dec 012001
 

Jan Beintema

Bij het horen van het woord ‘commune’ wordt vaak gedacht aan samenwoning van een aantal mensen. Déze commune bestaat uit 8 heren in de leeftijd van 40 tot 70 jaar, variërend in het beroep van medisch specialist tot boer (agrariër). In 1795 had de Franse overheerser al een extra heffing gelegd op de kerkelijke goederen, misschien wel om het protestantse noorden te straffen voor het verlaten van de moederkerk in Rome. Toen in 1797 weer eenzelfde maatregel werd afgekondigd, waren er 10 ingezetenen die f 1000,- bijeen brachten en 6 pondemaat land van de kerk kochten. Dit waren:

								gld.
		Jacobus Nicolaas Talma Ziema			125
		Tjalling Minzes					125
		Klaas Minnes					 50
		Baukjen Tomas, wed. Douwe Klazes		100
		Tomas Doedes					100
		Bote Tjeerds					100
		Melle Roelofs					100
		Geert Jans					100
		Jan Minnes					100
		Antony Jans Siccama				100


Voor die f 1000,- kochten ze 5 pondemaat land aan de noordkant van Engwierum, nu nog genoemd ‘het Allemantsje’ wegens verhuur als volkstuintjes, en 1 pondemaat op De Terp, tegenwoordig pastorietuin. De eerste jaren werd het aangekochte land in eigen beheer gebruikt. Er werden 2 leden aangewezen die het land bebouwden. De geteelde gewassen werden per opbod verkocht. De openbare verkoping werd met de trommelslager in Kollum en Dokkum aangekondigd. De opbrengsten van het land werden de eerste jaren gebruikt om de gestorte f 1000,- en de rente af te betalen.
Een opmerkelijke aantekening in het Communeboek is wel dat er in 1812 koolzaad werd geteeld dat f 500,- opbracht en de kosten waren f 220,-. De netto opbrengst van f 280,- was ¾ van de prijs van het aangekochte land. Door de aankoop van het land, dat behoorde tot de Pastoralia van de kerk (wat wil zeggen dat de opbrengsten voor de pastorie[=dominee] waren), kon de commune in 1814 ds. Florison, die een inkomstenbron miste, het achterstallige tractement uitbetalen.

In 1823 stelden 6 communeleden elk f 275,- beschikbaar om een nieuw orgel aan de kerk te schenken. Een bedrag van f 1675,- werd uitgeleend aan de commune tegen 3% per jaar. Hiermee kon de commune in 1823 een door de Gebr. Van Dam te Leeuwarden gebouwd orgel aan de kerk aanbieden. Het was vaak gebruik dat de commune geld leende van haar leden om land te kopen of voor andere grote uitgaven. Kon er niet aan de verplichting van rente en aflossing worden voldaan, dan werd er land verkocht.
Tot 1833 waren de kerken van Ee en Engwierum gecombineerd. De dominee woonde in Ee. In datzelfde jaar werd besloten tot splitsing van beide gemeenten. De commune schonk het pondemaat op de terp aan de kerk om er een nieuwe pastorie op te bouwen.
In 1835 werd er nog een perceeltje land bij gekocht en in bruikleen aan de pastorietuin toegevoegd.
In 1865 wordt deze grond aan de pastorie geschonken met de volgende toelichting: Daar de betrekking van Herder en Leeraar deezer Gemeente bij eventuele vacatures er meer begeerlijk en aannemelijk door zoude worden en de opoffering der Commune er uit de aard deezer zaak weinig door zoude veranderen. Dat deze gift in goede aarde viel, kan men lezen in de aantekening van 1865. Na deze vergadering werden de communeleden toegesproken door kerkvoogdmeester H.G.Veldman. Deze redevoering is in het communeboek opgetekend en beslaat 6 bladzijden.
In de vorige eeuw was er vooral tijdens droge zomers gebrek aan water.
In 1869 is er in opdracht van de commune een grote regenwaterbak bij de kerk aangelegd, waarin het regenwater van de kerk werd opgevangen. Tegen een kleine vergoeding stond die ten dienste van de dorpsbewoners. Dit heeft geduurd tot 1944 toen in Engwierum waterleiding werd aangelegd. Het pomphokje werd “de grutte bak” genoemd en stond op de hoek van De Buorren en It Lykpaad, dat toen alleen gebruikt kon worden voor fiets en benenwagen. “De grutte bak” was de vaste vergaderplaats van de Engwierumer jeugd. Hier werden de nieuwtjes uitgewisseld en de belevenissen van het weekend besproken. De oude “grutte bak” heeft, evenals de oude woningen aan De Buorren en It Lykpaad, de slopershamer niet overleefd. Op initiatief van Dorpsbelang Engwierum is op de oude plaats een reconstructie van “de grutte bak” gebouwd, maar door de grote ruimte waarin hij is geplaatst, valt hij niet op en is meer een sta-in-de-weg of dorpsurinoir dan een gebouwtje met traditie.

In de commune-aantekeningen van 1871 werd gesproken over de wenselijkheid om een catechisatiegebouw te stichten. Dit kon echter wegens te hoge kosten niet doorgaan. Wel werd besloten jaarlijks f 50,- te geven voor de lessen in de Bijbelse leer en geschiedenis. De bezittingen van de commune bestonden uit land, dat verhuurd werd. Waren de opbrengsten van het land goed dan bracht het een goede huur op. Zo niet, dan waren de inkomsten klein, wat inhield dat er weinig aan de kerk gedaan kon worden.
In 1880 hadden de huurders een slechte oogst en kregen 25% van de pachtprijs terug. In die jaren bestond de bijdrage van de commune aan de kerk meestal uit een tegemoetkoming in de kosten van onderhoud. In de aantekeningen van 1906 lezen we dat de commune een batig saldo had van f 13,10. Datzelfde jaar was een verzoek binnengekomen voor een bijdrage in de aanschaf van 2 kachels, één voor de kerk en één voor het catechisatie-lokaal, samen voor f 225,-. Eén van de leden was bereid f 250,- aan de commune te lenen. Dat de commune de kerk ook in andere dingen bijstond, blijkt uit de aantekeningen van 1927 toen er 2 urinoirs bij het Hervormd lokaal werden geplaatst.
In de tweede wereldoorlog was de klok uit de toren door de Duitse bezetters in beslag genomen en afgevoerd als grondstof voor de wapenindustrie. In 1947 stelde de commune f 1400,- beschikbaar voor een nieuwe klok, ook al omdat de oude klok uit 1870 door giften van communeleden was geplaatst.
In 1961 werd een gedeelte van het communeland verkocht aan de gemeente Oostdongeradeel voor de bouw van een chr. basisschool. Voor de commune was er toen weer extra geld vrij en daarvan zijn in 1963 koperen lichtkronen aan de kerk geschonken.
Na de oprichting van de commune werd er ieder jaar vergaderd. Eerst in het café te Engwierum, dat stond op de hoek van Dodingawei / Bakkersreed. De caféhouder van toen was Sjolle Marcus. Later, toen de familie Meirink lid werd van de commune, werd er vergaderd op Dokkumer Nieuwe Zijlen. Dit pand had voor de commune een zekere historie omdat er één van de oprichters had gewoond, nl. Anthony Jans Siccama, in leven schoolmeester en dorpsrechter te Engwierum en op Dokkumer Nieuwe Zijlen hoofd van de douane, die in dit pand gevestigd was. In de 70-er jaren begon ook de barcultuur in het noorden door te dringen, wat de commune haar vertrouwde vergaderplek kostte. Na enkele jaren van verschillende locaties werd in 1976 een vaste vergaderplek gevonden in paviljoen Toxopeus te Oostmahorn.

De animo onder de bevolking van Engwierum voor het huren van een volkstuin liep terug, zodat, toen er behoefte was aan bouwkavels in de particuliere sector, een gedeelte van het communeland is verkocht. Gezien de historie was het voor de communeleden een moeilijke beslissing om het land te verkopen, maar de doorslag gaf toch dat er zich 2 gezinnen in Engwierum vestigden. Door de verkoop van het land kwam de commune wat ruimer in de financiële middelen. Er kon meer geld worden besteed aan onderhoud van het kerkgebouw. Dat de commune door de kerkvoogden van de Hervormde kerk ook wel de ‘suikeroom’ wordt genoemd, is zeker op zijn plaats.
De laatste 20 jaar is voor f 80.000,- besteed aan het instandhouden van het kerkgebouw. Van de 10 oprichters van de commune zijn er nog 8 afstammelingen over. Het lidmaatschap gaat van vader op oudste zoon of man van oudste dochter, een enkele keer, maar dan wel met toestemming van de andere leden, naar een neef. Eén familie is sinds de oprichting dezelfde gebleven. Was Jacobus Nicolaas Talma Ziemma één van de oprichters, P.Talma is nu nog lid van de commune. Dit mag in een tijdsbestek van 200 jaar wel een bijzonderheid worden genoemd. Jammer genoeg zijn er door de jaren heen 2 staken afgevallen. Het zijn de na 1847 niet meer in de boeken voorkomende stam van Klaas Minnes Landstra. Het laatst is het communeboek getekend door Klaas Luitsen Landstra. En sinds 1899 is de staak Doornbos verdwenen. Dezen stamden af van de mede-oprichter Anthony Jans Siccama. Het laatst is het communeboek getekend door K.K.Doornbos en daarvoor door Anthony K.Doornbos, die zich ook wel Siccama Doornbos noemde.
De commune vergadert ieder jaar op de eerste zaterdag in mei en deze vergadering wordt door de leden trouw bezocht. Door vererving van het lidmaatschap wonen ze door het gehele land, maar door het unieke van de commune hebben ze er graag een lange reis voor over om deze in stand te houden. Na de zakelijke agenda van de vergadering wordt deze besloten met een maaltijd met de traditionele gebakken paling. Begin mei hoopt de commune haar 200-jarig bestaan te vieren en zal voor het eerst in haar bestaan naar buiten treden. Er zal een receptie voor genodigden worden gehouden en voor het eerst zullen de leden vergezeld worden door hun dames. De commune wil in één keer afrekenen met haar bijnaam: de ielfretters… 

 Posted by at 23:18

Burenplicht in Oosternijkerk

 Verhalen  Reageren uitgeschakeld
nov 192001
 

R. Tolsma

Op 5 april 1935 werd in het dorp Oosternijkerk in de gemeente Oostdongeradeel de begrafenisvereniging “De Laatste Eer” opgericht. Daarmee kwam er een eind aan een instelling die honderden jaren lang in dit dorp (en in vrijwel elk ander dorp) heeft bestaan: de Burenplicht. In het Fries zegt men “buorreplicht” terwijl het dialekt van de Noordoosthoek “boereplicht” heeft. Voortaan zou de nieuwe vereniging gaan verzorgen wat voor die tijd de plicht was van de buurlui van diegene die overleed of anderszins hulp nodig had. Zo is ook de naam “burenplicht” verklaard.(1)

De oudste gegevens betreffende begrafenisgebruiken in Oosternijkerk zelf zijn terug te vinden in de diakonieboeken(2) van de hervormde kerk. Ze zijn bewaard gebleven vanaf 1732 en al in 1736 komt het eerste, op schrift bewaarde, sterfgeval voor van iemand die door de diakonie werd onderhouden. In die tijd zorgde de diakonie niet alleen voor het weekgeld, het brood, de turf, medicijnen, de huishuur enz. van een bedeelde, maar moest de diakonie ook voor de begrafenis zorgen, een begrafenis waarvan de kosten uiteraard uitvoerig werden verantwoord in de rekeningboeken:

2 – 6 – ; (= 2 guldens, 6 stuivers, 0 penningen) “wegens ‘t bedienen in Roelofke Steffens doodsiekte”

8 – : – ; “wegens Roelofke Steffens doodkiste”

3 – 2 – ; “wegens ‘t graf maken van Roellofke Steffens en Hiltje Alberts graven”

7 – ; – ; “wegens een tonne 8-guldens-bier geleverd op de begravenisse en kistbestedinge van Hiltje Alberts

1 -16 – ; “weegens een geleverd laken tot een Bierkleed (=baarkleed) voor Hiltje Alberts”

4 -19 – ; “nog aan winkelwaren geleverd soo van Brandewijn Suiker Bier en Seep etc. in de doodsiekte, kistebesteden en begravenissen van Roelofke en Hiltje”

5 – 1 – ; Bier voor de kistbestedinge Roelofke”

1 -12 – : Laken tot een Bierkleed Roelofke”

Uit bovenstaande is op te maken dat niet alleen het leven maar ook het overlijden van een bedeelde de diakonie handen vol geld kostte. Toch missen er bepaalde posten in bovenstaande rekening die bij het overlijden van een persoon te verwachten zijn: het afleggen van de dode, het halen van de kist, het dragen naar het graf, het luiden van de klok, enz.

Dergelijke posten zullen ook niet in een rekenboek te vinden zijn omdat genoemde werkzaamheden onder de burenplicht vielen. Deze werkzaamheden zijn ook terug te vinden in het eerste officiële bericht dat over begrafenisgebruiken in de gemeente Oostdongeradeel bewaard is gebleven. Een van de bekende enquêtes die in de Franse Tijd door het Provinciaal bestuur naar de gemeenten werden gezonden gaat over het bestaande gebruik bij begrafenissen (3):

“Dat de gebruiken welke in deze Gemeente ten aanzien der Begravingen plaats hebben, hierin bestaan:

Dat de Lijken binnen de bij de Wet bepaalden tijd begraven worden, dat het dragen derzelve geschied door de naaste buurmannen zonder dat diesweegens eenige Kosten en Regten betaald worden, dog wort aan den Doodgraver ten zijnen voordeele voor ieder Lijk gewoonlijk betaald 28 stuivers”.

Dat deze burenplicht in Oosternijkerk ook werkelijk bestond in die tijd bewijst een citaat uit het diakonieboek van 1775: “5 – 3 -10 betaalt aan Wiltie Wilties wegens winkel-waren gebruikt voor de buuren in het waken bij Joostje Lieuwes en bij de begraffenisse”.(4)

Het waken, dragen, afleggen, het luiden van de klok en het aanbesteden en halen van de kist kostte het betreffende gezin niets, maar er werd wel verwacht dat de wakende buren van een natje en een droogje werden voorzien wanneer zij zich van hun plicht kweten.

Na de Franse Tijd

Helaas zijn er te weinig bronnen beschikbaar om de hele gang van zaken rond deze burenplicht te kunnen waarnemen. Interessant is bijvoorbeeld om te weten of iedere buur zich wel aan deze regels hield en wat er gedaan kon worden wanneer dat niet het geval was. We dienen ons intussen te waken voor een al te idealistisch beeld van de burenplicht. Van der Molen heeft aangetoond dat de burenplicht niet moet worden gezien als een “geheiligde traditie, gedragen door Hoogere Macht, elkaar bijstaan in nood en dood”, maar meer van “ik help jou en als ik hulp nodig heb, help jij mij”, geworteld in een traditie waarbij (boeren)gemeenschappen door familiebanden aan elkaar verbonden waren en op elkaar waren aangewezen.

Dat na (en soms al voor) 1800 een groot aantal gemeenten en steden overgaan tot het samenstellen van een Reglement op de Burenpligten wijst ook al op een niet helemaal vlekkeloos verlopen van de burenplicht, traditie of niet. Natuurlijk is het ook mogelijk dat de gemeente slechts bestaande gewoonten wil vastleggen, al geven enkele inleidende formuleringen te denken:

“In aanmerking nemende dat het meermalen zwarigheden heeft ontmoet bij sterfgevallen (…) het noodige aantal personen te doen opkomen…” (IJlst, 1840)

“Dog de begryppen op dat stuk, strydiger wordende dan in vorige tyden, hebben ten gevolgen twist, krakeel en scheuringen (Dokkum, 1774)

Hoe het ook zij op 3 oktober 1847 staat in het Raadsverslag van de gemeente Oostdongeradeel(5):

“In aanmerking genomen zijnde de noodzakelijkheid om een reglement omtrent de uitoefening der burenpligten in deze Grietenije daar te stellen, Is na gehoudene deliberatie vastgesteld navolgende Keur en Verordening”, waarna een reglement van 32 artikelen volgt. Het is ondoenlijk alle artikelen weer te geven, maar in het kort komt het hier op neer:

- het dorp wordt verdeeld in buurten welke de volgorde der buren aangeven;

- de buurt kiest een buurtmeester die de gang van zaken regelt;

- iedereen boven de 18 jaar is buurplichtig. Uitzonderingen: ouder dan 70 jaar, kraamvrouwen, familie, dienstboden en zieken;

- een vervanger sturen is mogelijk (maar dat zal niet bepaald bevorderlijk geweest zijn voor persoonlijke solidariteit, vooral als beter gesitueerden zich zo aan burenplichten onttrokken!);

- wanneer iemand van buiten het dorp overlijdt, is er ook burenplicht, maar kan een vergoeding van erfgenamen of armvoogdij worden gevraagd;

- de bewoners van het Armhuis zijn niet buurplichtig, maar kunnen ook geen burenhulp inroepen. De bewoners van het Armhuis moesten dus onder elkaar burenhulp verrichten;

- op het niet nakomen van burenplicht stonden geldboeten van 20 tot 50 cent (te verdelen onder diegenen die wel burenplicht deden). Het niet betalen van een boete aan de buurtmeester leidde tot het betalen van een boete van f 3,- aan de gemeentekas of een gevangenisstraf.

Het belangrijke artikel nummer 3:

“Iemand overlijdende zijn alle hoofden van huisgezinnen der buurt waartoe de overledene behoorde verpligt tot het doen van burendiensten en wel in deze voege:

a. De beide naaste buren (van elke zijde één) tot het rond- en aanzeggen aan de dienstpligtige buren, als van ouds, het besteden der kist, benevens het aangeven binnen drie dagen ter Secretarie.

b. De zes naaste buren (van elke zijde drie) de voren bedoelde twee er onder begrepen, tot het bekleeden en in de kist leggen van het lijk.

c. De acht naaste buren (van elke zijde vier) de zoo even bedoelde zes eronder begrepen, tot het halen en ten sterfhuize brengen der kist, en:

d. Zoovelen als de buurtmeester zal oordeelen tot het helpen ter aarde brengen van het lijk en het luiden der klokken, waar zulks niet door vast aangestelde personen geschiedt.

Zullende, wanneer het overlijden buiten de bebouwde kommen plaats heeft, het vervoeren van het lijk per as (…) worden geregeld.”

Van belang hierbij is de formulering “als van ouds” onder a wat er op duidt dat het doen van burenplicht in de dorpen van Oostdongeradeel van oudsher gewoonte was, waardoor het opmaken van dit “reglement op de burenpligten” door de gemeente het karakter krijgt van vastleggen/aanscherpen van iets wat al tijden her bestond. Misschien ook dat het opleggen van boeten, als stok achter de deur, nodig was geworden omdat steeds meer mensen zich aan deze burenplicht onttrokken.

Dat ook burenplicht gold bij ziekte vertelt artikel 25:

“In een huisgezin ziekte ontstaande, zal, zulks verlangd wordende, aan hetzelve door de naaste buren bij opvolging de noodige bijstand moeten worden verleend, zoo ten aanzien van het halen van Genees- en Heelmeester en van medicijnen, als van waken, enz.”

De eerste keer stelde de gemeente de buurtmeesters aan.(6) Uit deze lijst is op te maken dat vooraanstaande mensen gekozen werden. Voortaan zouden de buren zelf hun buurtmeesters en adjunktbuurtmeesters moeten kiezen. Dat dit niet gebeurde bewijzen de aantekeningen van de gemeenteraad uit 1853.(7) De burgemeester wil de buurplichtigen bijeenroepen in de dorpskerken om hen te wijzen op het naleven van het reglement, tevens wil hij inlichtingen inwinnen omtrent de werking van het reglement. Of dit gebeurd is, is niet bekend, wel zijn er in 1853 nieuwe registers gemaakt (zie aanhangsel).

Door de invoering van de nieuwe Gemeentewet in 1852 (8) kwam het reglement te vervallen omdat er geen aanpassing aan de nieuwe wet plaatsvond.

Reglement en werkelijkheid

Dit reglement laat zien hoe de burenplichten jarenlang geregeld waren, althans op papier. Hoe het in de praktijk werkte is moeilijk na te gaan. Navraag bij dorpsgenoten leverde de volgende feiten op:

1. Oosternijkerk is inderdaad verdeeld geweest in buurten. De buurt Bollingawier/Berghuizen en de buurt Lyts Ein, Trijehuzen en de zuidkant van De Buorren zijn nog bekend. In het oudste boek van De Laatste Eer wordt evenwel vermeld dat er 10 dragers, 5 klokluiders, 5 afleggers en 5 aflegsters waren. Dat wijst op het bestaan van vijf buurten en gaat men na waar de genoemde personen hebben gewoond dan komt men inderdaad op vijf buurten.

2. Er zijn zeker buurtmeesters in het dorp geweest, slechts de naam van Durk Piebes Haaijma is overgeleverd, maar het eerste jaarverslag van De Laatste Eer meldt:

“Zoals U bekend is, werd in het voorjaar van 1935, door eenige ingezetenen, na algemene vergadering en na gevormde Commissievergadering van het Bestuur en de Buurtmeesters der bestaande buurtschappen, definitief opgericht de begrafenis-vereeniging “De Laatste Eer”…”

3. Dat de buren van overledenen “boereplicht” moesten verrichten is ook nog bekend: het aangeven bij de Secretarie, het aanbesteden van de kist, het dragen, het luiden van de klok enz. Timmerman Simon Zijlstra maakte de doodskisten. Kwamen de buren om een kist te besteden dan werd er bijna altijd een (stevig) slokje op gedronken. Wat dat betreft was er nog niets veranderd sinds 1775!

4. De kist werd in de meeste gevallen met een gewone boeren-wagen, over het Lijkpad, naar het kerkhof gebracht, waarna de dragers in aktie kwamen. Er wordt gezegd dat sommige wagens zo van het land kwamen en vrijwel niet schoon gemaakt werden! Het eerste wat de nieuwe vereniging dan ook doet is de aanschaf van een rijdende baar bij Oostwoud uit Franeker voor een bedrag van f 254,80.

Daarmee is het hoofdstuk Burenplicht echter afgesloten en begint de geschiedenis van de begrafenisvereniging.

 Aanhangsel

Voor de ijverige “sneuper” naar familie- of dorpsgeschiedenis bevat artikel 2 van het reglement uit 1847 een belangrijke mededeling:

“Van deze verdeeling in buurten zullen door Grietman en Assessoren registers worden opgemaakt, de kadastrale sectie en nummer bevattende van de percelen, huizen of woningen tot iedere buurt behoorende, zoo mede de nummers van ieder derzelve”.

Jarenlang heb ik gemeend dat deze registers verloren waren gegaan, immers in de inventaris van de gemeente Oostdongeradeel zijn ze niet terug te vinden. Tot ik dit voorjaar eens rondneusde in een van de vele dozen “nog te inventariseren Oud Archief OD”. Daar vond ik plotseling de bedoelde registers, slechts het dorp Metslawier ontbrak, alle andere dorpen zijn compleet overgeleverd.

Wat is nu het belang van deze registers.

Met deze registers in de hand zijn de vroegere huisnummers van de dorpen gemakkelijk te reconstrueren omdat de kadastrale nummers genoemd worden.

 Staat er in een overlijdensakte bijvoorbeeld: “overleden te Nijkerk in huis 43″, dan is met behulp van het register het kadastrale nummer bekend: Nijkerk A 73.

Uit de kadastrale kaart van 1832 is op te maken dat hiermee het tegenwoordige huis De Buorren 8 bedoeld wordt, vroeger een smederij.

Op deze manier is in een handomdraai een huisnummer uit de vorige eeuw te traceren wat anders met veel moeite of in het geheel niet mogelijk was. Zelf ben ik jaren bezig geweest met het naspeuren van huisnummers verbonden aan een kadastraal nummer in het notarieel archief. Daardoor kon ik een gedeelte van het dorp reconstrueren, echter de buitengebieden zorgden voor onoverkomelijke problemen.

Met genoemde register in de hand heb ik mijn eerdere reconstructie gecorrigeerd en aangevuld.

 Noten:

1. Voor een overzicht aangaande de Burenplicht in Friesland, zie: S.J. van der Molen: Men zal de naasten bereid vinden, in De Vrije Fries 1964, bl. 28-62. Voor Dokkum: Over straten en straatnamen in Dokkum, C. Mulder, 1954, na bl. 33.

2. SAD, Arch. Ned. Herv. Gem. te Oosternijkerk, nummer 13

3. RAF, Arch. 8, BRF

4. SAD, Arch. Ned. Herv. Gem. nummer 14

5. SAD, Gem. Arch. Oostdongeradeel, nummer 243, bl. 24 ev

6. SAD, GAOD, nummer 292: 12-4-1849. De volgende personen werden in Oosternijkerk benoemd:

Buurtmeester/ Adjunct-buurtmeester:

Feije Dijkstra/ Wytze Wiegers Wiersma

Lieuwe Aukes Faber/ Jurjen Sweitzer

Jan Freerks Postmus/ Hendrik A. Simon

Menze Bakker/ Wigger Douwes Heerma

Bokke Meindertsma/ Pieter Gysberts Zijlstra

Anthony Blom/ Beert Wiersma

Jan Mames Hiemstra/ Douwe Kingma

Oorspronkelijk waren er zeven buurten, later teruggebracht tot vijf.

Reglementen op burenplichten in Westdongeradeel: 29-2-1848. In Dokkum op 12-3-1774.

7. SAD, GAOD, nummer.245: 22-8-1853. In de in het aanhangsel genoemde doos vond ik nog een tweetal aantekeningen van benoemingen van buurtmeesters uit latere tijd.

8. De Gemeentewet van 1851, art. 291 bepaalde dat alle bestaande verordeningen waarin boeten werden geëist binnen vijf jaar in overeenstemming met de nieuwe wet moesten worden gebracht. Deze aanpassing is niet gebeurd. Dat raakte bekend in de gemeente zoals de aantekeningen uit 1860 (14 juli, nummer 247) aangeven: “Ter vergadering in aanmerking genomen zijnde dat zich in deze Gemeente meer en meer de bekendheid openbaart dat het vroeger van kracht zijnde reglement op de burenpligten, tengevolge de Gemeentewet is vervallen”. Steeds meer mensen onttrekken zich er blijkbaar aan wat vooral de Armvoogdij op kosten jaagt. Nog een paar keer probeert B en W of GS er iets aan kan doen (16-11-1858 en 22-10-1860) maar deze vindt “geen reden om demarches te doen tot regeling van de zaak der burendiensten bij de wet”. Daarna was het gebeurd met de wettelijke regeling van de burenplichten alhoewel in de praktijk nog jarenlang de feitelijke regeling gebruikt is, het langst nog in de Zuidwesthoek van Friesland (nog in de vijftiger jaren werden onderlinge regelingen vernieuwd!).

Terug naar Voorwoord Register Buurplichtigen 1853 OOD

nov 012001
 

Wist u dat ? 
Bekende en minder bekende historische fenomenen die een relatie met de regio Noordoost Friesland hebben.

Pact van Dokkum: 
De Elfstedentocht 1940 kende 5 winnaars, die in Dokkum hadden afgesproken gezamenlijk te finishen. Toch ging het niet helemaal volgens afspraak. Lees de details.

Nynke fan Hichtum: 
Deze bekende kinderboekenschrijfster werd geboren in Nes (Westdongeradeel) op 13 februari 1860 als Sjoukje Bokma de Boer. Ze ging op school in Dokkum en trouwde later met Pieter Jelles Troelstra. Haar bekendste boek is Afke’s Tiental. In 2001 is een film verschenen over haar leven, getiteld ‘Nynke’. Lees de details, in het Fries

Piet Paaltjens: 
François Haverschmidt (1835-1894) is waarschijnlijk Nederland’s meest bekende literaire vertegenwoordiger van de Romantiek. Zijn bekende dichtbundel “Snikken en Grimlachjes” kwam uit in 1867. In 1859 werd Haverschmidt predikant in Foudgum en Raard.

Dokkumer koffie: 
Ingrediënten:
1 borrelglaasje Berenburg
koffie
twee grote theelepels bruine suiker
slagroom
Bereidingswijze:
Doe de bruine suiker in een mok of Dokkumer koffieglas (een Irish Coffee-glas mag ook). Voeg de Berenburg en daarna de koffie toe. Tot slot een flinke toef slagroom. Roer met een dessertlepel de suiker en berenburg door de koffie. Gebruik bv. Sonnema Berenburg (met 71 kruiden), ontstaan in 1860 in Dokkum door een ontwikkeling van de plaatselijke herbergier Fedde Sonnema.

It Dockumer Lokaeltsje
Dit was een lokale stoomtreinverbinding tussen Leeuwarden en Anjum, via Dokkum.

Ezonstad: 
Legendarische plaats, gelegen aan de monding van de Zuider-Ee en Lauwerszee, die volgens oude kronieken rond het jaar 803 gedeeltelijk zou zijn verzwolgen door een grote vloed en in 808 verder verwoest door de Noormannen. Eertijds zou op deze plek een kasteel hebben gestaan ter verdediging tegen aanvallen van de Vikingen. In ‘Fryske Plaknammen, deel XI, publikaesje fan it toponymysk wurkforbân fan de Fryske Akademy, septimber 1958′ is een uitgebreid artikel over Ezonstad verschenen onder de titel ‘Esonsted, leginde of wierheit ?’. Verder ook hier details.

De Friese Admiraliteit: 
Van 1596 tot 1645 was deze gevestigd in Dokkum, waar de schepen op de rede bij het nog bestaande Admiraliteitshuis (nu Streekmuseum) lagen. Door dichtslibbing van de monding werd het hoofdkantoor verplaatst naar Harlingen. Klik voor het volledige Notulen- en resolutieboek van het zeekantoor voor convoyen en licenten van 1599 hiervoor de details. En voor 1601 hier voor de details

 Posted by at 23:18
okt 012001
 

Reinder Tolsma

Eind januari 1933 was er zoveel ijs aanwezig in het Grootdiep te Dokkum dat de scheepvaart er hinder van ondervond. 
Op de voorgrond De Stad Dockum, een beurtschip dat in 1887 te Hoogezand werd gebouwd. Het wordt momenteel gerestaureerd en kan wel eens het oudste nog varend passagiersschip van Nederland zijn (zie ook De Sneuper 57, bl. 153)
Links zijn de panden te zien van de Diepswal ter hoogte van het Admiraliteitshuis. Op de achtergrond de contouren van de kettingbrug nabij de Halvemaanspoort, de toegang tot de Harddraversdijk richting Oostrum (zie De Sneuper 60, bl. 146)
Rechts is een fabriekspand te zien op het Zuiderbolwerk dat in de tachtiger jaren van de vorige eeuw schitterend gerestaureerd werd en nu in gebruik is als woonhuis. Vlak daarvoor is nog net een helling zichtbaar. Op deze plaats was voorheen de Admiraliteitshelling gevestigd.

De Stad Dockum in 1933 

Het beurtschip De<br />
Stad Dockum in 1933

In de Nieuwe Dockumer Courant van 16 januari 2002 stond het bericht dat de geheel gerestaureerde Stad Dockum op 21 juni 2002 mee zal doen aan de manifestatie Fryslan Vaart in Dokkum.
Het ruim 26 meter lange en bijna 4 meter brede vaartuig werd destijds voortgestuwd door een 12 pk stoommachine. Het verzorgde de beurtdiensten van Dokkum naar Groningen en van Driesum naar Leeuwarden. Tot 1922 waren de eigenaren o.a. H.T. Boersma en S. Kemp uit Dokkum. Dat jaar nam Jelte Kits samen met Jan Runia het schip over. In 1924 deed Tjalling Sipma uit Oudwoude mee voor 8000 gulden. Door zijn wanbetaling werd echter het schip bij opbod verkocht voor 4001 gulden in Hotel Van der Meer aan Kits.
Zijn kinderen verkochten het in 1832 aan de Leeuwarder ketelmaker Hendrik Jan van Duuren voor 2000 gulden. In 1946 koopt cafehouder Mintje Ferwerda uit Leeuwarden het weer voor 1000 gulden.
Na zijn overlijden in 1951 verkopen zijn erfgenamen het voor 8000 gulden aan de Leeuwarder schipper Sjouke Ferwerda. Het schip wordt tot 1991 gebruikt in de pleziervaart tot het voor 17.500 gulden aan beeldend kunstenaar Dorothea Maria van Vliet uit Den Bosch wordt verkocht. Drie jaar later verkoopt zij het weer aan een werf in Katwijk voor 10.000 gulden. Uiteindelijk wordt in 2000 de Stad Dockum door Hanze BV te Vinkeveen gekocht voor 58.750 gulden en in zijn oude luister hersteld.
Mevrouw Boersma te Dokkum is bezig met een uitgebreid historisch onderzoek naar het beurtschip.
Voor informatie over de in de oude staat herstelde Stad Dockum, click hier.

sep 012001
 

D.R. Wildeboer
Rond 1850 heerste er in ons land een besmettelijke longziekte onder het rundvee. We kunnen over deze ziekte lezen in de Leeuwarder Courant uit die tijd. Gedeputeerde Staten lieten wekelijks een publicatie plaatsen, waarin het aantal aangegeven ziektegevallen werd vermeld. Verder werd dan meegedeeld in welke gemeenten de ziekte voorkwam en de hoeveelheid runderen, die na toestemming van de eigenaar, waren gedood. In december 1851 waren al bijna 6000 koeien in Friesland op deze manier gedood en begraven. Evenals tegenwoordig was er een vergoedingsregeling van de overheid. Het was destijds de gewoonte dat de kadavers werden begraven in de wegen in en rondom de dorpen. Verder werden de erven van de boerderijen als begraafplaats gebruikt. Het opgraven van de beenderen en het verkopen ervan was echter verboden.

Ook het boek ‘Kroniek van een Friese boer’, dat aantekeningen bevat van Doeke Wygers Hellema te Wirdum, geeft informatie over het verloop van de rundveeziekte en het opgraven van beenderen. Op 24 maart 1842 schreef boer Hellema in zijn dagboek dat men in Engeland de gewoonte had om het bouwland met beenderen te bemesten. Een en ander had ten gevolg dat door ‘gemeene lieden’ in ons land op boerenerven, na toestemming van de boer, beenderen werden opgedolven van daar begraven kadavers. Deze botten waren afkomstig van gedood rundvee, dat in het verleden aan een besmettelijke ziekte had geleden. Via verscheidene handelaren kwamen ze dan uiteindelijk in Engeland terecht. Volgens Hellema was bij een boer in Wirdum voor een waarde van 80 gulden opgegraven. Ondanks het verbod werd hier kennelijk in 1842 niet tegen opgetreden.

Tien jaar later, in 1852, lag dat in Ferwerderadeel en Westdongeradeel heel anders. Ongeveer 140 personen uit Hallum, Ferwerd, Marrum, Blija en Holwerd werden in februari en maart door een veldwachter op de bon geslingerd.
De rechterlijke instanties konden wat sneller uit de voeten dan heden ten dage, want voor 1 april 1852 waren alle overtreders al veroordeeld. De beklaagden verklaarden op de rechtszitting dat ze het hadden gedaan uit armoede. Ze werden allemaal veroordeeld tot twee of vier dagen gevangenisstraf ter zake van:’het opdelven van beenderen of andere dierlijke overblijfselen, mitsgaders het verkopen en verbruiken van de alzo opgedolven voorwerpen’.
Het was de overtreding van een verbod ingesteld bij Koninklijk Besluit van 16 juli 1839. Naast de gevangenisstraf moesten de veroordeelden ook nog de kosten van het proces betalen, welke bedragen varieerden van twee tot acht gulden.

Het valt op dat er veel minderjarigen onder de overtreders waren. Zelfs voor Cornelis Sijtses Zoodsma uit Marrum, nog maar 10 jaar oud, was geen pardon. Evenals de rest moest hij 4 dagen de bak in. De rechtbank oordeelde echter dat de minderjarigen hadden gehandeld met oordeel des onderscheids. Met andere woorden: ze hadden kunnen weten dat het niet mocht. Dit standpunt van de Arrondissementsrechtbank van Leeuwarden in 1852 komt ons anno 1998 wel heel hard en onbarmhartig over.

Inmiddels zijn wij ruim 4 generaties verder in de tijd gekomen. Het is niet onmogelijk dat deze gebeurtenis nog bij overlevering rondom Ferwerd bekend is. Een reactie zou ‘nijsgjirrich’ zijn.

Gestraften kwamen uit de volgende plaatsen: Ferwerd, Birdaard, Blija, Marrum, Holwerd, Genum, Nijkerk (Westernijkerk ?), Wierum, Aalzum, Bergum, Hogebeintum, Waaxens, Visvliet, Leeuwarden, Hallum, en Wanswerd.

Gegevens over Leeftijd in 1852, Geboorteplaats, Woonplaats, aantal dagen straf etc. zijn voor leden van de Vereniging van Archiefonderzoekers te Dokkum op te vragen via email van de redactie.
Niet-leden kunnen een los exemplaar van Sneuper no. 49 bestellen.

Veroordeeld werden de volgende personen: (Met dank aan Han Hietkamp te Drachten, die de vonnissen op het Ryksargyf Fryslan ontdekte. Met zijn toestemming werd van de gegevens voor dit artikele gebruik gemaakt).

Naam

André Andries Roelofs
André Antje Andries
André Harmen Hendriks
André Hendrik Andries
Beintema Wytske Ates wed.
Bekema Lieuwe Sjoerds
Boonstra Saakje Cornelis
Braaksma Dieuwkje Joppes
Brandsma Jenne Oebeles
Brons Egbert Hendriks
Burmania Klaas Jans
Buwalda Willem Pieters
Dijk Hendrik Taekes van
Dijk Jurjen Joukes van
Dijkstra Anne Douwes
Dijkstra Jan Reitses
Dijkstra Reitse Wijbes
Dorhout Antje x B.J. Spoelstra
Dorhout- van Dijk wed. Tjitske
Dreijer Aris Aris
Dreijer Aris Arjens
Dreijer Aris Pieters
Drost Gerben Jans
Engbrinkhof Bokke Martens
Feenstra- vd Ploeg Albertje Tj.
Fennema Cornelis Pieters
Fennema Klaas Heeres
Ferwerda Thijs Klazes
Folkertsma Harmen Johannes
Folkertsma Johannes Eeltjes
Folkertsma Klaas Eeltjes
Folkertsma-de Jong Wopkje S.
Glas Dirk Gribberts
Glas Hendrik Jans
Glas Jan Jans
Glas Jan Jeens
Grevenstein - Zuidema Saekje
Haan Pieter de
Hamstra Anne Geerts
Hansma Gosse Johannes
Hansma Johannes Dirks
Havinga Hendrik Jans
Havinga Lyckle Jans
Hellinga Feike Annes
Hoekstra Andrieske Taekes
Hoekstra Harmen Jentjes
Hoekstra-Nijp Jantje Christ.
Holwerda Eeltje Klazes
Jansma Nutterd Jans
Jong Jacob Sjoerds de
Jong Jan Sjoerds de
Jong Sjouke Sjoerds de
Jong Ysbrand Sjoerds de
Jongsma Hendrik Jans
Jonkman Cornelis Nannes
Klaverda-Ferwerda Lieuwkje
Kamminga Jan Pieters
Kamminga Pieter Pieters
Kloosterman Hendrik Dirks
Knijff Johannes Sijtses
Knijff Keimpe Joekes
Kooistra Willem Willems
Kooistra-Grevenstein Saapkje
Krans Froukje Wijtses
Lepstra Tjerk Feitses
Meij Gerrit Jurjens vd
Minnema Einte Jans
Minnema-Hoekstra Aaltje P.
Nijp Anne Christoffels
Nijp Gerrit Doekes
Nijp Jacobus Doekes
Nijp Jan Doekes
Noorderbaan Frans Jans
Osinga Jacob Theunis
Pasma Andries Jans
Ploeg Cornelis vd
Ploeg Jan Tjenis vd
Ploeg Tjeerd Alderts vd
Popma Tjitske Johannes
Postma Eibert Eiberts
Postma Pieter Pieters
Postma Rinse Rinses
Postma-Bouma Jantje Sijmens
Reitsma Anne Dirks
Reitsma Dirk Annes
Rekkema Wieger
Rijn Antoon Dirks van
Rijpstra Jitse Franzens
Ruiter Gerrit Harmens de
Ruiter Harmen Hendriks de
Sloot Dirk Lieuwes
Speulstra Jan Lieuwes
Staal Anne Jacobs
Staal Sipke Annes
Steensma (Stienstra) Pieter S.
Sterk Cornelis Douwes
Talma Johannes Johannes
Teitsma Gerben Pieters
Teitsma Tjisse Pieters
Tepper Hendrik Jans
Tijnje Jan
Veenstra Tjisse Harings
Veldema Hans Franzes
Veldema Hendrik Klazes
Veldema Jan Lammerts
Veldema Wiebe Lammerts
Veldema Tiede Franzens
Vellinga Anne Klazes
Vellinga Folkert Jans
Vis Gosse Gerrits
Visser Dirk
Visser Eeltje Eintes
Visser Gosse Gerrits
Visser Pieter Benes
Vlietstra Hendrik Jelmers
Vlietstra Rinskje Jelmers
Voersma Hendrik Jinses
Vries Dirk Sijmens de
Vries Johannes Johannes
Vries Sake Sijtses
Vries Sjoerdje Jans de
Vries Tiete Popes de
Vries Ysbrand Wijtses de
Vries-Ferwerda Bottje Jans de
Wagenaar Hendrik Mients
Wal Douwe Tijssen de
Wal Renske van der
Wiebinga Sipke Everts
Wieringa Cornelis Klazes
Wierstra Jacob Jacobs
Ynia Janke x J.E. Boersma
Zeilstra Anne Hendriks
Zeilstra Broer Hendriks
Zoodsma Cornelis Sijtses
Zoodsma Jan Valentijn
Zoodsma Sijtse Jacobs
Zwart Hiltje Martens
Zwart Klaas Ruurds
Zwart Pieter Martens

 

 Posted by at 23:18
aug 012001
 

S.H. Tiesma

Kruimeldiefstallen en de pittige bestraffing daarvan.

Armoede brengt mensen soms tot de bedelstaf maar verleidt mensen ook wel tot het plegen van kruimeldiefstallen. Dit bleek mij o.a. uit een onderzoekje gedaan in het Rijks Archief te Leeuwarden. Naar hedendaagse normen waren de overtredingen gering en de straffen onevenredig fors.

Enkele voorbeelden uit 1847: Een zekere Janke Dirks van der Veer, oud 65 jaar, dagloonersche, wordt wegens diefstal van aardappelen in den avond van 6 october 1847 op het land van Johannes Tabes Annema, landbouwer te Rinsumageest, veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden.
Op 3 september 1847 stal Pietje Wybes Bergsma, oud 26 jaar, zonder beroep en zonder vaste woonplaats een paar kousen; veroordeling: gevangenisstraf van 2 jaar !

Een min of meer willekeurige opsomming van misdrijven en straffen uit 1880 geeft het volgende beeld:

Diefstal van: Straf:

Een varkenskop: 183 dagen gevangenisstraf
Een schaap: 3 maanden
Een konijn: 183 dagen
Turf: 7 dagen
2 krentenbroden, door jongens van 14 en 15 jaar: 2 jaar en verbeterhuis
Zout: 3 maanden
2 kousen: 1 maand
1 vaatje vet: 183 dagen
Zeemleren lap: 14 dagen
1 geitevel: 1 maand
1 vrouwenhemd: 14 dagen
1 kat: 1 maand
1 roggebrood dmv inklimming: 2 jaar

Of alle diefstal uit armoede geschiedde is echter de vraag. Af en toe zal ‘wraakneming’ of ‘plagerij’ de drijfveer zijn geweest. Want de kat: is die gestolen om verorberd te worden of om te worden verkocht; of….?

Een mooie website met als onderwerp de erbarmelijke woontoestanden in het Groningse Westerwolde in het begin van de vorige eeuw vindt u hier.

 Posted by at 23:18
jul 012001
 

overgetikt door Henk Zomer, Parklaan 21, 3701 CE Zeist

Inleidingen uit een schrift van Jurjen Jan Ronner. Op het etiket van het schrift staat:
Hier is, wat ik thans vinden kan. Een rommeltje. Mag ik de vodden, als gij ze gebruikt hebt, terug? Achtend, Uw Vr. J.J. Ronner.
Kennelijk had hij dit schrift uitgeleend aan een vriend.

Inhoudsopgave:
Lezing over christelijk onderwijs
Was de “Afzwering van Filips” gewettigd?
De taak der ouders in de school opvoeding
Iets over Abraham Meyer

Een lezing voor de ledenvergadering van een schoolvereniging.

Geachte Vrienden, ouders mijner schoolkinderen en andere leden onzer vereniging.

Tot mijn spijt kan ik mijn voornemen van het (?) niet uitvoeren. Misschien herinnert ge het u nog, dat ik een vorige maal beproefd heb, u duidelijk te maken, dat de school een plaats is, waar de kinderen komen om te leren, dus een leerplaats. Wat de kinderen moeten leeren, zou dus nu moeten volgen. En ge begrijpt, dat het voor mij aangenaam zou geweest zijn, waar te toonen, dat de “loffelijkheden des Heeren” aan onze kinderen te vermelden het voornaamste deel en doel van ons onderwijs moet zijn. Dit kan echter thans niet gebeuren. Vele andere bezigheden namen de tijd in beslag en de “booze leerplichtwet” was ons niet uit gedachten. Dus komt meester al weer aandragen met die oude lelijke knol van minister Borgesius? Denkt misschien een enkele. Toch niet vrienden. Wij laten hem op stal staan. Belanghebbenden hebben hiervan reeds het een en ander gehoord en enkele onwilligen zullen er meer van hooren. Toch wil ik iets in het midden brengen, dat hieruit voortvloeit en wel deze vraag:

Wat is de taak der overheid in de opvoeding des volks?
Dat iedere natie, en dus ook ons volk moet opgevoed worden, stemt ieder toe. Evenzeer erkennen wij, dat het een gunst van God is een overheid te hebben. Nu ga ik van de veronderstelling uit, dat ook de overheid aan die opvoering mee moet werken. Het komt er nu maar ook aan te weten, wat zij wel, wat ze niet mag doen. Beginnen wij van achteren: wat maar de overheid niet doen?

Onze regering bouwt scholen, onderhoudt ze, benoemt onderwijzers, schrijft voor welke vakken onderwezen moeten worden enz.
Met welk recht doet ze dit? Is er misschien een goddelijk gebod waarop dit recht steunt?
Het antwoord hierop kan kort zijn. In onzen ganschen Bijbel is het niet te vinden. Wel zegt de Heilige Schrift: Gij ouders, voedt uw kinderen op in de leer en vermaning des Heeren.

Bij Israël was dan ook van Staatsonderwijs geen sprake. Ook de oude Christelijke kerk beschouwde de opvoeding als eene zaak van het huisgezin. Zelfs de kerk als zodanig bemoeide er zich niet mee, maar liet hij het aan de ouders over. Heidensche Romeinsche keizers zijn met Staatsonderwijs begonnen en toen andere keizers tot het Christendom overgingen, kwam bij de Christelijke Staatskerk ook de bemoeing dier keizers met het onderwijs. Maar op een gebod Gods kan niemand zich beroepen ter verdediging van Staatsonderwijs.

2. Nu moeten wij toegeven, dat voor alle dingen geen rechtstreekchs gebod Gods is. In den Bijbel is ook niet aan de regeering geboden om dijken aan te leggen en kanalen te graven, en toch zijn we het er allen over eens, dat het wel degelijk tot het werk der Overheid behoort. Wij zeggen dan plat: dit is van zelf, dat zij het doen moet. Wij bedoelen er mee, dat hiertoe geen gebod vereischt wordt en dat de regeering haren plicht zou verzuimen, indien zij dit naliet.

Een voorbeeld, om dit duidelijk te maken. Moet er een gebod Gods wezen voor de ouders om hun kinderen lief te hebben? Moet er een bevel des Heeren zijn voor de moeders om hunne kinderen te zoogen? Immers neen, de natuur leert het. Als het nu evenzoo in de natuur der overheid lag om onderwijs te geven, dan zou het staats onderwijs bij de oude volken ook regel moeten zijn geweest. En dit is zoo niet. Geleerden vertellen ons, dat het als uitzondering bij enkele volken een korten tijd heeft bestaan. Maar de hoogst ontwikkelde volken, zoals de oude Atheners bij wie ook Paulus het evangelie heeft gebracht, erkenden, dat de vrije vorming van de mensch voor de burgerij de beste was.

3. Nu zijn er echter ook menschen, die beweren, dat overheid doen en laten mag wat zij verkiest, omdat zij overheid is.

Mag ik dit even toelichten. Gij zijt vader. Moogt gij nu doen met uwe kinderen, wat gij wilt? Immers neen. Gods Woord zegt u, wat ge moet doen, maar verbiedt u immers ook dingen. Er staat: Gij vaders, verwekt u kinderen niet tot toorn, maar voed ze op de lering en vermaning des Heeren. Zo nu staat hij het ook met de overheid, het ene moet ze doen, het andere mag ze even beslist niet. De naam duidt haar werk gaan. Wij spreken over de overheid, de regering, de gestelde machten, magistraten enz. Al deze naam spreken van een hoogheid, bestuur, meerderheid over anderen. Maar wie ter wereld is zo knap, om er uit te lezen of te begrijpen, dat het betekent: opvoeders of onderwijzers. Neen regeren, wetten uitvaardigen, dwingen als het moet, dat moet de overheid. Maar als zij voor schoolmeester gaat spelen, neemt ze de ouders het werk uit handen en roepen wij haar toe: schoenmaker, blijft bij je leest.

4. Nu bestaat er echter nog eene mogelijkheid. Het kan zijn, dat men goed gevonden had, de Staat onderwijs te doen geven, voor bepaalde tijd. Dan zou het niet verkeerd zijn. Al weer een beeld. In sommige kerken heeft men gewone, particuliere, om ongestudeerde mannen aangesteld om in de gemeente voor te gaan. Dit kon tijdelijk. Maar als er nu meer candidaten in de theologie zijn, mag men niet zeggen: wij hebben dat vroeger zoo goed gevonden, dus blijft het zoo, maar nu moet erkend: oefenaars waren noodhulpen; het Woord bedienen is het werk der predikanten. Zoo ook met de Overheid op dit terrein. Stel in een dorp verwaarloosden al de ouders hunne roeping; ja veronderstel in een geheele provincie; dan moest de staat tijdelijk doen wat de plicht der ouders was. Maar ook, zodra de ouders zich van hun verplichte bewust werden, de handen weer terug trekken.

Zo denken er echter de voorstanders van de staatsschool niet over. Zij willen de school van de Staat als regel stellen; zij willen het kind aan de macht der ouders onttrekken, zij willen een opvoeding, met het stempel van de Staat erop.

Voor enkele maanden werd door een openbaar onderwijzer een referaat voorgelezen in een publieke vergadering over dit onderwerp: Het is van belang voor de opvoeding der jeugd, dat de onderwijzer onafhankelijke staat tegenover de ouders de kinderen. Daarom moet de onderwijzer door een hogere macht worden aangesteld en ontslagen.
De onderwijzers der openbare scholen gevoelen wel, dat zij het vertrouwen der ouders missen; daarom moeten zijn door de sterke arm worden gehandhaafd.
Wij hebben dan gehoord, dat de staat het recht mist onderwijs te geven. Immers: a. Er is geen Goddelijk gebod voor; b. Het vloeit niet uit de natuurwetten voort; c. haar werk is regeren, niet onderwijzen; d. Tijdelijk, als noodhulp kan het, maar het mag niet bestendigd worden.

Nu moeten wij nog een antwoord geven op de vraag: wat maar de overheid dan wel doen in het werk de opvoeding?
Kort en bondig zou ik zeggen: de regering moet de opvoeding des volks bevorderen en steunen.
Onze regering moet van het beginsel uitgaan, dat de auteurs de verantwoordelijke opvoeders zijn. Dit werk der opvoeding kan zij in haar wetten bevorderen en beschermen. Nemen we om u dit duidelijk te maken een voorbeeld uit het heidensche Athene, waar geen overheidsschool, geen leerplicht, zelfs geen geexamineerde onderwijzers waren. In de wetten van die staat was bepaald, dat iedere burger zijn zonen behoorlijk moest laten onderwijzen. Ouders die dit nalieten, verloren het recht, op hun ouden dag van hunne kinderen ondersteuning te eischen.

Een andere verordeningen luidde: geen school mag voor zonsopgang door de onderwijzer geopend worden, na zonsondergang moeten alle scholen gesloten zijn. Op heidensch standpunt was die eerste wet lang niet zo kwaad en deze laatste bepaling zou ook bij ons nog niet zo verkeerd zijn.

In de tweede plaats rust op de Staat de verplichting, het onderwijs van bevorderen te steunen. Laten wij elkander op dit punt goed verstaan. Wij menschen vormen samen de maatschappij. Het maatschappelijk leven moeten wij samen betalen. Nu stelt de tegenwoordige tijd aan het onderwijs zulke hooge eischen, dat vele ouders de kostenden prijs niet kunnen betalen. Voor die onvermogenden moet de staat bijspringen. Ook nu geschiedt dit reeds eenigszins ofschoon m.i. op een verkeerde wijze.

Onze school bijvoorbeeld kost jaarlijks ƒ2000. Hiervan betaalt de regering ƒ700, blijft ƒ1200. Reken het aantal kinderen op 130 en ge krijgt een schoolgeld van ƒ10 per kind of 20c per kind per week!

Nu zijn hier vele ouders, die meenen, dat wanneer zij 20c. schoolgeld betalen, zij alles zelf doen. Maar ge begrijpt, dat dit niet waar is. Wel weet ik, dat deze regeling gemaakt is ter wille van de middelklassen, maar dit neemt het feit niet weg, dat een ieder, die slechts 20 c. schoolgeld betaald, reeds bijstand van de Staat ontvangt. De kostende prijs van het onderwijs aan onze school is niet het 130-e deel van ƒ1300 maar van ƒ2000 dus ruim ƒ15 per jaar of nog meer dan 30 c per kind en per week.

Laat mij hier nu nog bij voegen, dat onze school in vergelijking met andere christelijke scholen niet duur werkt, en dat onze christelijke scholen in het algemeen zich o zoo moeten behelpen als wij ze naast de openbare scholen plaatsen, dan begrijpt ge wel, vrienden, dat ik niet te veel zeg, als ik beweer, dat goed onderwijs niet door ieder hoofd voor hoofd kan betaald worden. Wat ik dan zou willen? Wel dit: laat over het geheele land bepaald worden, want de kostende prijs van het onderwijs is, zeg ƒ30 per kind. Laat nu iedere ouder, die zulks kan, de kostende prijs betalen. Zegt dat er, over het geheele land gerekend, van de 100 ouders 30 dat kunnen doen; verdeel dan die andere 70 van de 100, in 7 klassen, waarvan de laagste 5 c per week geeft. Ieder, die nu minder dan het volle bedrag gaf, kom daarvan bewijs ontvangen. Op vertoon van dit bewijs zou bijv. de rijksontvanger aan het schoolbestuur kunnen uitkeeren, wat de ouders te min betaald hadden, en de zaak was in orde.

Misschien zijn er leden onzer vereeniging, die de zaak ietwat vreemd in de ooren klinkt. Is dit het geval, mij dunkt, dan ware het niet verkeerd, dat er straks gelegenheid wierd gegeven om vragen hierover te doen, opdat we elkaar niet verkeerd verstaan en dus verkeerd beoordelen.

Deze zaak zit nu eenmaal zo. Goed onderwijs is in de zaak, waarbij heel de natie belang heeft. Zoowel zij, die kinderen hebben, als zij, die dit voorrecht missen. En nu is de goede regel in het maatschappelijk leven toch deze, dat wij bijdragen tot datgene, waarbij wij zijn betrokken. Nu is het waar, dat ook de kerken belang, groot belang, bij het onderwijs hebben en die zouden dus ook kunnen bijdragen. Toch gaat dit niet. In de eerste plaats zijn de meeste kerken zo arm, dat zij hare verplichtingen niet kunnen nakomen. In de tweede plaats zijn er in Nederland duizenden, die tot geen enkele kerk behoren en dus ook niet zouden bijdragen, wat onbillijk is. Die onverschilligen, waaronder vele rijken, zouden vrijgesteld zijn bij te dragen voor het maatschappelijk belang van allen.

En hiermee ben ik aan het einde. Ik hoop, dat u duidelijk geworden is, wat de plicht van de staat is in het werk van de nationale opvoeding. De regeering zal behalve de geldelijke bijdrage, toezicht moeten houden hierop, dat niets tegen de gestelde machten of tegen de goede zeden geleerd wordt. Het beginsel moet zijn vrij laten. De ouders moeten het roer in handen hebben. En dan, vrienden, vertrouwen wij, dat het Staatsonderwijs zal vallen. Het onderwijs tegen Gods Woord in kan geen stand houden. En wij Christenen, mogen niet rusten voor er in iedere plaats van ons vaderland eene school verezen is, welke steeunt op de bodem de Heilige Schrift.

Terug naar inhoudsopgave

Was de “Afzwering van Filips” gewettigd?

Op één van onze vergaderingen in het vorige jaar kwam deze vraag ter sprake. Niet één onzer heeft nog getracht een antwoord er op te geven, en toch is de vraag belangrijk genoeg. Zoo nu en dan kwam ze mij eens in de gedachte, maar voor mijn eigen bewustzijn kon ik de zaak niet helder als glas krijgen. Zeker had ik mij dan ook heden niet op glad ijs gewaagd, als ik niet met vrij grote zekerheid geweten had, dat één der broeders vandaag niet in de gelegenheid zou wezen zijn beloofd opstel ten beste te geven. Gedeeltelijk in deze leemte te voorzien is het doel van mijn gevaarlijke toer.

De overheid is “dienaresse “Gods”. Als wij dit lezen, leggen wij graag de klemtoon op het laatste woord.

Het eerste woord “dienaresse” zegt ons, dat de Overheid onderdaan van God is; zij is verantwoordelijk voor de eere van Gods recht is onder het volk, maar ook voor de welzijn van het volk, waarover God haar het bewind heeft toevertrouwd.

Doordat de overheid dienaresse van God is, is zij met macht bekleed. Nu is echter niet alleen de overheid onderdaan van God, ook het volk in zijn geheel is dat. [De Heer onze God heeft dus onderdanen en de overheid heeft onderdanen.] Echter moet het volk aan den Heer in meer gevallen onderdanig zijn dan aan de regering. Hieruit volgt, dat het begrip “onderdaan van de overheid” nogal begrensd is.

Het volk is gehouden zich als onderdaan van de door God gestelde overheid te gedragen. Wordt dus eene rechtsbepaling door de overheid gesanctioneerd, dan is dat voor de onderdaan een wet. Echter evenzeer is elke burger geroepen naar de ordonnantiën des Heren te leven. Hieruit kan botsing ontstaan. De overheid kan de wet gaan stellen buiten haar afgebakend terrein, of ook, ze kan in haar kring den burger dwingen iets te doen, wat tegen zijn “onderdaan zijn” van de Hoogste Koning indruischt. Hieruit volgt, dat op de onderdaan de plicht rust:

1e: om de teugel, dien hij in zijne constitutioneele rechten en vrijheden in handen heeft, niet slap te laten hangen.

2e: om in lijdelijk verzet gehoorzaamheid te weigeren, wanneer de Overheid iets gebiedt, dat tegen de gehoorzaamheid, die wij aan God verschuldigd zijn, ingaat.

Mij dunkt, vrienden, dat het punt in kwestie herleid mag worden tot de vraag: Is het een onderdaan geoorloofd zich te verzetten. Immers, mag hij dit niet, dan kan er van afzwering nimmer sprake zijn. Is het wel geoorloofd, dan moet een volhardend verzet op de strijd en afzwering eindigen. De H.S. (Heilige Schrift) leert ons, dat God de koningen der aarde vreeselijk is. d.w.z. dat de Heere de vorsten straft. Dit kan natuurlijk op verschillende wijze geschieden. Een der wijzen is de opstand der volks.

Terug naar inhoudsopgave

De taak der ouders in de school opvoeding

Een avond als deze, een ouderenavond, stemt mij altijd tot vreugde. ‘t Is mij een voorrecht de ouders mijner leerlingen te mogen begroeten en toe te spreken. [Door verschillende oorzaken zien en ontmoeten wij elkander te weinig. De groote uitgestrektheid naar 't oosten en 't westen en de drukke veldarbeid gedurende een 7 tal maanden zijn beletselen.] Eerlijk gezegd was ik dan ook heel blij, toen voor 14 dagen door onze schoolvereeniging besloten werd een ouderenavond te houden. Waarom? Om meer dan ééne reden. Vooreerst moeten wij, die aan dezelfde taak arbeiden, elkaar leren kennen, opdat er saamwerking zij.

Als gij uw een akker bearbeidt of in huis uw werk verricht door meer dan een persoon, zorgt ge er wel degelijk voor, dat de een de ander helpt of aanvult. Ge ploegt, ge egt, ge bemest, ge bepoot uwen akker naar een vaste plan. Als ge een kledingstuk vervaardigt, knipt de één en de ander naait het. Maar stel nu eens, dat ge zelf een deel van uwen akker bezaaid hadt, en de rest door een ander moest worden verricht, zou het dan niet noodig kunnen zijn, dat ge even meegingt om aan te wijzen, hoever ge waart en ook even te zeggen, wat en hoeveel erin moest? Anders zal het kunnen gebeuren, dat hetzelfde deel van het land voor de tweede maal bearbeid en bezaaid werd, terwijl een ander deel vergeten wierd.

Er moet dus samenwerking wezen tusschen huis en school. Waar ouders en onderwijzers aan dezelfde draad spinnen, moeten zijn die draad niet noodeloos afbreken.

Het allerbeste middel voor die saamwerking zal wel wezen het huisbezoek. Immers, dan leert de onderwijzer de ouders en de ouders leeren de onderwijzer kennen. De ouders kunnen de onderwijzer nauwkeurig inlichten omtrent hun kroost. Lichamelijke zwakheden en gebreken, waarmee rekening gehouden moet worden, alsook de karaktereigenschappen kunnen besproken worden. Als de onderwijzer bij zoo’n huisbezoek zijn ogen niet geheel en al dicht heeft, bemerkt hij ook nog wel dit en dat ‘t welk hem in de school bij de behandeling der kinderen te pas komt.

Niemand zal dan ook het nut van het huisbezoek betwisten. En ik zal de eerste wezen, om te bekennen, dat van dit middel meer gebruik kan worden gemaakt, dan heden gebeurt.

Zeker, er zijn grote bezwaren aan verbonden, maar ook in dezen durf ik de waarheid v/d spreuk: waar een wil is, is een weg, niet betwisten.

Wat echter veel gemakkelijker kan, zien wij heden. Alle ouders vergaderen met elkander in de school. We noemen dit een ouderenavond. Eigenlijk behoorde dit een samenkomst te zijn van ouders en onderwijzers om met elkander van gedachten te wisselen over het onderwijs. Tweemaal in de winter was niet te vaak. Nu wat niet is kan komen. Langzaam wordt het rijsken een boom.

Ieder zal toegeven, dat de schoolzaken bij de openbare en bijzondere school niet goed marcheert.

Bij de openbare school benoemt de gemeenteraad de onderwijzers. Gelovig of ongelovig, christenen of heiden, de ouders kunnen er niets aan doen.

De mannen, die de school bezoeken worden niet door de ouders gekozen. Wat zij bespreken of besluiten, de ouders hooren er nooit iets van.

Bij de christelijke school in deze buurt is het weinig beter. Nog meer. Eere, hooge eere aan de overleden oude garde, die onze school gesticht en betaald hebben. Die wakker waren, toen uw ouders sliepen. Die U op school de Bijbel hebben voorgelegd, toen uwe buren met het sprookjesboek bleven zitten.

 

 

Ja, ‘t is waar, wat onze secretaris voor 14 dagen zei: Hoe zou deze streek er uitzien, indien wij de christelijke school niet gehad hadden.

Maar toch blijft het waar, onomstootelijk waar, dat de ouders de eerste personen zijn, die aansprakelijk blijven voor de opvoeding en het onderwijs hunner kinderen.

Mij kwam het daarom gewenst voor, U eenige oogenblikken te spreken over: De taak der ouders in de schoolopvoeding.

Hoe is in de regel de verhouding van de ouders tot de school? Wel heel eenvoudig deze: de ouders beschouwen de school als een winkel, waar men onderwijs koop voor zijn kinderen. Liefst zoo goedkoop mogelijk. Als zij hun kinderen naar de school van Meester A sturen, mag deze blij zijn. Immers, hoe meer klanten in de winkel, hoe blijer de koopman.

Bevalt het op die school, dan wordt zij geprezen en gerecommandeert; bevalt ze niet, krijgt men voor zijn geld niet wat men meende te ontvangen, dan gaat men zo mogelijk naar een andere winkel of men tracht door beklag een verbetering te krijgen.

Komt het kind niet met klachten thuis en hoort men niets buitengewoons, dan zal het wel goed wezen. Verder bemoeit een ander zich met de zaak niet.

Dit nu deugt niet.

Dat de school een hooge plaats inneemt in het leven, is goed. Maar dat de Staat, de Overheid, het burgerlijk bestuur, de ouders buiten de schoolzaken sluit, is een ongereimdheid.

Trouwens, we behoeven hier niet uitvoerig over te spreken. Ons gevoel, ons geweten, Gods Woord leeren het ons klaar. Dat wij ouders onze kinderen hebben op te voeden. Ook weten wij wel dat wij reeds in dit leven van de verkeerde of goede opvoeding de vruchten zullen plukken en dat wij eenmaal voor Gods rechterstoel verantwoording zullen afleggen. Zooals de zaken thans staan, is het voor de ouders zoo verleidelijk en gemakkelijk. Er zijn scholen. De ouders zoeken de beste, die zij verkrijgen kunnen, liefst zoo goedkoop mogelijk. En nu meenen ze, dat ze voor de school niets meer te doen hebben.

Dit nu is een kwaad. Een kwaad, waartegen we zo lang moeten getuigen, dat de oogen ervoor open gaan. Een ieder, die geleerd heeft, niet naar zijnen wil maar naar Gons wil te leven, moet hier tegen getuigen. Ouders zijn geroepen, hun kinderen op te voeden in de leering en vermaning des Heeren. Geen vreemden, niet de Staat.

Er is een tijd geweest, dat iedereen in al de behoeften van zijn gezin voorzag. Hij bouwde zijn huis, hij bakte zijn brood, hij naaide zijn kleed. Hij zorgde ook voor zijn kind.

Later was er een tijd, dat men slaven had. Die gingen arbeiden en onderwezen de kinderen.

Nog later werd de arbeid verdeeld. Er kwamen timmerlieden, ververs, metselaars, landbouwers enz. Ierder was met zijn werk den ganschen lieven dag bezig en had geen tijd om zijn kinderen het noodige te leeren. Wie moest dat nu doen?

Nu ja, men had wel een oude knecht, een koetsier, te stijf om met jonge paarden om te gaan, een arbeider, die aan lager wal was geraakt, die kon men wel voor meester gebruiken.

Doch de ondervinding leerde wel, dat voor de jeugd het beste nauwelijks goed genoeg is. Dat, om de kinderen te leeren omtrent den eisch huns wegs, men kennis moet hebben van de dingen, die men onderwijst niet alleen, maar daarenboven nog de bijzondere gave, om wat er in eigen hart en verstand leeft, over te brengen in het hart en verstand der kinderen.

Voor dat werk, om de kinderen op te voeden en te onderwijzen naar de eisch van hunnen weg, hebben de ouders hulp noodig. Mag ik het nog eenmaal zeggen: de ouders hebben hulp noodig. Ik herhaal dit, om duidelijk te laten uitkomen, hoe de betrekkingen, de verhouding tusschen ouders en onderwijzers moet zijn.

Als een boer zijn werk niet alleen kan doen, ziet hij om naar hulp. Die knecht of arbeider moet het dan doen, zooals de boer het hebben wel. Moeder de vrouw heeft lap stof, wollen of kattoenen. Zij wil er japon, jurk of kleedje van hebben, maar haar ontbreekt de tijd. Nu roept ze de hulp in van een naaister, die er nu niet van mag maken, wat zij wil, maar een kleedingstuk moet vervaardigen, zooals haar opgedragen wordt.

En nu weet ge toch allen wel, dat een landbouwer niet den eersten den besten wien hij tegen het lijf loopt, in zijn dienst neemt. En moeder de vrouw brengt haar lap stof niet naar de eerste de beste buurvrouw. Neen, wij doen eerst onderzoek of de gevraagde arbeider of naaister wel bekwaam en genegen zijn, om het werk ons naar den zin te maken.

Met vele kinderen wordt heel anders gehandeld. Men brengt ze maar naar de school, die het dichtst bij of het goedkoopste is, zonder te weten, wat aan het kind geleerd zal worden.

Zo zijn er ouders, die zelve bidden voor zijn aan hun dagtaak beginnen, maar hun kinderen op school laten leeren, dat dit overbodig is. Ze hebben het voor een koopje. Maar goedkoop, wordt wel eens duurkoop. Wat doet ge niet ouders, om te zorgen, dat uwe kinderen goed voedsel en de goede kleeding krijgen. Gij slooft u uit, om voor hun lichaam te zorgen. Zeg ik het dan te sterk, als ik beweer, dat er zijn die de ziel des kinds laten vergiftigen?

Om uwe kinderen te onderwijzen, moet ge iemand hebben, die het werk voor U doet, zooals gij het zelf graag zoudt willen doen. Het recht om zoo iemand aan te stellen, komt dan ook alleen a/d ouders toe. Stemt ge dit toe, een zult ge het ook met mij eens zijn, als ik u zeg, dat gij ouders, dan ook zoo’n door u aangestelde man moet betalen. En dit nu, is in de School, uw aller eerste plicht.

Kunt ge wel iets opnoemen, waarvoor ge de hulp van een ander inroept en waarvoor ge niet betaalt. Uw brood laat ge bakken, ge betaalt. Uw kleeren laat ge maken, ge betaalt. Uw huis laat ge bouwen, ge betaalt. Uw kinderen laat ge onderwijzen, ge betaalt.

Ja, zult ge me toevoegen, maar mijn brood is soberder, mijn kleeren eenvoudiger, mijn huis kleiner dan van menig ander, moet ik nu voor mijn kind evenveel betalen als een ander? Mijn antwoord is hierop ja en neen. Ik vrees te uitvoerig te worden, wanneer ik U dit volledig moest zeggen. Immers, als ik zeg, dat niemand op deze school het volle schoolgeld betaalt en ik zeg dat 40 het doen, in beide gevallen is het waar. Over dit punt kunnen we wel van gedachten wisselen.

Het eerste punt hebben we m.i. (mijns inziens) nu wel begrepen. De ouders hebben het recht om de opvoeding op school in hun geest te doen geschieden en om te betalen.

In de tweede plaats is het een taak van de ouders de onderwijzer in zijn werk te steunen. Als de zaken zijn, zooals ze behooren te wezen, is de onderwijzer man van het vak. Hij draagt kennis van hetgeen de kinderen moeten leeren en ook van de manier, waarop zij het gemakkelijkst opnemen. In den regel kunnen noch schoolbestuur, noch ouders hierover met grond oordelen. In deze zaak moeten de ouders ons steunen.

Het kind zegt: Meester heeft gezegd. En dan staat het al een paal boven water. Stemmen de ouders dit toe, dan is de zaak in orde. De ondervinding heeft geleerd, dat ouders, die zelf een goede tucht uitoefenen over hun kinderen, ze ook met genot en zonder last aan de school toevertrouwen. Echter zijn er ook ouders, bij wie in de practijk de kinderen te regeeren. En juist dezen nemen de kinderen tegenover den meester in bescherming.

Jan komt met een klacht thuis. Zoo, is ‘t weer zoo, zegt de moeder. Moet de meester jou altijd hebben. Ik zal hem, wat meent hij. Nu is ‘t ontzag voor de meester weg, en er is maar een middel meer om hem in toom te houden, dat is: dwang. Mag ik U eens vertellen, hoe een boerenarbeider in Arum deed? Zijn jongen komt thuis. Veel te laat. Een gezicht met de onnoozelheid erop. Hoe u zoo laat? Vraagt Vader in het Friesch. De nieuwe meester had hem eerst een pak slaag gegeven en toen school laten blijven. Eenigszins stijf, zooals Friezen wel meer doen, zegt de man, ‘k zal jou vanmiddag een briefje meegeven. Het gelaat van den jongen klaart op. Met een glans van vergenoeging, als overwinnaar geeft hij het bewuste briefje aan de meester met de woorden: groetenis van heit, hie wie een briefke. De meester ziet naar het papier, en de jongen naar ‘s meesters gezicht. Even later zegt de onderwijzer: Kom eens hier jongen en lees even. De jongen doet het en slaat zijn ogen naar de grond. Wat was de inhoud?

Meester, als mijn jongen in school ongehoorzaam is, wil hem dan alsjeblieft dubbel zoo veel straf geven als een ander, Uw vriend, Jongsma.

Het gevolg kunt ge wel raden. De jongen paste op z’n tellen en kreeg in school geen straf.

Ouders en onderwijzers werken aan dezelfde taak en moeten daarom elkaar steunen.

Over de school en de onderwijzers wordt soms met minachting gesproken, en ook onderwijzers maken zich wel eens schuldig aan minder gepaste woorden over de ouders. Hier tegen moet gewaakt worden.

Wij moeten we elkaar achten, hoogachten. De gemeenschap der heiligen moet gevoeld worden onder ons. Ook onder onze kinderen moeten we die kweeken.

Het zijn tegenwoordig ernstige tijden. “Macht gaat boven recht” is de leus in de hoogste kringen van eene wereld, die God niet vreest.

Laat ons waken voor de zielen onzer jeugd, opdat zij niet door dien geest uit de afgrond worde medegevoerd.

Laat ons onze jeugd opvoeden met een broederlijke eensgezindheid overeenkomstig het Woord des Heeren.

Terug naar inhoudsopgave

Iets over Abraham Meyer.

‘t Is nu mei 1919. Gaan we in onze gedachten 75 jaar terug. Mei 1844. Het is een heerlijke Meimaand. De bomen staan in hun eerste bladerdos; de vogels zingen van blijdschap hun lied en op het gelaat der menschen leest ge, dat het een aangenaam voorjaar is.

Toch is er op deze regel een uitzondering. Ziet ge die jongeling, die op zijn klein klein hulponderwijzers kamertje gebogen ligt en bidt? In zijn ziel is het zoo duister; hij heeft een innerlijke strijd de doorworstelen.

Hij is hulponderwijzer te Vlaardingen en heeft, wat de menschen noemen, een goede betrekking. Hij heeft een goed lokaal. Zijn tractement is niet kwaad. Van zijn patroon heeft hij geen last. Wat maakt hem dan het leven zoo moeilijk? Waartegen gaat dan zijn strijd?

Hij is niet vrij. Hij mag de kinderen niet spreken over datgene, dat hem het dierbaarst is.

In 1892, dus twee jaar geleden, was er een K.B. (Koninklijk) besluit gekomen, dat alle onderwijs neutraal moest zijn. Men mocht geen jood, geen roomsche, geen gereformeerde aanstoot geven. Dit nu kon Meyer niet. Hij moest spreken over de grote kindervriend. Daarover te zwijgen, was hem onmogelijk. Ook uit zijn hart kwamen de uitgangen des levens, en zijn leven was met Christus verborgen in God.

Eén zaak was tot nu toe onaangeroerd gebleven. Dit was het gebed. Maar voor enkele dagen was ook dit heilige hem ontnomen. Zijn patroon had hem een paar streepjes papier overhandigd, waarop formuliergebeden staan, die hij het begin en het einde der school mag voorlezen. Dit doet voor hem de maat overlopen. De bijbel een gesloten boek. Niet langer zijn hart opheffen tot zijn Vader, die in de hemelen is? De nooden der kleinen niet smeekend bekend maken aan de grote kindervriend? Dit stuitte den jongeling tegen de borst. En daarom, hij wil en kan niet langer blijven aan de openbare school te Vlaardingen, die nu een godsdienstlooze school is.

Hij solliciteerde naar een christelijke school de Scheveningen; dit mislukte. Toentertijd waren er sommigen in Vl. (Vlaardingen) die zich bij de afgescheidenen voegden, om tot de Evangelie bediening te worden voorbereid. Meyer kon hiertoe niet besluiten. Met anderen naar Noord-Amerika of Afrika trekken: de liefde tot de kinderen zijns volks hield hem ervan terug.

Hij zocht zijne hulp in het gebed en zie, nog was het “Amen” niet van zijn lippen, of de verhoring kwam. ‘t Gebeurt niet vaak, dat de postbode een brief brengt aan den jongeman, die ‘t zoo eenzaam heeft. Als hij dan ook komt, dien 27 Mei 1844, dan is dat voor Meyer eer ding van betekenis. En zulk een brief ontving hij nog nooit. De hand is onbekend. Spoedig de brief open gemaakt. Van wien is hij? Van Mr. J.J.L. van Brugghen, president bij de arrondissementsrechtbank te Nijmegen.

Meyer leest. Is dat niet het onmiddellijk antwoord op zijn smeekingen tot God? Hier wordt hem gelegenheid gegeven, uit de openbare school, die voor hem een diensthuis der verdrukking geworden is. Hem wordt aangeboden een betrekking als hulponderwijzer op een tractement van ƒ 150 boven kost en inwoning.

En welke waren de eischen?

Er staat: onze eerste en voornaamste wensch is, een jongeling te vinden, die zelf in Christus zijn eenigen troost in leven en sterven heeft leeren zoeken, aan de kinderen een weg kan aanwijzen, die door hem zelf ook worden bewandeld.

De verlangde persoon zoude belast zijn met het onderwijs der 2e klasse; hij zou onderwijs moeten geven in lezen, schrijven, rekenen, taal, aardrijkskunde en geschiedenis en in de Bijbelsche geschiedenis naar het leerboek van Lahn.

De wensch echter, van met het toevertrouwde talent, in de dienst des Heeren te mogen woekeren, zouden wij als de voornaamste beweegreden voordragen.”

Geen wonder, dat dit schrijven hem blijde maakt. Hij vliegt de zoldertrap af, om zijn meester den brief te laten lezen. Bij dien geen blijdschap. Knorrend zegt hij: je hebt van de zaak wel geweten; het is maar een werken in het duister. De juffrouw voegt eraan toe: dat heb je van die vromen te wachten. Zelfs de schoolopziener wordt erbij gehaald. Deze beweerde, dat het een dwaasheid zou zijn eene aanstelling aan afgescheiden school aan te nemen. En toen aan Meyer gevraagd werd, hoe hij er onder stond, antwoordde hij de wedervraag: “Ik vraag alleen maar, Mijnheer, waar de goddeloze en zondaar zal verschijnen, zoo de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt.”

Mijnheer zweeg. En Meyer ging naar Nijmegen, waar hij is zes jaren arbeidde, met de lust en liefde. Hier immers kon hij zijn Heiland dienen.

Hier verwierf hij zich vele vrienden. Behalve de school, trok hem de zondagschool. Toen hij de laatste zondag sprak, behandelde hij: Wanneer ik ten huize mijns Vaders in vrede zal wedergekeerd zijn, zoo zal de Heere mij tot een God zijn. Als hij vertrekt, ontvangt hij als aandenken een Bijbel.

Houd het Woord vast, houd het Woord vast, zegt Van Bruggen hem. En dat heeft hij gedaan. Dat Woord is hem steeds de kracht van zijn leven geweest.

In 1850 vertrekt hij naar Rotterdam.

Hier was het voor hem een zware strijd. Strijd tegen de vijanden en tegen de vroegere vrienden. Als onderwijzer deugde hij niet, getuigde de plaatselijke school commissie. De ééne vriend was hij te licht. Den ander te zwaar. Onderwijzers, die aan zijn tafel hadden gegeten weigerden hem de hand. Op een onderwijzers-vergadering werd zijn hoed als asbak gebruikt.

In 1862 verlaat hij Rotterdam en wordt dan een zwerveling. We vinden hem in Ermelo, in Groningen, in Hansweerd, onder de polderwerkers, in Nijkerk, in Friesland, in 1869 in Oostwolt, in 72 in Rotterdam, in Minnerstga, in Hoogeveen en eindelijk in ‘t gesticht Veldwijk, vanwaar hij de 30e Dec. 1896 heengaat naar ‘t Vaderhuis met zijn vele woningen.

Meyer had een krachtig, onafhankelijk karakter. Werken onder een bestuur was hem moeilijk. Zijn fiere geest wist van geen schipperen of plooien. “Dat doe ik niet” durfde hij èn tegen schoolbestuur èn tegen ‘t hulppersoneel te zeggen. Vaak botste het. “Indien sommige besturen hun zin hadden, dan liepen vele onderwijzers al met een zeer erbarmelijken zwarte rok, getuigde Meyer.

Toen in 1878 de zaak van ‘t Christelijk onderwijs hopeloos stond, maakte een predikant de opmerking: “Nu is het gedaan met het Christelijk onderwijs”. Hij somde tal van moeilijkheden op. Meyer luisterde en antwoordde: Als ik uw woord bij een optelsom mag vergelijken, dan is de som goed, alleen, gij hebt één enkele Eén overgeslagen, en die Eén is God.

Terug naar inhoudsopgave

 Posted by at 23:18
jun 012001
 

O. Viersen

Ype Oebeles Viersen en Antje Haayes Minnema

Ype Oebeles Viersen en Antje Haayes Minnema

Een bijzondere voorouder.

Bij ons thuis hingen vroeger 2 foto’s, één van een vriendelijk kijkende oudere man en één van een frank en vrij rondkijkende jonge vrouw. Het waren mijn vaders Pake: Ype Oebeles Viersen, 1808-1877, en zijn Beppe: Antje Haayes Minnema, 1834-1913. Hun nageslacht vormde voor ons (als achterkleinkinderen) een min of meer een niet te ontwaren knoop in de familiebanden, niet geheimzinnig maar een beetje wazig. Zo zeiden de broers en zusters van mijn moeder, oom tegen mijn vaders vader.
Toen ik op een goed moment in de genealogie ben gedoken heb ik daar duidelijkheid in proberen te krijgen en het resultaat was het volgende: Mijn overgrootvader Ype trouwde in 1834 met zijn nicht AEbeltje Piers de Groot, die in 1844 overleed. Ze kregen in 1835 een dochter. 13 jaar later in 1857 hertrouwde Ype met de 25 jaar jongere Antje Haayes Minnema. Ype overleed in 1877. Ze kregen een dochter en 3 zonen, waarvan de oudste mijn Pake Oeble Ypes is, mijn vaders vader.
En dan begint de knoop in de familie-banden. Antje trouwde een jaar later met Uilke Douwes Dijkstra, een goede buur, 10 jaar jonger dan Antje, weduwnaar, vader van 2 zoons en een dochter: Tietje Dijkstra, later mijn moeders moeder, mijn Beppe dus. Pake Oeble en Beppe Tietje groeiden dus op als stiefbroer en zus, vandaar dat oom zeggen tegen Pake Oeble. Maar om het nog wat ingewikkelder te maken: Tietje’s moeder was Trijntje Meinderts Meindertsma. Mijn Pake Oeble trouwde met Maaike Binnes Boelens. Haar moeder was Dieuwke Meinderts Meindertsma, een zus van Trijntje. Trijntje trouwde met Andries Gerrits Brouwer.
Zo bleek dat Pake van vaders kant was opgegroeid met Beppe van moeders kant en dat mijn vader Ype Oebles Viersen en moeder Janke Andries’ Brouwer achterneef en –nicht waren. Helaas was het toen te laat om er met hen over te praten, ze waren al overleden.
Het speelde zich allemaal af in Oostdongeradeel: Anjum, Lioessens, Metslawier, Oosternijkerk.
Het bijzondere van mijn overgrootvader Ype Oebeles Viersen is dat hij aan het begin van een familieknoop staat, maar vooral ook om zijn bewogen leven. Maar dat is weer een ander verhaal.
Mijn advies is: praat met je ouders of grootouders over zulke dingen vóór het te laat is.

Oeble Ypes Viersen, kerst 2000, Swifterbant, De Koningshof 7

 Posted by at 23:18
mei 012001
 

O.F. Vos

Café De Altena

Café Altena, Streek, Dokkum

Beschrijving:

Het tweede huis vanaf rechts is “Herberg De Altena – A. Steensma” zoals op de daklijst te lezen valt. Op deze plaats heeft eeuwenlang een herberg gestaan waarvan de naam misschien te maken heeft met volkshumor: de herberg stond al-te-na aan de stadspoort. Het is ook mogelijk dat de naam verwijst naar de Holtena(porte) een houten stadspoort en later is overgegaan op het aangrenzende land. Altena is een meer voorkomende naam voor herbergen.
De kastelein van De Altena moest ook de sluisjes bedienen, dus schepen schutten. Die toestand is in 1876 veranderd toen het kanaal naar de Westerisse gegraven werd.
In de eerste helft van de 19e eeuw was De Altena een bekende stalling voor de paarden van de boeren uit Westdongeradeel die de stad bezochten. Laat in dezelfde eeuw heeft de toenmalige kastelein de opkamer afgebroken maar Steensma heeft in 1915 nog eens een uitbouw laten aanbrengen om de tapkamer te vergroten. Sinds 7 mei 1938 is De Altena geen herberg meer. Een laatste aandenken aan deze aloude en bekende herberg is verankerd in de straatnaam Altenastreek.

Aanvullingen of opmerkingen kunt u emailen naar de redactie.

 Posted by at 23:18
apr 012001
 

D. Douma

Verslag uit de Dockumer Courant van 29 maart 1889

Afscheid van Morra. “Reeds vroeg in de morgen heerste er in ons dorpje een levendige, maar tevens een gevoelvolle beweging. Drie en twintig personen, groot en klein, vertrokken van hier naar Zuid-Amerika om in den Argentijnschen Republiek den strijd om ‘t bestaan, zoo te hopen, onder gunstiger omstandigheden te voeren dan ‘t hier in de laatste jaren mogelijk was. Zoo kinderen van ouders, broeders en zusters, van betrekkingen en vrienden voorzeker voor altijd te zien scheiden om aan gene zijde van den Oceaan eene onzekere toekomst tegemoet te gaan. Wie zou dien aanblik ongevoelig blijven ?”

Naar Zuid-Amerika zijn gegaan:

29 maart 1889: Aukje Sipkes de Vries, geboren 3 april 1858 te Hantumhuizen
1 mei 1889: Jan Foppes Visser, geboren 2 mei 1872 te Lioessens
31 januari 1889: Fetze Lubberts Hoekstra, geboren 15 juli 1861 te Morra en zijn vrouw Jitske Slager, geboren 15 maart 1865 te Morra.
31 januari 1889: Pieter Lubberts Hoekstra, geboren 23 augustus 1866 te Morra.
31 januari 1889: Lieuwe v.d. Kooi, geboren 15 juni 1870 te Ternaard.
31 januari 1889: Elizabeth Tietes v.d. Ploeg, geboren 23 februari 1871 te Morra.
31 januari 1889: Wijbe Foppes Visser, geboren 22 november 1867 te Lioessens.

Vervolgens vertrokken de volgende gezinnen naar Zuid-Amerika:
31 januari 1889: Jacob Jans Douma, geboren 30 maart 1845 te Lioessens, en zijn vrouw Jantje Sjoordema, geboren 12 april 1849 te Oosternijkerk; met kinderen:
1. Neeltje Douma, geboren 7 december 1872 te Lioessens
2. Jan Douma, geboren 22 december 1873 te Lioessens
3. Harke Douma, geboren 18 februari 1878 te Lioessens
4. Sjoukje Douma, geboren 4 oktober 1875 te Lioessens (deze is niet meegegaan maar op 30 oktober 1889 vertrokken naar Kloosterburen)
5. Jilt Douma, geboren 19 juli 1881 te Metslawier
6. Anne Douma, geboren 3 april ?? te Lioessens
7. Hiltje Douma, geboren 7 juni 1888 te Lioessens, overleden 8 januari 1889.

31 januari 1889: Tiete v.d. Ploeg, geboren 19 juni 1841 te Paesens, en zijn vrouw Trijntje Blom, geboren 20 april 1843 te Morra, met kinderen:
1. Harmen v.d. Ploeg, geboren 29 oktober 1868 te Morra.
2. Sjoerd v.d. Ploeg, geboren 16 december 1875 te Morra.
3. Freerk v.d. Ploeg, geboren 24 november 1877 te Morra.
4. Reinouw v.d. Ploeg, geboren 24 november 1879 te Morra.
5. Willem v.d. Ploeg, geboren 1 december 1881 te Morra. (Twee kinderen uit deze familie, Elizabeth en Sijbe, zijn niet meegegaan.)

31 januari 1889: Meindert Adema, geboren 4 maart 1844 te Paesens, en zijn vrouw Klaaske Bok, geboren 4 maart 1844 te Morra, met kinderen:
1. Grietje Adema, geboren 1 september 1872 te Morra.
2. Karel Adema, geboren 8 oktober 1873 te Morra.
3. Jan Adema, geboren 22 februari 1875 te Morra.
4. Antje Adema, geboren 24 juni 1872 te Morra.
5. Taeke Adema, geboren 24 maart 1880 te Morra.
6. Geertje Adema, geboren 31 augustus 1882 te Morra.
7. Hiltje Adema, geboren 27 oktober 1883 te Morra.
8. Harmen Adema, geboren 11 juli 1888 te Morra.

(Toevoeging H. Zijlstra:)Later gingen:
3 juni 1889: Gerrit van der Woud, geboren 21 januari 1855 te Morra en zijn vrouw Baukje Zijlstra, geboren 7 juli 1854 te Niawier. Vertrokken naar Argentinië met 4 kinderen: Oebele, Jogchum, Mient en Geert. In Argentinië werd nog een dochter, Maria, geboren. Gerrit was zoon van Oebele Mients van der Woud en Sijke Gaatzes Hofman.
Rond 1889 werd de overtocht door de Argentijnse regering betaald om landbouwers aan te trekken. Toen bleek dat ook allerhande ongeschoolden hier gebruik van maakten werd de maatregel weer snel ingetrokken.

Advertentie voor gratis oversteek naar Argentinie

Advertentie voor gratis oversteek naar Argentinie

Binnen onze vereniging houden o.a. de heren Postma, Jansma, Douma, Wierstra, Veltman en mevrouw Bouta zich bezig met onderzoek naar emigratie naar Argentinië.
De heer Veltman heeft aan de hand van gegevens uit Nederlandse en Duitse archieven in april 2002 een rapport samengesteld over de scheepsramp van het emigrantenschip de “Leerdam” op 16 december 1889.
De schipbreukelingen werden met een kleine Franse vrachtboot naar Hamburg vervoerd, waar de meesten de emigratie naar Argentinië voor gezien hielden en per trein naar Nederland terugkeerden. Voor hun vertrek hadden zij zich bij de Burgerlijke Stand en het Bevolkingsregister van hun Gemeente afgemeld en hebben zich bij terugkomst eind december 1889 weer opnieuw moeten inschrijven.
Een copie van het rapport is aanwezig op het Rijksarchief Friesland in Leeuwarden (tegenwoordig Tresoar).

Ons lid Tymen Wierstra heeft op zijn site over de emigratie naar Argentinië een interessante pagina, klik hier.

 

Over de emigratie naar Argentinië kunt u ook meer lezen op de website van de familie Kuitert.

Een mislukte emigratie (Gens Nostra 57 (2002), p. 426/427

Afstammelingen van Barteld Jansma, geboren te Anjum (Ezumerzijl), beschikten over de volgende informatie. In 1890 was hun voorvader als landbouwvoorlichter naar Zuid-Amerika uitgezonden, mogelijk naar Brazilië. Na zijn overlijden keerden zijn dochtertjes in 1895 terug naar Nederland. Wat was er te vinden over deze mensen ?
In de naamklappers 1890-1895 van het ministerie van Justitie werd gezocht naar een mogelijke verwijzing naar een overlijden in het buitenland. Gevonden werd correspondentie over de dood van Barteld Jansma op 8 juni 1891 te San Salvador Concordia in Argentinië. Uit de briefwisseling blijkt dat zijn weduwe, Anneke Faber, in september 1891 was teruggekeerd naar Nederland. Zij wenste in 1895 opnieuw in het huwelijk te treden. De ambtenaar van de burgerlijke stand in haar woonplaats Ee (Oostdongeradeel) nam echter geen genoegen met de door de nederlandse consul-generaal te Buenos Aires afgegeven overlijdensakte. De minister van Justitie werd gevraagd de echtheid van de akte te bevestigen.
Nader onderzoek in de archieven van het gezantschap Argentinië leverde een bijzonder verhaal op. Barteld Jansma was naar Argentinië geëmigreerd en had zich met andere Nederlandse landbouwers, onder wie Klaas Visser, Johannes Visser, Dirk van der Wal en Jan Rolse, gevestigd in het afgelegen Columa. Veel van de nieuwkomers stierven al na korte tijd in dit vreemde land met een heel ander klimaat. Op 16 april 1891 deden de genoemde personen bij de Nederlandse consul-generaal te Buenos Aires aangifte van het overlijden in 1889 van de vrouw en drie kinderen van Klaas Visser. Zoals we reeds zagen stierf Jansma in juni van dat jaar eveneens.
Anna Faber was de tweede vrouw van Jansma. Bij haar vertrek naar Nederland liet ze de kinderen uit het eerste huwelijk achter. Het ging om de meisjes Trijntje (geboren 15 oktober 1876), Aaltje (geboren 28 februari 1878), Orseltje (geboren 26 juli 1879) en Doutzen (geboren 28 juni 1883). Zij kwamen terecht bij Argentijnse families in Concordia, waar zij tegen kost en inwoning als lijfeigenen of slaven voor hun ‘patroons’ moesten werken en een kommervol bestaan leidden. In 1893 riep het oudste meisje de hulp in van de ambassade om naar Nederland te kunnen gaan. Hun ‘eigenaren’ wilden hen echter niet laten vertrekken. Door bemiddeling van een Zwitserse diplomaat en nadat familie en vrienden in Friesland voldoende geld hadden gestuurd, konden zij toch terugkeren naar hun geboorteland.*

* Nederlands gezantschap in Argentinië 1880-1920, toegang 2.05.10.01, inv.nrs. 7,8, 96, Nationaal Archief, Den Haag.

Zie ook het verhaal van Prof. Robert Swierenga over Friezen in Argentinie.

 Posted by at 23:18
  1. De feepest yn Fryslân (Sneuper no. 27, maart 1994, p. 13/14)
  2. Gildereglement van de Bierbrouwers tot Doccum, 6 april 1648 (Sneuper no. 19, maart 1992, p. 24/25)
  3. Gevelstenen in Dokkum (2)- De Gulden Butterton, 1643
QR Code Business Card