D.A. Zwart

Gevelsteen uit Ee, met initialen IF. Oorspronkelijk uit geboortehuis Foeke Sjoerds, nu te Leeuwarden in de Grote Kerkstraat 230 
Enige tijd terug kreeg ik van de heer Zijlstra, uit Amsterdam, webmaster van de historische vereniging ‘De Sneuper’, een brief met een afbeelding van een kleine baksteen. Het onderschrift vermeldde: ‘Grote Kerkstraat 230, woonhuis. Afkomstig uit een woonhuis te Ee, in 1926 verworven door het Fries Museum, In 1997 herplaatst aan de Grote Kerkstraat’.

“Weet jij van wie die gevelsteen is geweest?” Ik moet heel eerlijk bekennen, ik was blij verrast, want ik had mijn jarenlange speurtocht naar deze steen al opgegeven!
Aan de Grote Kerkstraat (op nr. 230) in Leeuwarden, zit inderdaad een kleine baksteen ingemetseld. De steen valt niet erg op, want deze is klein van stuk, 28½ x 14½ cm. Toch is deze steen de moeite van het bekijken waard. We zien een gebeeldhouwde open schaar die bekroond wordt door een kroontje. Dit zou in de richting kunnen wijzen van een mr. kleermaker. Onderaan zien we de initialen “I.F.”. Wij mochten tot dusver aannemen, gezien de plaats waar de steen is ingemetseld, dat deze daar hoort en er dus in de Grote Kerkstraat vroeger een mr. kleermaker heeft gewoond.

Toch is het soms anders dan het lijkt…

In ‘Foeke Sjoerds, een Friesche schoolmeester der 18e eeuw’, 1914, meldt P.J. Wierstra, dat er sprake was van drie bakstenen. Samen met ds. Obe Groenewoud, hervormd predikant te Ee, bekeek hij ze. Sinds enige jaren zaten ze ingemetseld in een achtermuur van een aangebouwd schuurtje.
“Dat zij in dien nieuwen muur niet behooren, bewijst onder meer hun ouderdom. Ook zijn zij rood terwijl de geheele achterzij overigens van gele steen is”. De heel- en vroedmeester Jan Jans Kiestra, ooit bewoner van het bewuste huis, schrijft dat er vóór 1806 of 1807, drie stenen boven elkaar in de voorgevel waren geplaatst, aan de zijde van het kerkhof. De eerste had als initiaal, ‘W’, de tweede ‘I.F.’ met kroontje en open schaar, de derde vermeldde het jaartal ‘1613’. Het huis stond vanouds her op grond van de kerk. Al in zeker 1699 was Sjoerd Foeckes eigenaar en bewoner. Mogelijk is dat ook zijn vader en grootvader al in dit huis woonden, gezien de initialen van in de baksteen en gebeeldhouwde schaar die kan wijzen in de richting van kleermaker. Bovendien wezen volgens Kiestra, de kerkvoogdijboeken in die richting. Helaas zijn deze archivalia later verloren gegaan, zodat we dit niet meer na kunnen trekken.
Zoals in die tijd bekend, hield Kiestra zich veel bezig met archiefonderzoek, zodat we zijn veronderstellingen serieus moeten nemen.

“In de nieuwe gevel”, schrijft de heer Kiestra, “naar het kerkhof toe, zijn deze stenen niet weder geplaatst, maar overgebracht en ingemetseld in de lootsgevel aan het andere einde van het huis, doch bij het nederwerpen en herbouwen van die loots in 1848 zijn die steenen wederom in de gevel geplaatst”.

Sinds 1716 woont de weduwe van Sjoerd Foeckes nog in het huis. Deze moet tussen 1726 en 1732 zijn overleden. Vanaf haar overlijden is Haaije Sjoerds, oudere broer van Foecke, eigenaar en bewoner.

Een opmerkelijke vondst
Na de bewuste vondst van de verloren gewaande steen, van de schaar, heb ik contact opgenomen met mevrouw B. Dijkstra-Groen, uit Ee. Ze vertelde dat hun zoon Doeke, jaren geleden, in het Fries Museum een baksteen had gezien, staande tegen de muur, met dezelfde gebeeldhouwde schaar, initialen en kroontje.
Jaren later, heeft hij de steen niet meer kunnen vinden. Mevrouw Groen wist dat ooit in hun ouderlijk huis zo’n identieke steen was ingemetseld. Sterker nog, ze wist vrijwel zeker dat het dezelfde steen betrof!

In het Streekarchief te Dokkum bevindt zich nog de originele bouwvergunning van 1926 van een klein huis aan de Omgong, in Ee. De toenmalige eigenaar wilde zijn twee tuitgevels vervangen door twee nieuwe modernere wolfsgevels. Hierbij zouden de gevels tot dakgoothoogte ingekort worden.
Dit werk werd in datzelfde jaar daadwerkelijk uitgevoerd, wat mij door wijlen Johannes Wouda (geboren in 1904) jaren geleden bevestigd werd. Dezelfde dag ben ik nog zelf wezen kijken. Het dak was duidelijk vernieuwd met behulp van veel grenen. De oorspronkelijke kapconstructie moet van eikenhout geweest zijn en bovendien zwaarder van constructie zijn geweest.
Geen wonder, dat ik de drie stenen dan ook niet kon vinden. Ook in de onderste gedeelten van de muren van de voor- en achtergevels niet, noch in de loodsmuur. Het aangebouwde schuurtje moet in datzelfde jaar 1926 zijn afgebroken, tegelijkertijd dus met de ‘restauratie der twee gevels’.

De voorgevel, aan de zijde van het kerkhof, als oorspronkelijke plaats lijkt ook wel aannemelijk, gezien het feit dat een gebeeldhouwde baksteen, hoe eenvoudig ook uitgevoerd, het publiek hiermee de winkel/werkpaats in kon lokken. U ziet er is niet nieuws onder de zon! Met de vernieuwing van het huis en schuurtje raakten drie stenen het spoor bijster!

Dat deze steen (schaar)ooit deel uitgemaakt heeft van het geboortehuis van één van Frieslands grootste geschiedschrijvers, Foeke Sjoerds (1713-1770), weet helaas niemand meer.
Maar gelukkig wist ik het bestaan van beide stenen dankzij mijn studieonderzoek over het leven en werk van Foeke Sjoerds. Dit betekende zelfs spitten in de bouw- en bewoningsgeschiedenis van zijn geboortehuis.

Foeke Sjoerds
Hij werd geboren in 1713, als zoon van Soerd Foekes (mr. schoenmaker te Ee) en Antie Hanses. Hij kreeg later les van schoolmeester Jan Goslings. Maar wanneer Foeke’s vader jong overleed, moest hij noodgedwongen het schoenmakersvak uitoefenen. Van studie was geen sprake meer.
Als autodidakt ontwikkelde hij zich uitstekend en werd door toedoen van jonker Bumania, bewoner van het fraaie Holdingaslot te Anjum, schoolmeester in Oosternijkerk. Het duurde niet lang of hij werd wegens zijn integriteit, ook nog eens dorpsrechter. Dit ambt stond in die tijd behoorlijk in aanzien. Ook wordt hij nog eens Frieslands historieschrijver. Zijn meest omvangrijke publicatie werd ‘Algemeene Beschrijvinge van Oud en Nieuw Friesland’, verschenen bij Pieter Koumans in de jaren 1765-1768.

Familiebezit
Het is opvallend dat het huis zo lang in de familie geweest is (tot diep in de 19e eeuw). De “F” staat naar alle waarschijnlijkheid voor Foekes.

Zoals verteld, Foeke’s vader en gootvader die in dit huis woonden, waren mr. schoenmaker van beroep. De man die de stenen in 1613 heeft laten bakken, het oorspronkelijk bouwjaar, is vrijwel zeker kleermaker geweest.

Sinds 1832 is Ide Floris Westra, timmerman van beroep, eigenaar. Opvolger wordt Floris Westra, daarna weer een Ide Floris Westra. Dan wordt de familie Kooistra eigenaar.

Jan Jans Kiestra
Tot in 1891 woonde in ditzelfde huis de hier alom bekende Jan Jans Kiestra, heel- en vroedmeester. Hij woonde hier samen met Pietje Westra. “Wat rûch yn é mûle, mar oars wat men neamt in bêste keardel”. Wanneer de patiënten bezocht moeten worden, liet de dokter zich afhalen door de bolderwein van Jan Fetzes. “Dokter siet efter de fuorman op it bankje, winterdei de fuotten tsjok yn it strie.
Fan fierren hearde men it spul oankommen, want dokter en Jan wiene altyd oan it wurd.
As dokter net by de tiid wie of tangele, siet mei winterfuotten, dan hûsmanne er op bêd mei fjouwer kjessens ûnder de holle en dêr kamen de pasjinten foar”. Wanneer er problemen waren in het ziekenhuis in de stad Groningen, dan werd de dorpsdokter met de koets van huis gehaald en in ijltempo naar de stad gereden.
Zijn dorpsgenoten hadden volgens hem een gezonde levenstijl. “Hja ite har siik oan spek war wer soun oan sûpenbrij!

Na zijn dood wordt Pieter Lieuwes Westra, eigenaar. Hij woonde in die tijd als landbouwer te Jouswier. Pieter Schuringa, gardenier, wordt vervolgens eigenaar.
Achtereenvolgens Gerben de Vries, koopman, Pieter Schuringa. Vanaf 1922 wordt Jan Tjalling Alberda, landbouwer onder Ee, liefhebber van tuinen en interesseerde zich mateloos voor de geschiedenis van Ee. Zo ook voor deze historische woning! Hierna komt het huis in eigendom van zijn zuster Maaike.
Sinds 1925 van Lammert van der Horst, assistent stoomzuivelfabriek, en sinds 1926/1928 van de familie Klaas Groen, die lange tijd eigenaar is gebleven.

Baksteen
Al met al een woning met geschiedenis. Wat is mooier om deze woning één van zijn verloren bakstenen weer terug te geven?

Dus wat rest?
Laat deze steen weer van zijn dwaling terugkeren, naar de plaats waar hij vandaan komt. Want laten we heel eerlijk zijn, het is nu toch pronken met andermans veren?

Omgong te Ee in 1919. Op de voorgrond ds. Obe Groenewoud. Op de achtergrond links het geboortehuis van Foeke Sjoerds
N.B. Dit artikel is eerder gepubliceerd in de Nieuwe Dockumer Courant, najaar 2003.
De auteur, Douwe Zwart, is lid van onze vereniging. Reacties kunt u mailen aan de redactie.

 Posted by at 22:47
jan 012004
 

In het Admiraliteitshuis te Dokkum bevinden zich vele voor genealogen interessante zaken. Uit enkele publicaties zijn op deze pagina voorbeelden bijeengebracht. Voor de zaken zelf zou u een bezoek aan het museum moeten plegen.
In 1995 vond de expositie “Alleen voor meisjes?: 3 eeuwen merklappen” plaats in het museum. Speciale aandacht kreeg de merklap van Geeske Bekius – Suidema uit 1761. Diverse burgemeesters van Dokkum, leden van aanzienlijke geslachten zoals Van Kleffens (met een minister van staat E.N. van Kleffens) en Fockema, maar ook iemand als de bekende dominee/literator Francois Haverschmidt vinden haar naam in hun voorgeslacht. Haar vader was de uit Groningen afkomstige Steffen Suidema en haar moeder Attje Oeges van Kleffens. Van een dochter van Geeske en haar man Francois Henricus Bekius, Attje Bekius, is een geschilderd portret bewaard gebleven in de collectie. Ook van schoonvader dominee Francois Bekius bestaat nog een portret uit 1754 van de hand van Bernardus Accama en een dagboekje uit 1789. Deze worden vermeld in een boekje van dominee H.G. Cannegieter: Francois Bekius. De duivel-dominee uit de Friesche Wouden. Santp. 1941. M.portr. Geïll. 228p.

Duiveldominee Francois Bekius Attje Bekius


Het museum heeft een uitgebreide collectie merklappen met een erop geborduurde datum van tussen 1700 en 1875. De meeste merklappen of letterlappen zijn gemaakt door meisjes in de leeftijd van 8 tot 16 jaar, als onderdeel van het onderwijs. De eigendomsmerken waren noodzakelijk om de was op de vaak gemeenschappelijke bleek uit elkaar te kunnen houden.
In een artikel in het blad van de NGV Friesland, 11en30, van juli 2005, wordt in ‘De merklap Schellingwou ‘ door Tineke Slof een andere Dokkumer merklap beschreven. Het is de in 1841 door Uilkje Pieters Schellingwou gemaakte letterlap, waarop ook prominent de naam van haar tante Henke Fokkes Schellingwou (een naaivrouw) staat. Uilkje, geboren op 26 augustus 1817 te Dokkum en in 1856 getrouwd met Auke van der Werf, was een dochter van Pieter Fokkes Schellingwou en Jacoba van Kessel. Henke en Pieter waren kinderen van Fokke Klazes Schellingwou, die op 22 november 1789 te Stavoren trouwde met Uilkje Pieters Roorda.

In een andere publicatie van het museum “Mede namens wederzijdse ouders, trouwen in Friesland in vroeger tijden”, staan vele huwelijkskaarten en namen verneld. Zoals die van Tiertie Simmens op een merklap uit 1712-1714. Of de bruidsjurk van Grietje Helder die in 1856 trouwde met de latere burgemeester Doederus de Vries.

Trouwjurk van Grietje Helder


Op een smartlap uit 1850 staat een beeldend verhaal op het huwelijk van azijnfabrikant Sybrand Hingst uit Harlingen en Jacoba Huidekoper (collectie Hannemahuis Harlingen).
Trouw- en ondertrouwkaartjes uit de tweede helft van de 19e eeuw:

T. Schrader, Leeuwarden, met M. de Vries, Dockum, november 1868.
Auke Folkerts de Roos, van Hogebeintum, en Aaltje Eelkes van der Woude, van Wanswerd, april 1879.
Wiebe K. Nauta jr., van Dockum, en Taedske R. Jippes, van Hijum, mei 1868.
Albert S. vd Vegt en Trijntje M. de Boer, te Suameer, mei 1888.
Rienk M. Douma, van Ee, en Sijke I. Idsinga, van Hantumhuizen, mei 1855.
D.B. Memerda, van Brantgum, en D.G. Jensma, van L. Vrouwenparochie, mei 1869.

Verder een heilwens van de doopsgezinde Holwerder predikant M. Martens op het huwelijk van Jan Haukes Bergmans en Sjaukje Jans Wiersma, gesloten te Ternaard op 17 mei 1823.
Bruiloftszangen t.g.v. de 25 jarige echtvereniging van Geert Ybeles van der Veen en Teatske Donga 1866-1891. Een huwelijkstafereel van Frederik L. Schregardus, geboren 20.0.1818 en Sipkje P. Prins, geboren 10.8.1816.
Idem van Wiebe K. Nauta en Reinau I. Van Deijk, gehuwd te Dokkum op 1november 1818. Deze was getekend door hun zoon Klaas Nauta.
Als laatste 2 foto’s van het 50-jarig huwelijksfeest van Dirk Klazes Boonstra, geboren Sijbrandahuis 1824, en Riemke Gerrits Oosterbaan, geboren Genum 1829, te Dokkum in 1905. Een andere foto van dit echtpaar, waarschijnlijk 5 a 10 jaar jonger, staat tevens afgebeeld in Sneuper no. 69, december 2003.

Dirk Klazes Boonstra en Riemke Gerrits Oosterbaan


Voor meer info over het museum klik hier.

Heeft u zelf nog interessante voorwerpen die u bekend wilt maken, laat het ons dan weten.

 


 Posted by at 22:47
QR Code Business Card

Switch to our mobile site