dec 012002
 

Pieter Stuyvesant
H. Zijlstra
In ‘De Vrije Fries’ van 1994 schetst Goffe Jensma een goed onderbouwd beeld van de achtergrond van Pieter Stuyvesant, de bekende gouverneur-generaal van Nieuw Amsterdam, het latere New York. Hij zorgde er o.a. voor dat het gebied stadsrechten kreeg en een brandweer werd opgericht. In 1630 ging hij naar de Universiteit van Franeker om talen en filosofie te studeren. In dienst van de West Indische Compagnie (WIC) begon hij in 1635 als commies op Fernando Noronha, werd in 1643 directeur van Curacao en in 1646 ook van Nieuw Nederland. Door een verwonding in 1644 tijdens een aanval op Sint Maarten van de Portugezen verloor hij een gedeelte van zijn rechterbeen. Hij liet zich een houten poot aanmeten die bespijkerd werd met zilveren sieraden. Tijdens zijn herstel in Nederland trouwde hij op 13 augustus 1645 in de Waalse kerk te Breda met Judith Bayard.
In Nieuw Amsterdam viel hij op door zijn straffe bewind en vervolging van met name quackers. Nadat hij eerst gebied verloor aan Connecticut veroverde hij in 1655 de kolonie Nieuw Zweden. In 1664 verscheen een Engelse vloot in de monding van de Hudson om de Nederlandse kolonie op te eisen. Stuyvesant wilde zich verzetten, maar kreeg geen steun van de Nederlandse kolonisten. Hij legde zijn gouverneurschap neer en zowel de kolonie als Nieuw-Amsterdam gingen New York heten. Terug in Nederland kreeg hij de schuld van het verlies van de kolonie. Teleurgesteld maakte hij rechtsomkeert, en kreeg toestemming van de Engelse autoriteiten om in New York een boerderij te stichten, waar hij, tezamen met zijn vrouw en twee zonen, de rest van zijn leven zou doorbrengen. Deze plaats in Manhattan is nog bekend als de Bowery (bouwerij=boerderij) waar nu de kerk St. Mark’s-in-the-Bowery staat. Op 19 januari 1671 liet hij in New York zijn testament opmaken, waar hij februari 1672 overleed.
Vader Balthasar Joannis Stuyvesant werd rond 1587 in Dokkum geboren en ging in Dokkum naar de Latijnse School, waar hij in 1604 examen deed. Vervolgens ging hij in 1605 naar de Universiteit van Franeker voor een studie theologie. Ondanks zijn geringe afkomst kon hij via een beurs (alumniaat) studeren. Het was, zo vlak na de religieuze omwenteling van 1580, een tijd waarin een groot tekort aan predikanten zo snel mogelijk moest worden opgelost. Dit boodt mannen als Balthasar een goede mogelijkheid een sprong op de sociale ladder te maken. Als zijn beschermers en weldoeners worden de Dokkumer notabelen Sixtus van Scheltema, Frans Fokkes van Unia, stadssecretaris Klaas Hobbes Vallinc, schatbewaarder Thomas Joannis en de rector van de Latijnse School te Dokkum, Stephan Ubels genoemd. Ubels (ook wel Schoning of Valling genoemd) was waarschijnlijk van 1603 tot zijn dood in 1629 rector. Hij was Raphael Clingbyl, die professor in de anatomie en medicijnen bij de Universiteit van Franeker werd, opgevolgd. Conrector van de Latijnse school in 1605 was Boëtius Ludolphi, die als voorganger Hilarius Sibrandi (genoemd in 1598) had. Zijn opvolger was Paulus Arcerius (1607-1609). In 1585 was Dr. Alardus Aulateus de eerste rector, met een tractement van 15 goudguldens. Een van de leraren was toen Sijmen Baertszoon.
Balthasar vormde een studieclubje met enkele andere Noordoost Friezen, zoals de zoon van Frans Fokkes van Unia, Fokko Franciscus van Unia, de zoon van de dominee van Ee, Hendricus Avercamp (uit dezelfde familie als de later bekend geworden schilder van winterlandschappen) en de Holwerder Regnerus Barel(t)s. In 1607 ging Balthasar in Zwolle in ondertrouw met de 10 jaar oudere Margaretha Hardenstein, weduwe van de predikant van Parrega, Petrus Monches. In 1609 wordt Balthasar de predikant te Parrega, in 1620 te Scherpenzeel, in 1622 te Berlikum en, als een soort degradatie, in 1634 predikant van het Friese garnizoen te Delfzijl. Inmiddels is hij na het overlijden van zijn eerste vrouw in 1625 op 22 juli 1627 te Haarlem getrouwd met Stijntjen Pieters, weduwe van Adriaen Gerrits. Naast Pieter en Anna (1613) uit zijn eerste huwelijk krijgt Balthasar uit dit tweede huwelijk nog 5 kinderen, Margareta, (1628), Catharina (1629), Trijncke (1630) en Balthasar jr. (1631).
Grootvader Joannis Balthasari was herbergier te Dokkum. Jensma meldt in zijn ‘Noten’ dat deze informatie van dr. J.J. Kalma komt, die dit weer uit een document van Meinardus van Aitzema zou hebben gehaald. Dit kon echter niet worden bevestigd via andere bronnen. Overigens is een andere Van Aitzema, de in 1600 te Dokkum geboren Lieuwe of Leo, een beroemde historicus geworden die o.a. in Den Haag voor een Duitse hertog werkte.
Er is nogal wat verwarring over het geboorte- en overlijdensjaar van Pieter Stuyvesant. In diverse, met name Amerikaanse, documenten op internet wordt gemeld dat hij in 1682 overleed op 80-jarige leeftijd en dus in 1602 geboren moet zijn. Zijn grafsteen vermeld echter duidelijk het jaartal 1672 en waarschijnlijk werd hij niet 80 (zoals op de grafsteen staat vermeld die rond 1710/1720 werd aangebracht) maar 60 jaar oud. Als dat namelijk wel zou kloppen zou hij rond 1592 in Dokkum geboren moeten zijn, wat onwaarschijnlijk lijkt. Diverse archiefstukken bevestigen het vermoeden dat hij rond 1611 geboren moet zijn in Peperga (Weststellingwerf), waar zijn vader toen predikant was. Op de website van Rootsweb wordt zelfs een Stuyvesant genealogie gepresenteerd waarin Pieter in 1602 in Dokkum (toen zijn vader daar nog woonde) zou zijn geboren: duidelijk een voorbeeld van ‘de klok horen luiden’ met de nodige fouten als gevolg.

Een mooie website met kaarten van Nieuw Amsterdam en diverse essays over de wereld van Stuyvesant vindt u hier.

 Posted by at 23:08
nov 012002
 

‘Capitain’ Ofke Haijes werd voor straf onthoofd – ook de andere opstandelingen werden tot zware straffen veroordeeld.
Het Kollumer Oproer in 1797 onder leiding van Jan Binnes en Salomon Levy is algemeen bekend in Noord-oostelijk Friesland. In de kerk van Oudwoude is een gedenksteen aangebracht ter ere van Jan Binnes, die in opstand kwam tegen de dwingelandij der Bataafsche Republiek en daarvoor in Leeuwarden aan de galg werd gehangen.

Weinigen weten echter dat dit befaamde Kollumer Oproer het tweede was, want in 1634 beleefde Kollum enige dagen van ‘revolte’, die niet behoefden onder te doen voor de februari-dagen van 1797. Ook toen richtte het verzet zich tegen maatregelen van de overheid en gingen de Kollumers als ‘vrije Friezen’ over tot handelingen, die door een staat niet geduld kunnen worden.

In 1633 werden er nieuwe belastingen ingevoerd, zoals het hoofd- en schoorsteengeld, imposten op handwerkslieden en neringdoenden, welke belastingen voor grote sommen aan belastingpachters of ‘collecteurs’ werden verpacht. Deze fiscale maatregelen drukten zwaar op boer en ambachtsman en allerwege was er dan ook grote ontevredenheid, niet het minst in Kollumerland.

Op maandag 10 juni 1634 schoolden hier en daar groepjes mensen samen en in de herbergen werd druk geconfereerd. Het waren vooral Ofke Haijes, Haije Gabes, Drieuws Abes, Jan Harckes en Zwarte Romcke die hier en daar opwekten tot verzet en plundering.

In de avonduren kwam het tot een uitbarsting. Ofke Haijes nam de leiding in handen. De menigte ging op pad en trok eerst naar het huis van Saecke Siercks in Kollum, waar ingebroken werd en het huisraad uit de woning gehaald. Nog dezelfde nacht moesten ook de woningen van Syoerdt Wybes en Lieuwe Douwes in Kollum het ontgelden. Blijkbaar waren dit belastingpachters.

Maar naar de smaak van Ofke en zijn maten was dit nog niet genoeg. Zingende en scheldende trok toen de menigte nar Buitenpost om het huis van de gehate secretaris van Achtkarspelen, de her Suffridus Riemersma, te plunderen.

Op dinsdag 11 juni was het feest in Kollum. De burgerij had met genoegen vernomen dat Ofke Haijes het niet bij woorden gelaten had, maar tot de daad was overgegaan. Voortaan was hij de grietman van Kollumerland ! Steeds meer Kollumers sloten zich bij het oproer aan.

In de herbergen werd flink gedronken en al spoedig had men het plan gereed om de woning van de volmacht, later grietman, Ridtske van Eysinga, te plunderen, maar dit plan werd doorgegeven aan Van Eysinga, die voorlopig de dans wist te ontspringen door een paar tonnekes bier naar het hoofdkwartier van de opstandelingen, de herberg van Jacob Jans, te sturen.

Het bier werd weldra ‘geconsumeerd’ en daar de voorraad bij Jacob Jans was uitgeput, ging de bende naar de herberg Lieuwe Hessels, waar Egbertus Dominici, Poppius Dominici en Poppius Boorsma zaten te drinken. Deze heren werden de herberg uitgestuurd, want voor aristocraten was geen plaats meer in de herberg…

Weldra bijzonder geestrijk door het geestrijk voht geworden, riep Ofke Haijes zichzelf uit tot ‘capitain’ van Kollum en ging “nae het huijs van Harmen Lubbes, roeper van den voors. dorpe Collum, ende daeruijt tegens wille ende danck van den selven Harmen de tromme gehaelt, de sleve geslagen, ende uijtroepingen veel volck bijeen gekregen heeft, de selve aanritsende ‘s Landtschaps middelen met hem gevangene (Ofke Haijes) te helpen tegenstaan.
Dat oock de gevangene ten selven tijde gesterckt met Jan Harckes, Drieus Aebes ende andere al trommelende van ‘t Westeijnde der voors. dorpe gegaen is nae Fop Claessens ende aldaer tegens danck van des selves huijsvrou ende dogter een van de Vaendels uijt ‘t gerechthuijs gehaelt heeft, ende dat hij alsdoen so als Capitain vaendrich ende trommelende met de rapaille langs de gebuijrte uijt het rechthuijs is gegaen.
Dat de gevangene ten voors.dage tegens den avond met vliegende Vaendel, ende Trommelslagh mede was gemarcheert doorden gebuijrte naar de huijsinge van den Ontfanger Jacob Rosema, ende deselve hadt helpen insmiten, opbreecken ende ‘t huijsraedd vernielen en plunderen. Dat de gevangene cum socius den Dienstboden van Rosema voornoembt hadden gevraeght, waer hij Rosema was, met de bij voeginge, so sij hem hadden, wouden sij hem in riemen snijden.”

Op deze 11e juni was Ofke Haijes dus de baas in Kollum en Buitenpost en de bevolking was hem blijkbaar goed gezind, anders zou hij niet zo’n groot machtsvertoon hebben kunnen ontplooien. Geen wonder dat in deze stemming het huis van de advocaat en ontvanger Rosema zonder enige schroom werd leeggehaald.

De volgende dag, woensdag 12 juni, begon met samenkomsten in de herbergen. Daar rijpte het plan in de komende nacht naar Buitenpost te marcheren en het huis van de gedeputeerde Tarquinius van Boelens te plunderen. Terwijl overdag feest gevierd werd en drank gedronken, begaf het Kollumer vrijcorps zich ‘s avonds naar Buitenpost, waar inderdaad de woning van de gedeputeerde het moest ontgelden.

Nu restte alleen nog de woning van Van Eysinga en daartoe werd de volgende morgen (donderdag 13 juni) vergaderd. Men zou niet wachten tot de nacht, maar in de middag deze belangrijke operatie gaan uitvoeren en daarbij hoopte men Van Eysinga (ondanks de tonnetjes bier) zelf ook in handen te krijgen, om “hem in riemen te snijden.”

Terwijl die ochtend de voorbereidingen voor deze plundering en moord werden getroffen, kwam het onverwachte bericht dat er soldaten in opmars waren van Leeuwarden naar Kollum om het oproer de kop in te drukken.

Nu ging heel Kollum versterkingen aanleggen en een ‘wagenburg’ werd gemaakt om de intocht der landsknechten te beletten. De Kollumers werden intussen bewapend met vorken, stokken en alles wat maar kon dienen om te slaan en te steken.

Toen in de middaguren de soldaten te voorschijn kwamen, werden ze warm door het Kollumer vrijcorps ontvangen. Maar daar niet iedereen van plan was zijn leven op het altaar van Ofke Haijes te offeren, wemelde het weldra van deserteurs en onderduikers, zodat de rijen van stoere mannen evensnel dunden als bij het oproer in 1797 en na een paar uur van tegenstand geen sprake meer was.

De soldaten wisten een zekere Willem Jans gevangen te nemen, die voor éen der leiders van het oproer werd aangezien. Hij had echter volgens zijn zeggen onder dwang meegedaan en werd op 25 april 1635 vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.

Langzamerhand kreeg men echter een inzicht omtrent deze opstandige beweging en werden arrestaties verricht. Ook ‘capitain’ en oproerleider Ofke Haijes werd eindelijk gevangen genomen.

Het Hof van Friesland kende geen consideratie met dergelijke lieden. Op 17 december 1636 werd Ofke Haijes ter dood veroordeeld en nog dezelfde dag onthoofd. Jan Harckes kreeg een strenge geseling en werd voor vijf jaar verbannen. Drieuws Abes werd ook gegeseld, maar voor ‘eeuwig’ verbannen.

Onder de opstandelingen waren ook een paar Kenau’s, die niet vergeten mogen worden. Het waren Inneken en Agnieta Caspers, die dapper meestreden tegen het onrecht, maar voor hun dapperheid kregen zij geen onderscheiding, doch resp.éen en twee jaar gedwongen verblijf buiten het ‘heitelan’.

Zo eindigde het Kollumer Oproer in 1634. In elk geval waren het slechte dagen voor de ‘heren’ geweest en beste dagen voor de kasteleins…

Uit: Criminele Sententies Hof van Friesland, 25.4.1635 en 17.12.1636. Rare Kostgangers, Dokkum en omliggende gemeenten door de eeuwen heen, p. 36-39

 

 Posted by at 23:08
okt 012002
 

H. Zijlstra

Wilhelmus Taeckes uit Anjum kreeg een zware straf en moest o.a. met een kaars in de hand voor een processie lopen in zijn woonplaats.

In de 16e eeuw werden door het Hof van Friesland onmenselijke straffen uitgesproken. Meer dan 400 doodvonnissen werden tussen 1516 en 1600 voltrokken. De meeste slachtoffers waren vooraf op een verschrikkelijke manier gepijnigd.

Zij die niet tot de ter dood veroordeelden behoorden kregen andere zware straffen toebedeeld, zoals het uitsteken van de ogen, afsnijden van de oren, het afhakken van lichaamsdelen enz. Te veel en te gruwelijk om op te noemen. Het is dan ook onmogelijk over alle personen uit Noord-oost Friesland te schrijven, die in deze periode op het schavot of elders hun straf ondergingen.

Enkele uitzonderingen willen we echter maken, niet omdat het hier om bepaalde personen of bepaalde feiten zou gaan, maar om een indruk te geven voor welke misdaden en soms helemaal geen misdaden, iemand gemarteld of vermoord werd op last van de hoge heren…

Op 20 december 1525 stond Wilhelmus Taeckes uit Anjum terecht. Hij had iets gedaan dat tegenwoordig in Nederland gewoonlijk niet strafbaar is, tenzij te ver wordt gegaan en gesproken moet worden van godslastering of belediging van een volksgroep. Maar ook dan krijgt de verdachte een geldboete en geen gevangenisstraf.

In 1525 waren de wetten wel wat anders. Toen regeerde nog de “alleen zaligmakende Moederkerk” en werd tegen elke “ketterij” opgetreden met een felheid, waarvan we ons moeilijk een denkbeeld kunnen vormen. Iemand die twijfelde aan de kerk of deze bewust de rug had toegekeerd, was overgegaan tot de ketters- liep gevaar zijn leven te verliezen op de brandstapel. Iemand die spotte met de vele heiligen en heilige attributen van de kerk werd vaak tot een afschuwelijke straf veroordeeld.

Wilhelmus Taeckes schijnt de R.K. eredienst niet meer serieus genomen te hebben en zich spottend te hebben uitgelaten over de “Reyne joncvrou Maria en Moeder Godts”.

Hieronder een gedeelte uit de Criminele Sententie:

“Reynner scoenlapper die brieven gedragen heeft aanden ouderman van Dockum Zytgen Humalda, inhoudende dat hy hun informeren soude vpte delicten van eenen schoelmeester woenende inden dorpe van Aennium in Dongerdeel westzyde, die welcke vande moeder goidts een hoer gemaeckt hadde. Daarvoor krijgt hij 10 st.”

“Alsoe den Hove van Vrieslandt genoech gebleken is ende soo wel by eygen confessie dat tegenwoirdige Wilhelmus Taeckes de Reyne Jonckfrouwe Maria ende moeder gods schandelycken geblasphemeert heeft twelck een saecke is die allen anderen ten exempel nyet en behoirt ongestraft te blyven. Tvoors hoff rypelicken daerop geleth hebbende van wegen Ko.Keij.Mai(esteit) ons aldergenedichsten heeren meer geneijcht tot barmhertichheijt dan tot strengheijt van justitie, Condempneert (veroordeelt) hem dat hij bij den scherprichter mijt een mijter op zijn hooft hier voor den canselarijen upt schavot geleijt ende gebonden sall worden en daer blijven staende een tijt van eenre uren mijt een schrift op zijn borst ende op zijn Rugge /Dese heeft geblasfemeert de Reyne Joncvrou Maria/ ende daer na sal hij mijt een ijser door zijn tonghe gesteken werden. Ende voorts sal op sondagh naestcomen Int dorp Angium mijtten selven mijter en schriften en mijt eender wassen keersen In sijn handt voor den processien gaen ende daernae voor onser lieve vrouwen de selve keerse offeren ende spreken eenen ave maria biddende om vergiffenisse en Int openbair wederroepen ‘t gene dat hij gesproken heeft en dat bij pene van vuijten lande gebannen te werden.” Het Hof ontving na enige tijd bericht dat Wilhelmus aan de hem opgelegde verplichtingen had voldaan: “Her mathyas, pastoir te Agnium, Fox van Dockum grietman van Dongerdeel oostersyde ende Thyettye Hotye z syn substituyt hebben gecertificeert (bevestigd) by eenen brief by hen dryen ondertekent dat Wilhelmus zyn penitencie voldaen heeft 21 Dec”…. En verder: “meester Willem schoelmeester van Aenyum heeft vp tschavot gestaen vp zyn borst ende Rugge hebbende hangende eenen brief daer Inne geschreven stond zyn misdaet ende wordde deur zyn tonge gesteecken moester Harmen meester vanden scerpen swaerde voor zyn Recht gegeven 7 stuvers, sat gevangen vier weecken ten pryse van 3 st. sdaechs”.

Arme Wilhelmus! Hij zal niet meer beleefd hebben dat in 1580 de bakens werden verzet en zijn overtuiging overwon. Toch is hij in protestantse ogen éen der eerste martelaren voor “de Nije Lere” in Noord-oostelijk Friesland gweest !

Uit: Criminele Sententies Hof van Friesland, 20.12.1525, vermeld door R.S. Roorda en overgenomen door W. Tsj. Vleer in zijn ‘Rare Kostgangers in Dokkum en omliggende gemeenten’.

P.s. Over Willem Taeckes is in 1995 een jongensboek geschreven door Harke Iedema. Zie voor een recensie Sneuper no. 35.

 

 Posted by at 23:08
sep 012002
 

Burgerboek Dokkum

INLEIDING:

a . Algemeen

In Friesland is sedert de late Middeleeuwen de stad een van een grietenij afgezonderde rechts- en bestuursgemeenschap met vergaande zelfstandigheid, onder eigen organen. In de “stadsboeken” werd voor het jonge stedelijke gerecht vastgelegd in hoeverre zijn normen afweken van het voorheen gebruikelijke land- of deelsrecht (dat rondom ten plattelande bleef gelden) of dit aanvulden. (Encyclopedie van Friesland, 1958) Uit het stadsrecht vloeit voort dat een burger (ook wel poorter genoemd) bepaalde rechten en plichten had, waaruit weer de behoefte en de noodzaak voor elke stad zijn te verklaren om een persoons-, of zo men wil ledenadministratie te voeren van deze burgers of poorters. Deze administratie is bewaard gebleven in de ‘burgerboeken’.

Om in te kunnen zien wie in het burgerboek geregistreerd zullen staan, moet in de eerste plaats worden bezien hoe men burger werd, nl
A. door geboorte uit burgers. Deze eis wordt vaak aangescherpt: betrokkene moet dan ook in de stad zijn geboren.
B. door huwelijk met een burger(es) indien men zich in de stad ging vestigen.
C. door tot burger aangenomen te worden. Daarbij verkregen als regel vrouw en kinderen ook het burgerrecht.
Over het algemeen zal men in de burgerboeken alleen de inschrijving vinden van personen die onder kategorie C. vallen. Het zal duidelijk zijn dat men van de andere personen geen registratie kan vinden, bv van iemand die met een burgeres trouwt of van iemand wiens ouders al burgers waren (waarbij hij zelf dus niet eens in de stad geboren of gedoopt hoeft te zijn)

Niet iedereen kon zo maar burger worden:
- Het was niet mogelijk burger van twee steden tegelijk te zijn.
- Men mocht niet schuldig zijn aan een (zwaar) misdrijf.
- Men moest een behoorlijke kostwinning, of genoeg kapitaal hebben.
- De burger moest in de stad wonen. In dit opzicht waren er in de regel voor schippers verzachtende bepalingen; vandaar ook dat men van hen vaak het beroep genoteerd vindt.

Het burgerrecht ging verloren door:
- vertrek uit de stad (in sommige gevallen al na korte tijd buiten de stad te zijn)
- “rumen voor schuld”, dus als men aanstalten maakte om voor zijn schulden op de vlucht te slaan (deze bepaling was nodig omdat men geen beslag op goederen van burgers kon leggen)
- bepaalde (zware) misdaden;
- het elders burger worden.

Men kon ook niet zonder meer in een stad verblijven zonder burger te worden. Over het algemeen was men verplicht, na zich enige tijd in een stad te hebben opgehouden, om ofwel burger te worden, ofwel te vertrekken. Deze strenge regel was nodig om te voorkomen dat drommen mensen zonder behoorlijke kostwinning zich in een stad gingen vestigen.

De meeste steden gaven in bepaalde gevallen wel vergunningen af om in de stad te wonen zonder burger te worden: inwonerschap (meestal voor kortere tijd, bv. 1 jaar) . In veel burgerboeken zien we ook dit geregistreerd.

Belangrijk, met name voor Friesland met vele relaties tussen steden en platteland, is het begrip buiten- of landburgers, d.w.z. burgers die ontheven waren van de plicht om in de stad te wonen.

b. De inrichting van de burgerboeken

De kwaliteit van de burgerinschrijven is nogal wisselend. In de loop van de tijd worden de inschrijvingen over het algemeen vollediger. De oudste burgerboeken geven vaak geen patroniem, maar in plaats hiervan het beroep als nadere identificatie. Later vervalt de vermelding van het beroep dan vaak weer, maar als iemand schipper was is dit vaak wel vermeld (zie hierboven)
De vermelde plaats van herkomst is lang niet altijd de geboorteplaats, maar meestal de vorige woonplaats. In de loop van de 18e eeuw echter wordt steeds vaker de geboorteplaats opgenomen.
Sommige burgerboeken houden een apart register van inwoners aan, in andere vinden we ze tussen de burgerinschrijvingen, terwijl er ook gevallen zijn waarbij de inwoners niet geregistreerd zijn.

c. Toelichting bij het Burgerboek van Dokkum (1574-1798)

De klapper bestaat uit een vijftal tabellen. In deze tabellen zijn de inschrijvingen achtereenvolgens gesorteerd
op famielienaam (tabel 1),
op voornaam (2),
op patroniem (3),
op ambt of beroep (4) en
op plaats van herkomst (5)
De inschrijving waarop is gesorteerd is in alle tabellen vermeld in kolom 2.

Het titelblad van het Dokkumer burgerboek draagt de naam van Cornelius Idema, gezworen stadsklerk. In de Spaanse tijd (1574) werd een begin met dit boek gemaakt, waardoor tot 1580 nog alle nieuwe burgers moesten beloven de koning van Spanje te zullen eren en respecteren.
Overigens komen ook vele Dokkumers voor in de Burgerboeken van Leeuwarden. Zo vinden we daar de beroemde Dokkumer medicus en kroniekschrijver Henricus a Bra ofwel Hendrik van Bra (geboren 20 september 1555 volgens Van der Aa), die o.a. de Waalse furie van 1572 in Dokkum beschreef (zie Vrije Fries 1853 en het recente ‘De Friese Geschiedenis in meer dan 100 verhalen’, Kerst Huisman, 18 euro). Hij verhuisde in 1617 naar Leeuwarden. De Leeuwarder burgerboeken bestrijken de jaren 1530-1800 en staan online bij het Gemeente-archief Leeuwarden, klik hier.

 

 Posted by at 23:08
aug 012002
 

H. Zijlstra

In het onlangs verschenen boek van het Admiraliteitshuis te Dokkum, Dokkumer, Kollumer en Amelander Zilver, staat een enorme rijkdom aan afbeeldingen en biografische informatie van genoemde ambachtslieden.
Toch ontbreken er enige gegevens die ik in de loop der jaren op veilingsites tegenkwam of op tentoonstellingen als de TEFAF en PAN.
Ter aanvulling worden op deze pagina afbeeldingen getoond met beschrijvingen zoals die er destijds bij vermeld stonden.

Met name van Paulus Sakes zijn enige objecten in de recente jaren op de markt gekomen. Zo werd op PAN Amsterdam 2001 van Paulus Sakes een zilveren beker aangeboden door antiquair John Endlich te Haarlem. Het opschrift luidde: Aen Obbes en Iantien Aeriens 1669.

Paulus’ wapen staat in het Genealogysk Jierboek 1993. Hij was oud burgerhopman/burgemeester van Dokkum.
Trouwregister Gerecht Dokkum, 1653 DTB nr: 180, 1620 – 1661 
Bevestiging huwelijk van 23 november 1653, Dokkum 
Man: Pouuels Saeckes, Dokkum Vrouw: Catharina van Oosten 
NB: hij is burgerhopman en mr. goudsmid 
zilveren beker Paulus Sakes
Beschrijving: A Friesland silver beaker of tapering cylindrical form engraved with a strapwork border above 3 figural cartouches and the initials ‘I W’ with gilt interior and base, makers mark (?) P S, Dokkum, late 17th/early 18th century, 12cm high. 

Bron: Veilingsite Douglas Ross, UK, 2001

Zilveren beker van Paulus Sakes uit 1671

zilveren beker Paulus Sakes
Bron: Veilingsite Rare Art London 2001.

Op TEFAF Maastricht 2002 werd door dezelfde antiquair een beker van Paulus Sakes te koop aangeboden met de volgende beschrijving: A Dutch silver beaker made in Dokkum, 1650, by Paulus Sakes. Height 12 cm, weight 155.5g. Mogelijk dezelfde die in 2001 door Douglas Ross werd aangeboden.

Klaas Djurrema

Theepot van zilver. Met gedreven decor van bijbelse voorstellingen, en voorzien van rocaillevormen en floraal drijfwerk. De tuit achtkantig eindigend in een dolfijn, de deksel met bekroning van een bazuinblazende zeemeermin. 1e gehalte. Jrl. 1793. Mrt. Klaas Djurrema. Stadskeur Dokkum. 365 gram. H. 18 cm. Defecten.zilveren theepot Klaas Djurrema
Bron: Veilingsite Van Stockum Antiquairs 2001

 

 Posted by at 23:08
jul 012002
 

H. Zijlstra

Johannes Fockema trouwde op 15 juli 1770 te Dokkum met Trijntje van Kleffens (Cleffens), toen hij daar burgemeester was.
Op het kerkhof van Raard zijn beide begraven. Helaas zijn de grafstenen waaraan de volgende gegevens zijn ontleend inmiddels geruimd:
Johannes Fockema geb. Dokkum 12 mrt 1745 overleden aldaar 5 jan. 1820 
Trijntje Fockema geb. van Kleffens geb Raard 26 feb 1748 overl. te Dokkum 27 febr 1820 

Johannes was vroedschap en burgemeester van Dokkum en lid der Staten voor de stad Dokkum van 29 augustus 1814 tot juni 1819. Hij was de zoon van Daam Johannis Fockema, mede-vroedschap te Dokkum, en Wijtske Higt, die te Dokkum trouwden op 12 april 1733. 

Een van zijn eigen zoons was Daam Fockema, een belangrijke jurist en Tweede Kamerlid van 1822-1834. 

20-3-1789 Johannes Fockema, burgemeester te Dokkum 
’7 sept. 1787 door de Magistraat en Vroedschap van Dokkum was gecommiteert, om met de Magistraat, benevens J. van Vliet, uit de vroedschap, G. Riemersma uit de Burger Bevelhebbers en I.K. Teijtsma uit het genoodschap, en A.M. Poutsma uit de Burger Sociteit te formeeren een Collegie ter defensie van Dokkum’. 
Hij heeft dat gedaan hoewel dat bij publicatie van 4-9-1787 verboden was. ‘Dat zij een groote verandering aan de Stadswallen hadden toegebragt, door het aanleggen van Batterijen, en het maaken van Borstweeringen, en daar kruid en koogels doen brengen’. De deurwaarder van het Hof, J.H. van Hateren met zijn dienders was buiten de Woudpoort tegengehouden, op 20 sept. ‘s morgens om 7 uur. 
Durk van der Werf die als officier de wacht had wilde de mannen wel binnenlaten. De presiderende burgemeester De Roos werd daardoor gedwongen de Magistraat bijeen te roepen. Van der Vliet en Teitsma staan er op de poorten gesloten te houden. Op initiatief van De Roos wordt echter besloten de poorten toch maar te openen. Fockema en anderen met hem willen dan niet instaan voor de gevolgen, ‘dat zou de hele zaak in de wapens roepen’. Men wordt het eens dat de deurwaarder er alleen ingelaten worden zal, maar die wil dat niet.
Het vonnis is dat Johannes Fockema “vervallen van zijn post van Burgemeester en Raad in de Vroedschap te Dokkum, voorts inhabil tot Lands of Stadsregeering.”

Bron: Rentmeestersrekeningen Dokkum/ pag. 61, Nammen fan Dokkumers ut earder tiid- R.S. Roarda


Johannes Fockema (fotocollectie Ryksargyf)

Johannes Fockema

 Posted by at 23:08
jun 012002
 

H. Zijlstra

(uit: Rare kostgangers in Dokkum en omliggende gemeenten door de eeuwen heen, W.Tsj. Vleer)

Wat Nanke uit Dokkum had uitgehaald blijkt niet uit het criminele sententieboek. Maar het Hof van Friesland had medelijden met hem ! Het wilde niet het strengste recht toepassen,ofschoon hij een flinke straf verdiend had. Maar de straf voor Nanke was volgens onze maatstaven toch onmenselijk en hard…

Nanke werd nl. veroordeeld om op de “brolbrugge geleidet te werden” (de Brol in Leeuwarden), waar de beul hem… de beide ogen moest uitsteken, om hem het gezicht te benemen.

Dat gebeurde in de zomer van 1517, het jaar dat Maarten Luther zijn stellingen spijkerde aan de Slotkerk te Wittenberg…..

Bron: Criminele Sententies, Hof van Friesland, 11.7.1517

 Posted by at 23:08
mei 012002
 

P.F. Visser
In het boek van Herma M. van den Berg over de monumenten van geschiedenis en kunst in de gemeente Kollumerland en Nieuw-kruisland staat op pagina 104 een afbeelding van “t Huys van de Heer Braak tusschen Westergeest en Kollum”, getekend door J. Gardenier Visscher.
Het is een wat vreemde plaatsaanduiding. Immers tussen Westergeest en Kollum ligt Oudwoude. Het huis zou dus of tussen Kollum en Oudwoude, danwel tussen Oudwoude en Westergeest moeten hebben gestaan. Naar thans wordt verondersteld moet het huis hebben gestaan ter plekke van de huidige tennisbanen aan wat nu de rand van Kollum is. Uit de verschillende belastingkohieren blijkt inderdaad dat Braak onder de klokslag van Kollum behoorde en wel in de Laanstercluft.
Mr. Andreae schrijft in zijn boek over de geschiedenis van Kollumerland c.a. dat Jan Braak in 1775 Abbema-sathe aankocht en op die plaats een nieuw herenhuis bouwde waar hij met zijn gezin ging wonen. Jan Braak was in dat jaar uit Batavia terug gekomen en had zich blijkens het lidmatenregister der Gereformeerde kerk laten inschrijven in Leeuwarden. Als geboren Kollumer zocht hij kennelijk een plek voor een met zijn omstandigheden overeenkomend huis in die plaats. Eenzelfde gedragslijn was ruim twintig jaar eerder gevolgd door Eyso de Wendt.

WIE WAS JAN BRAAK?
Hij werd gedoopt te Kollum op 5 april 1739 als zoon van Sijbren (Sybrandi) Braak. Moeder tot nu toe onbekend (Noot HZ: Trouwregister Hervormde gemeente Dokkum, 1738, DTB nr: 196, 1722 – 1743. Vermelding: Bevestiging huwelijk van 11 mei 1738, Dokkum. Man: Sybrandus Braak, Dokkum. Vrouw: Antje Itjens, Dokkum.) Hij vertrok naar Nederlands Oost-Indië en heeft daar geld verdiend.
Andreae spreekt over een aanzienlijk vermogen. Blijkens de Personele Goedschatting in de jaren na zijn terugkomst in Kollum wordt hij gewaardeerd op f. 20.000,=. Een niet gering bedrag in die tijd, maar dit vermogen staat in geen verhouding tot b.v. het vermogen van Eyso de Wendt, die ruim f.420.000,= naliet.
Andere echte vermogens uit die tijd waren in het Kollumerlandse dat van de erven van Scheltinga (f.168.000,=); H.L. van Heemstra [1740-1783] op Fogelsanghstate (f.69.956,=), en de bijzitter Fokke Hylkes Eskes [1696-1780] (f.51.500,=).
Over zijn activiteiten bij de V.O.C. waar hij in dienst was, zijn nog geen gegevens gepubliceerd. We moeten het doen met wat er in Kollumerland c.a. bekend is. In 1777 komt Jan Braak met zijn echtgenote, Margareta Yttema (Ittema), en hun in de Oost rond 1772 geboren zoon, Anthonie, vanuit Leeuwarden terug in Kollum.
Blijkens aantekeningen in de Collaterale Successie van Kollumerland c.a. moet Margaretha Yttema niet onbemiddeld zijn geweest. Na het overlijden van haar man, Jan Braak, op 9 september 1801 moet f.20.000,- Car.gld. worden uitgekeerd aan Yttje, Julius en Sicco Yttema, kinderen van wijlen Albertus Abraham Yttema. Ook is er een legaat van f.25.000,- Car.gld. waarvan 1/7 deel ad 3571.8.9 moet worden uitgekeerd aan Jan Kiers, predikant der Hervormde gemeente van Bornwerd en Hiaure.
Bij de omwenteling in 1795 werd Jan Braak aangesteld als secretaris van deze grietenij. Mogelijk was hij patriot. In deze positie maakte hij in 1797 het Kollumer oproer aan den lijve mee. Als lid van het gerecht van Kollumerland en Nieuwkruisland is hij nauw betrokken bij dit tumult.
Tot zijn overlijden in 1801 bleef hij deze functie uitoefenen. Hij voerde een behoorlijke staat blijkt uit de speciekohieren. De huishouding bestond doorgaans uit zes personen en het aantal paarden varieerde tussen 5 en 11.
Zijn enig bekend kind, Anthonie, huwde te Kollum op 22 september 1793 met Franske Ebbes Broersma. Dit echtpaar kreeg zeven kinderen, waarvan tot nu toe geen nageslacht werd gevonden. Verscheidene van hen overleden jong.
Anthonie, die commandant is van de plaatselijke militie, oefent volgens Jacques Kuiper in zijn artikel over het Kollumer oproer (Fryslân 3e jaargang nr. 1) een ware terreur uit in deze streek.
Gelet op de financiële middelen van zijn ouders zou men in die tijd mogen verwachten dat Anthonie, op welke wijze dan ook, het goed zou hebben gehad. Na de Franse tijd oefent hij het beroep van tapper uit en bij zijn overlijden blijkt niets meer van enige welstand.
Maar dan is er nog een probleem. Rond 1800 wordt er in Kollumerland c.a. een jongetje geboren dat door het leven zal gaan als Arend Jans Braak. Hij werd niet gedoopt. Pas bij zijn huwelijk in deze gemeente op 27 januari 1829 komen er enkele gegevens aan het licht. Arend is een natuurlijk kind van Aafke Arends en moet blijkens de huwelijksbijlagen in april 1800 te Burum zijn geboren. In zijn overlijdensakte (1857) wordt Oudwoude als geboorteplaats vermeld, echter dat kan ook zijn ingegeven door het feit dat hij op dat moment aldaar woonde.
Zijn moeder werd in Burum geboren op 22 april 1774 als dochter van Arent Hanja en Rinskje Sierts. In het register van naamsaanneming van de gemeente Kollumerland c.a. komen Arend noch zijn moeder voor. Hoe komt Arend aan de geslachtsnaam Braak en het patroniem Janszoon?
In de akte van notoiriteit (algemene bekendheid aan de hand van getuigenverklaringen) d.d. 7 okt. 1828, die bij zijn huwelijk werd overlegd, wordt vermeldt dat: de vader van requirant (Arend Jans Braak) onbekend is “vermits hij niet erkend is en buiten het huwelijk is geboren”.
Er woonde slechts één Jan Braak in Kollumerland c.a.! In zowel zijn huwelijksakte als die van zijn overlijden heet Arend: BRAAK.
Arend huwt op 27 februari 1829 in deze gemeente met Grietje Eilderts Weken, geb. Munnikezijl 1 sept. 1795 als dochter van Eildert (Egbert) Jans (Weken) en Tjitske Hendriks. Ze krijgen drie kinderen, allen zonen: Jan, Eeldert en Ate. Het ligt bijna voor de hand te veronderstellen dat de oudste zoon van Arend naar diens natuurlijke vader is genoemd. Een pleegvader is niet bekend. Aafke Arends bleef ongehuwd.
Op 24 mei 1787 overleed Margareta Yttema, de echtgenote van Jan Braak. Hij is dan 56 jaar. Is het slecht om de mogelijkheid open te houden dat Jan Braak voor zijn verwarming toenadering heeft gezocht tot Aafke Arends, bij de geboorte van haar zoon ongeveer 26 jaar oud en misschien dienstbode in “t Huys van de Heer Braak”? Het gevolg zou Arend (Jans Braak) geweest kunnen zijn.
Honni soit qui mal y pense!

 

 Posted by at 23:08
apr 012002
 

H. Zijlstra
In het maart 2002 nummer van De Sneuper staat een artikel dat gaat over de geschiedenis van de kerktoren en de klokken te Brantgum.
Hierin wordt het volgende gemeld over éen van de twee klokken: Het opschrift van die geroofde klok luidde: Jurien Ballthazar heft my ghegoten / Anno 1660 / Johannes Brunsvelt / Predikant aldaar / Piter Minnerda / Piter Willems kerkvoogden in Brantinghem /
Nu kwam ik over zijn broer Theodorus Brunsvelt een bizar verhaal tegen over zijn tijd als dominee te Aalsum -Wetsens (Wetzens). Zelden zal een dominee zo lang en zo structureel zijn tegengewerkt als deze man in het kleine terpdorpje in de buurt van Dokkum.
Lees over de gebeurtenissen op de website hier.

Ook staan er genealogische gegevens van de familie Bru(i)nsvelt online op deze site.

 Posted by at 23:08
mrt 012002
 

B.J. te Boekhorst

Een rinkelbel vervaardigt uit een gegraveerde zilveren penning met op de voorzijde een schip, en op de achterzijde het wapen van Dokkum. Op deze penning lezen we de initialen G:S, M:J, en G:J. 
Omdat deze rinkelbel/penning steeds familiebezit is geweest kon worden nagegaan dat deze zeer waarschijnlijk heeft toebehoord aan Geart Siesis/Geert Sytses/Geert Siedses die het beroep van scheepstimmerman uitoefende. Bij zijn overlijden was hij in het bezit van een scheepswerf te Leeuwarden. 
Geert Siedses trouwt op 2 januari 1785 te Dokkum met Emkjen Uilkes Bakker en neemt later als familienaam Van der Werf aan. Uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren: Sieds op 20 oktober 1785 te Birdaard, Martie op 6 maart 1787 te Birdaard, Uilke op 16 januari 1791 te Leeuwarden, Gertie op 6 juli 1794 te Leeuwarden, Johannes op 27 maart 1798. Blijkens de volkstelling van 1830 waren Sieds, Uilke en Johannes allen te Leeuwarden werkzaam als scheepstimmerman. 
De betekenis van de andere initialen (MJ en GJ) kon niet worden achterhaald. Gezien de overeenkomst tussen deze penning en een vergelijkbare penning is het zeer waarschijnlijk dat beiden hebben toebehoord aan scheepstimmerlieden.
Wie weet van wie de andere initialen zijn wordt verzocht dit te melden aan de redactie via email.


Gildepenning van Geert Sytses (1785)

Gildepenning van Geert Sytses uit 1785  Gildepenning van Geert Sytses uit 1785

 Posted by at 23:08
  1. Brief van Hotse van Sinderen in 1753 van Dokkum naar New Amsterdam (New York)
QR Code Business Card

Switch to our mobile site