nov 012003
 

Lichte straf voor vechtersbaas

De ‘Heer van Zweden’ was een berucht individu. Hoe hij aan zijn mooie bijnaam gekomen is wordt door de processtukken niet duidelijk. Voor 1692 woonde hij in Grijpskerk, daarna in Kollum. Maar in Kollum liet men hem niet lang met rust. Men kreeg in de gaten dat hij dezelfde persoon was als Johannes Jans, die op 2 juni 1679, ‘s avonds 7 uur, bij Dirck Tialckes, herbergier te Kollum, met ‘blote messen’ had gevochten, waarvan de afloop minder mooi was.

Op die bewuste avond was in de herberg ook een zekere Jan Siebes uit Ee. Er kwam ruzie en beide mannen gingen naar de schuur om het uit te vechten. Jan Siebes werd gewond, ‘dat hij ter aerden leggen bleef, dat de steeck tusschen de onderste ribben door van boven nae beneden gaende tot in het onderste gedeelte van de lever penetreerde, dat de patient aldaer verbonden sijnde, nae Dockum was gebragt, op hope van aldaar gecureert te worden, dat hij in plaetse van sulx van tijt tot tijt swacker werdende op den 27 dito is comen te overlijden’.

Johannes Jans, de ‘Heer van Zweden’ dus, had maar beter buiten Kollum kunnen blijven, maar het ongeluk wilde, dat hij in Groningerland ook niet veilig was.

Terwijl zijn vrouw en kinderen uit waren naar familie, had Johannes de dienstmeid Jantien Reinders verzocht hem zekere genoegens te verschaffen. Jantien voelde daar weinig voor, maar toen de ‘Heer van Zweden’ het mes nam moest ze doen wat Heer Johannes wilde. Jantien hield haar mond niet en daarom moest Johannes vluchten…

Intussen werd Jantien de dienst opgezegd en ook zij vertrok naar Friesland. Te Burum kwam zij in dienst bij Aukjen Binses, weduwe van Nittert Jans. Daar hield zij haar zwangerschap verborgen, maar de boerinne merkte toch dat zij in de kraam moest. Ze ontkende echter op zekere nacht van een kind verlost te zijn.

De weduwe haalde Jantiens broer, Pieter Reinders uit Visvliet, er bij en die sloeg zijn zuster de volgende morgen precies zo lang, totdat ze bekende het kind eerst in het bedstroo verstopt te hebben en daarna in een pot met as te hebben gestopt. Het kind van de ‘Heer van Zweden’ zou echter kort na de geboorte gestorven zijn, althans volgens de bekentenis van Jantien.

Zij moest hiervoor echter zwaar boeten, want op 17 juli 1693 werd ze door het Hof van Friesland veroordeeld tot een strenge geseling en vijf jaar gevangenisstraf.

Maar toen had Heer Johannes zijn vonnis al gehoord. Hij stond op 18 mei 1693 voor het Hof terecht en behalve de vechtpartij werd hem ook de verkrachting aangerekend. Maar… in Leeuwarden had men in die dagen een vreemd soort rechters. De arme Jantien moest vijf jaar de gevangenis in, terwijl de ‘Heer van Zweden’, die toch een moordenaar was, slechts ‘ten eeuwigen dage’ verbannen werd uit Friesland. Een wel heel lichte straf voor zo’n individu !

Bron: Rare Kostgangers, Dokkum en omliggende gemeenten door de eeuwen heen, W. Tsj. Vleer.
Uit: Criminele Sententies Hof van Friesland, 18.5.1693 en 17.7.1693.

 Posted by at 22:54
aug 012003
 

W. Meilink- Van Zuilen

Schoolklas te Ee, ca. 1954

Schoolklas te Ee, ca. 1954

Beschrijving:

Van deze schoolklas van de gereformeerde school in 1954/1955 waren aanvankelijk slechts enkele namen bekend. Inmiddels hebben we diverse reacties gehad.
De bovenste rij: juffrouw Sijke Hoekstra, meester Jopie Plantinga (nu Jaap), meester van Zuilen (mijn vader), Hoofd der school meester Andela, meester D. Plantinga sr.
Verder Johan van der Hoek, 2e links boven, Jantje Mulder 4e linksonder, Willie Postma, Pietsje .., Klaske..

Van Klaas Haaijema kwam vervolgens deze reactie:
Laat ik nou ook zelf op die foto staan, dus ik herken denk ik , de meesten : Bovenste rij staand vlnr.
Juffrouw Hoekstra, Anne de Vries(broerke), Josje v.d. Hoek, meester Plantinga jr., onbekend, Freerk Hoekstra, meester van Zuilen, onbekend, onbekend, meester Andela, ervoor Ruurd Baron?, Klaas Haaijema, meester Plantinga sr., ervoor onbekend, Klaas Mossel, onbekend, Willem Keizer, onbekend , onbekend, onbekend.
Zittend; Martijntje Haaijema, onbekend, onbekend, onbekend, Woppy van Zuilen?, Teunie Mossel, Pietje Wouda, onbekend, onbekend, onbekend, Klaske Bekker, Tineke Boersma?, onbekend, onbekend.
Voorste rij vlnr. onbekend, Sije Baron?,onbekend, Jan Mulder, Jappie Hiemstra, Teake Veendorp, onbekend, Willy Mossel?, onbekend, onbekend, Haaie Soepboer?

Vervolgens:
Staand bovenste rij vlnr.:
Na meester van Zuilen “Eilard Turkstra”; voor meester Plantinga sr. “Andries Wouda”; iin na laatste is “Afie (Afred) Wiersma”

Middelste rij vlnr.: Naast Martijntje Haaijema “Djoke Hoekstra” en “Dieneke Montsma”; 9de van links (met witte haarstrik) is “Willie Postma”, daarnaast Koosje Hoogstra; naast Tineke Boersma “Sijke de Vries” en “Baukje Wijbenga”.

Zittend voorste rij vlnr.: Klaas van der Veen??; naast Sije Baron “Rense Meindersma”; “Teake Veendorp” is volgens mij “Hielke Veendorp”; daarnaast Andries Hoekstra?; na Willy Mossel “Wopke Meindersma”; en daarnaast Lieuwe Montsma.

Hartelijke groeten,
Martijntje Vlasman – Haaijema
Julianadorp

Wie herkent nog meer mensen op deze foto ?

Aanvullingen of opmerkingen kunt u emailen naar de redactie.

 Posted by at 22:54
mei 012003
 

Varen met trekschuit “De Herinnering”

Dokkumer trekschuit in 1990

Op woensdagen in het zomerseizoen organiseert de stichting Gebroeders Abels (genoemd naar Dokkumer Watergeuzen uit de 16e eeuw) met hulp van een groep enthousiaste vrijwilligers, de “Vrienden van het oude schip”, een rondvaart door Dokkum. Wist u overigens dat Dokkum in 1569 de eerste stad was die door de Watergeuzen werd aangevallen, dus lang voor ze in 1572 Den Briel innamen ?

Dokkumer trekschuit in 1656
Op een penning uit 1656, ter herinnering aan de opening van de Stroobosser trekvaart, staat de trekschuit van Dokkum naar Groningen afgebeeld.

In 1823 reisde Jacob van Lennep in Dokkum met de trekschuit, wat recent door Geert Mak op televisie werd nagespeeld. Zie >hier voor het verhaal en filmpje.

Interieur Dokkumer trekschuit 1834
De beroemde Deense schilder Martin Rorbye maakte in 1834 een reis door Nederland en kwam ook per trekschuit door Dokkum. Hij tekende in de trekschuit toen de schipper Jan Thijsen Feenstra (rechts) en Pieter Bernardus Boomsma (de jongen links, half zichtbaar). Tussen hen staat een houten reiskoffer.(Veilingcatalogus Bruun Rasmussen, Kopenhagen, potloodschets op papier 17,5 x 11,5 cm).

Vertrekpunt
Bij de Zijl, schuin tegenover het stadhuis.

Vertrektijd
Vanaf 13.30 uur tot (bij voldoende belangstelling) 15.30 uur. De tocht zelf duurt zo’n 30 minuten.

Informatie
Bij de balie van het streekmuseum aan de Diepswal nummer 27 of telefonisch: 0519-293134. Hier kan ook geinformeerd worden naar huur van de trekschuit voor tochten (met de personeelsvereniging, bij trouwpartijen enz.). Er konden vroeger maximaal 30 personen in deze trekschuit mee. Tegenwoordig zijn dat er op last van de scheepvaartinspectie wat minder.

Kosten
Volwassenen 1.75 euro; kinderen tot 12 jaar 1 euro en voor gezelschappen op andere dagen: 55 euro per uur.

De route op woensdagmiddag in het kort
Vanaf het vertrekpunt bij de kade aan de Suupmarkt gaat de tocht eerst onder de Zijl (=sluis) uit 1583 door; we komen dan in het Grootdiep, voormalige zeehaven van Dokkum. Rechts zien we dan o.a. prachtige, tot woonhuis gerestaureerde, pakhuizen; links is de vroegere zetel van de Fries/Groningse amiraliteit te zien, een gebouw uit 1618, thans museum.
Onder de kettingbrug door komen we bij de oostelijke dwinger van Dokkums verdedigingswallen. Vandaar komen we in de Zuidergracht. In deze gracht komt de Stroobosser trekvaart uit (links) – er is daar nog een rolpaal te zien. Via de Baantjegracht (vroeger lijnbaan), aan beide zijden gemarkeerd door oude korenmolens, wordt het vertrekpunt in het Kleindiep weer bereikt.

“De Herinnering”: replica van 19e eeuwse snik
Deze schuit of snik is in 1980 gebouwd op scheepswerf ‘t Kromhout te Amsterdam in opdracht van de Stichting Stamboek Ronde- en Platbodemjachten met financiële medewerking van het Prins Bernhard Fonds en de Stichting Floriade 1982. Ze was daarna eigendom van het Nederlands Scheepvaartmuseum in Amsterdam, die het vanaf 1984 in bruikleen gaf aan een enthousiaste groep Dokkumers. De trekschuit werd in 1995 formeel in eigendom overgedragen aan een daartoe door J.H. Boorsma opgerichte stichting Gebroeders Abels, waarin ook het streekmuseum Het Admiraliteitshuis vertegenwoordigd is. De stichting ontleent haar naam aan de avontuurlijke Dokkumer broers Jan en Fokke Abels. Deze behoorden in de tweede helft van de 16e eeuw tot de eerste watergeuzen en op 1 april 1572 deden zij mee aan de bezetting van Den Briel.
Trekschuit “De Herinnering” is een perfecte reconstructie op ware grootte van een 19de eeuwse Friese trekschuit.
De lengte is ongeveer 12 meter, de breedte 2,80 meter. De ingang verdeelt de schuit in een ruim (tweede klasse) met zitplaatsen voor ongeveer 20 personen, en een roef (eerste klasse) voor 10 reizigers.

Geschiedenis van de trekschuit in het algemeen
Trekschuiten (snikken) zijn lange, slanke scheepjes, die zoals de naam al zegt, werden voortgetrokken door éen of meerdere paarden of door de mens zelf. Zij dienden voor vrachtvervoer en bovenal personenvervoer en werden gebruikt op smalle kanalen met een jaagpad ernaast. En doordat zij niet afhankelijk waren van wind of gunstig tij, kon voor het eerst in de geschiedenis een vervoerssysteem met geregelde vertrek- en aankomsttijden ontstaan. De oorsprong van deze schuit ligt in de 16e eeuw. De eerste trekschuit in Friesland voer in het voorjaar van 1646 tussen Leeuwarden en Harlingen. Dokkum was er snel bij om dit voorbeeld te volgen. Zij had alle belang bij goede verbindingen met andere plaatsen, ten behoeve van haar handel, bierbrouwerijen en niet te vergeten de waterschuiten, die het water haalden uit de Bonifatiusfontein, beroemd om haar goede kwaliteit water.
In de zomer van 1647 kwam de trekweg Dokkum-Leeuwarden gereed en enkele jaren later, in 1656, die van Dokkum naar Stroobos. Om de kosten van deze waterwerken te dekken werden er tolgelden geheven. Toch was voor de passagiers het vervoer per trekschuit redelijk goedkoop.
Het hoogtepunt van het gebruik van de trekschuit lag in het begin van de 19de eeuw. Daarna verloor dit comfortabele, maar langzame, vervoersmiddel geleidelijk terrein aan andere vervoersmiddelen, zoals de diligence, stoomschepen en de trein. Tot in het begin van de 20ste eeuw is de trekschuit in bepaalde delen van ons land nog in gebruik geweest.

De belangrijkste kenmerken
Oorspronkelijk was de schuit open. Dit beviel niet, getuige het oude rijmpje: In dese schuyt men sat te bloot, als son en regen daerop goot.
Men maakte daarop een eenvoudige opbouw met gesloten dak en zijkanten die met zeildoek konden worden afgesloten (de tent).
In de 18de eeuw werden de trekschuiten van een houten opbouw voorzien, met daarin vensters en vaak een afzonderlijke, kleine ruimte voor de ‘betere stand’, die met deurtjes was gescheiden van de voor het gewone volk bestemde ruimte (respectievelijk de roef en het ruim).
Meestal was er naast de korte mast ook een lange, bedoeld om de jaaglijn omhoog te kunnen houden bij het passeren van obstakels.
Voor het nemen van bochten werd gebruik gemaakt van rolpalen, die aan de binnenkant van de bocht stonden. Het touw kon aldus langs de rol in een hoek getrokken worden.

Vertrektijden en kosten vroeger
Al gauw was er een levendig vervoer naar de verschillende plaatsen in de omtrek. Men vertrok op vaste tijden vanuit Dokkum. Als onderweg echter een boer mee wilde, kon dit ook: hij liet zich met een bootje naar de kant van de trekschuit komen en klauterde naar binnen.
Rond 1800 was het vervoer van Dokkum naar Leeuwarden als volgt geregeld:
Afvaart ‘s morgens om 6 en 9 uur; verder ‘s middags om 12 uur en 16 uur.
De vracht voor éen persoon was acht stuivers; een brief kostte anderhalve stuiver. Er was ook een dienst op Harlingen: vertrek vanuit het Kleindiep ‘s morgens om 9 uur. De vracht was hier 17 stuivers per persoon en 3,5 stuivers voor een brief. Verder waren er drie diensten op Stroobos (9 stuivers per persoon) en twee diensten met retour op Kollum (5 stuivers per persoon enkele reis).

Scheepsjager en zijn paard
Elke stad had eigen paarden ter beschikking en leende of verhuurde die aan veerschippers. Dit waren paarden van redelijke kwaliteit, in tegenstelling tot de magere scharminkels die door de scheepsjagers in het vrije bedrijf werden gebruikt.
Het paard was getuigd met een trekhout: een dwarshout achter het zadel, waaraan een lijn vlug belegd kon worden.

 Posted by at 22:54
mrt 012003
 

Uit: Kollumerland, beschreven door Mr. A.J.Andreae, p. 166/167 (1883)

De Rooster bij het kerkhof te Burum komt voor in eene proclamatie van 1678. In dat jaar werd een huis te Burum verkocht ‘bij de Rooster’. In deel IV der Groninger Bijdragen, blz. 340 en volgende wordt over de woorden ‘Rooster’ en ‘Stengel’ het een en ander door Dr. Westerhoff medegedeeld.
Wat Stengels beteekent, zoo schrijft hij in noot 2, blz. 348, daaromtrent zij opgemerkt, dat daaronder oudtijds verstaan werden de toegangen of poorten in de muren, die het Kerkhof omgaven, dus de toegangen tot het door een muur omringd kerkhof. Zoo had men, zegt Dr. Westerhoff, in mijne jeugd te Warfum in de muren die het kerkhof toen omgaven, ook verschillende Stengels (groote en kleine) of toegangen tot het kerkhof, de grootere voor den aanvoer van lijken, de kleinere voor de voetgangers, die de voetpaden gebruikten, welke in verschillenden rigtingen over het Kerkhof liepen.
Onder de zoo even beschreven Stengels, zoo vervolgt die schrijver op blz. 349, had men vrij algemeen een soort van keldertje, dat overdekt was met een ijzeren rooster, welke, naar het ons toeschijnt, diende om daarop de voeten van aanhangende slijk en modder te zuiveren voor dat men de kerk binnentrad en tevens ook strekte om te beletten dat vee, zooals schapen en varkens, die oudtijds niet alleen op de dorpen maar ook in sommige steden vrij rondwandelden en waarvoor de roosters onbegaanbaar waren, niet op het kerkhof en in de kerk doordrongen.
In de Navorscher, Jrg. 15, blz. 258 wordt gezegd dat men ze ook legde om volgens het oude bijgeloof den duivel, die met zijne bokspooten daar niet op kon staan en gaan, te beletten, om op het kerkhof en in de kerk te komen. De schrijver zegt echter dat deeze betekenis niet geheel zeker is. Zie aldaar verder en voorts: Jaarg. 16, blz. 35, 98, 99, 258, 328, 354. Zie ook Moll: Kerkgeschiedenis van N. II, 3e druk, blz. 152.
Bij Occo Scharlensis, blz. 216 wordt melding gemaakt van een gevecht te Dockum in 1474, waarin gezegd wordt: Als bij (zekere Aedo Jongama) dan zijn vijanden tot aan ‘t Kerkhof gevolgd was, daar ze vermits de deuren gesloten waren, niet en konden in komen, en zij hem dus vrezelijk zagen aan komen hebben ze haar ter coere gesteld. Aedo, dit siende, riep tot zijn volk: sla dood, sla dood, terstond wierde voor de Roosters een van hare Dienaers geslagen, enz.
In 1787 was er nog een ‘ijseren Rooster’ op het kerkhof te Jellum (Vrije Fries, XV, blz. 79). Volgens een zeer bejaard man, moet zich omstreeks eene halve eeuw nog de Rooster bij het kerkhof te Burum hebben bevonden, terwijl in een oud grafboek van Burum de uitdrukking voorkomt: ‘bij de drooge Rooster’.
De Roosters werden te Utrecht, bij de komst van den Prins van Oranje aldaar, opgebroken, doch om welke reden dit geschiedde is onbekend (Gron. Bijdr. t.a. pl.blz. 350).

 Posted by at 22:54
feb 012003
 

De vijfde potestaat van Friesland, Igo Galama, werd gekozen in 867. Uitstekend krijgsman en vurig beminnaar van zijn vaderland, deed hij al het mogelijke om de inwendige rust en welvaart van Friesland te bevorderen.

Het oude gebruik, om wachten langs de zeekust te plaatsen, door zijne voorgangers veronachtzaamd, werd door Galama opnieuw ingevoerd, om te waken tegen de invallen der Noormannen en tevens te letten op den toestand der zeedijken, die in dien tijd nog niet zeer sterk waren. Eens te Ezonstad zijnde, waarschuwde Galama de inwoners bijzonder om op hunne hoede te zijn tegen de zoo gevreesde Noormannen, en zeide bij die gelegenheid:
Haadet goede wacht tyan da Nordera oordt,
Want vuyt da Grimma herna comt ws all quaed voort.
(Houdt goede wacht tegen het noorder oord,
Want uit dien grimmigen hoek komt ons alle kwaads voort).
Ezonstad was oudtijds een stedeke aan de Lauwers, gebouwd omstreeks 341, door Odilbald, den zesden hertog der Friezen. In 808 werd deze stad door de Noormannen bijna geheel uitgeplunderd en afgebrand, doch met hulp van het rijke Staveren spoedig herbouwd. De buurt Ezumazijl, aan de Lauwerszee in Oostdongeradeel, is de plek waar de oude stad heeft gestaan. Eenige nederige huisjes onmiddellijk daarbij, dragen nog den naam van Ezumaburen, Ezonbuurt.
De oude Noorsche Vikingen, letterlijk Wijkkoningen (zie Frithiof-saga) zochten op hunne zeerooverstochten naar wijkplaatsen, waar zij met hunne schepen veilig konden liggen. De Noormannen landden dan ook altijd in de Lauwerszee of in de Middelzee.
Uit: Uit Friesland’s Volksleven, van vroeger en later, volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen, bijeengebracht door Waling Dijkstra, pagina 35.

 

 Posted by at 22:54
jan 012003
 

Anno 1756: Den 21sten Februari dezes jaars, des avonds ongeveer 10 uur, werd men op eene plaats aan de Wanswerder-meer onder Hallum gewaar een vrij sterke aardschudding. Het eerste wat men er van ontdekte was de ontsteltenis van het rundvee, dat niet stil kon staan en waarvan er eenige runderen onder den voet vielen, terwijl alles, zoo muuren als de grond in de stal zich bewoog. Vooraf werd onder den grond een geluid als van veraf zijnde donderslagen gehoord. Buiten was het stil en fraai weder en geene beweging in het water. Bij het eindigen was het of alles trilde en beefde. Na eene poos werd hetzelfde geluid gehoord, dezelfde beweging gevoeld. Alles viel voor in den tusschentijd van een uur. Op den 1sten November des vorigen jaars had men te Hallum ook eeniger mate de aardbeving gevoeld die Lissabon verwoestte. Onder anderen werd op Goslinga-State een paar zware bomen, die aan de gracht stonden, uit den grond gerukt.”
Uit: Beschrijving van het dorp Hallum in Ferwerderadeel, D. Cannegieter, ca. 1880, deel 1, p. 73.

 Posted by at 22:54
QR Code Business Card