mrt 012000
 

(Sneuper no.6, oktober 1988, pag. 16 t/m 20, R. Tolsma)

Zolang er dijken zijn gemaakt door de bewoners van de lage landen bij de zee om zich te beschermen tegen het opdringende water van de zee, zolang zullen er ook dijkdoorbraken geweest zijn. Hele grote dijkdoorbraken zullen de geschiedenis door bewaard blijven. Zoals de bekende St. Elizabethsvloed uit 1421, de februari-ramp uit 1953 in Zeeland of de in onze eigen streken meer bekende Allerheiligen-vloed uit 1570. Een gedenksteen aan de buitenmuur van de Hervormde kerk te Metslawier bewaart er nog de herinnering aan:

Anno 1570 op aldarheilige dach savens is het Water hier in der kercke hoech West 1 Voet en de sijn fardroncken indese gritenije 1801 mensken.

Ook de overstromingen van 1825 zullen nog wel bekend zijn. In zijn boek(Noot 1) schrijft J.van Leeuwen over Oostdongeradeel: “In Oostdongeradeel sloegen de golven reeds des avonds van den derden February onder felle sneeuw- en hagelbuijen met eenen sterken Westnoord-westen wind over den geheelen zeedijk heen en in dien nacht stortte de hooge vloed aanhoudend en met kracht landinwaarts, in…”

Naast deze bekende overstromingen en dijkdoorbraken zullen er ook tientallen geweest zijn die allang vergeten zijn. Misschien omdat ze in een uithoek van ons land plaatsvonden, misschien ook omdat ze in het licht van de grote Vaderlandse Geschiedenis niet belangrijk genoeg geweest zijn. Toch zullen de mensen die door deze rampen getroffen zijn, de toestand waarin zij zich geplaatst zagen, erg genoeg gevonden hebben. Naast het verlies aan mensenlevens en aan vee kwamen de grote opofferingen die men zich moest getroosten om de vernielde dijken weer te herstellen, werk dat door de omwonenden zelf moest worden gedaan.

Soms horen wij iets over deze benarde toestanden.”‘Zo staat er in het beneficiaalboek (uit het jaar 1543) onder het dorp Nes bij de lasten en lusten van de pastoor een hoofdstukje ‘Dijklasten’:

“…Nog die groote Weel by Frouckemahuys, daer Her Stenert, myn Antecessoer, al zyn wolvaert in brochte, ende en mochtet met al zyn guet niet gemaect hebben, hadde die Gemeente (d.i. de parochie) hem nyet te hulpen gecomen…” en even verderop:. ….”ende datter een van die Wielen inbrack, soe soudet al kunst wesen een Pastoir daer op te holden offte vercrygen…”

Dat is wat ouderwetse taal, maar het komt er op neer dat de voorganger (Her Stenert) van de huidige pastoor van Nes al zijn geld had moeten besteden aan het herstellen ven een wiel (dijkdoorbraak) bij Froukema huis en dat de pastoor tevens konstateert dat het onmogelijk zal zijn om een pastoor te houden of te beroepen wanneer er weer een dijkdoorbraak zou plaatsvinden.

De kosten van het onderhoud van de zeedijken bij Nes waren rond 1511 zo hoog dat het Register van Aanbreng van dat jaar verschillende boeren noemt, die geen huur hoeven te betalen voor het door hen gehuurde land, maar dat ze daarvoor in de plaats een stuk dijk moeten onderhouden:

“Harmen to Munnichuijs, 260 pondemaat land, Landtheeren Claericamp, …ende heeft 50 roeden waeterdick to Werum, ende 83 roeden ander Dijck,ende gelt mit den dijcken geen rente”

Een laatste aandenken aan deze moeilijke tijden.voor de boeren in Nes is nog te vinden in de naam voor een stuk land: De Keizer. Het verhaal gaat dat de boer die dit stuk land in bezit had, de zware lasten van de dijk die erbij hoorde, niet meer kon opbrengen en toen zijn schop in de dijk stak, ten teken dat hij afstand deed van dat land en het teruggaf aan de keizer (deze was immers in die tijd de hoogste grondbezitter).

Uit het voorgaande is wel gebleken dat in genoemde tijden de dijken niet gemeenschappelijk onderhouden werden maar dat iedere landeigenaar een bepaald aantal roeden (van ca. 4 meter) dijk moest onderhouden: bij een bepaalde hoeveelbeid pondematen land hoorde een bepaalde hoeveelheid dijksonderhoud. Zo moesten de boerenlandeigenaren van Nes stukken dijk tussen Wierum en Nes onderhouden en de stukken dijk van de boeren van Paesens en Oosternijkerk begonnen daar,waar eens het riviertje de Paesens in zee stroomde en dan verder de kant van Anjum uit.

De verschillende percelen dijk van de boeren waren gemarkeerd met paaltjes, zodat ieder kon zien welk stuk dijk voor hem was. Dat sommige boeren het niet zo nauw namen en liever niet voor hun stuk dijk zorgden, blijkt in 1705 als de paaltjes op de dijk verdwenen zijn: daders onbekend!

Nu is een ketting zo sterk als de zwakste schakel en daarom zal het duidelijk zijn dat, als een enkeling niet voor zijn stuk dijk zorgt, de zee op die plek kan toeslaan en het noodlot voor iedereen zal toeslaan.

Van zo’n (vergeten) dijkdoorbraak vinden we een hoeveelheid gegevens in het Procuratieboek van Oostdongeradeel (noot 3). Daarin vinden we het volgende:

Opstel van de costen veroorsaakt door het stoppen en digt maken van den wielen ende colken in Oostdongeradeel door den harden stormen ende hoge watervloeden tusschen den 12 ende 13 semp 14 ende 15 november 1686 ingestormpt ends wat matrialen’ daertoe sijn gebruyckt, opgestelt bij en ten overstaen van den Hooged. Welgeb. Heere Jr Hobbo Esaias van Aijlva grietman over oostdongeradeel, Joannis Andries Bijsitter en de Dijckgraeff van voorss dele…”, waarna nog de dijksgedeputeerden en de secretaris worden genoemd. De elf bladzijden lange lijst van gemaakte onkosten wordt geopend met het aanvoeren van een grote hoeveelheid geestrijk vocht: bier! Zes verschillende brouwers leverden grote hoeveelbeden “drie gulders bier”, bestemd voor arbeiders bij de dijck tot Oostrum, Eengwierum, Aenjum bij de dijxhorne’ en eveneens voor “de gesamentlijken ingesetenen die aen de wielen arbeiden tot keringe der wateren”. Daarbij moeten we wel bedenken dat bier in die tijd een echte volksdrank was en koffie, thee en frisdrank nog onbekend was.

Het totale bedrag dat aan bier besteed werd, bedroeg 177 cg (carolus guldens van 20 stuivers), waartegen de 16 cg en 2 cg van de Anjumer bierbrouwers Lieuwe Folkerts en Harke Andries maar mager afsteken. Zoals meestal kwamen ook deze keer de grote leveranties uit Dokkum. De volgende grote post betreft de leverantie van schoven stro, meer dan 3000 stuks,”in de dijck gebruijckt”. Het was niet de bedoeling om hiermee de gaten te dichten, daarvoor gebruikte men klei welke aan de binnenkant van de dijk uit de daar liggende landerijen vergraven mochten worden, maar men gebruikte dit stro als het dijklichaam weer op hoogte was en een nieuwe grasmat moest worden aangelegd om de dijk te behoeden tegen wegspoelen. Daar de dijkdoorbraak in november plaats vond en men de dijken gedurende de wintermaanden moest herstellen, kon men niet direkt graszaad gaan zaaien. Het zorgen voor een nieuwe graszode door deze ergens af te steken en dan op de dijk aan te brengen was ook een heel karwei, nee het lijkt erop dat men hier een derde methode heeft gebruikt. Het stro werd uitgespreid op de dijk en dan als het ware aan de dijk vastgekramd. Dit deed men door met een kramijzer een bundeltje van een tiental halmen in de grond te duwen en zo het stro vast te zetten. Men kon dan in het voorjaar het nieuwe dijklichaam weer gaan inzaaien. (Noot 4)

Dat deze methode, rnisschien ook een combinatie van de tweede en derde methode, inderdaad gebruikt is wordt duidelijk als wij onder de arbeidslonen vinden: ‘Jan Dirx ende Tiaerd Douwes voor cramen’, 23 cg.

De benodigde klei voor het opnieuw maken van het dijklichaam zal met “bollepramen” zijn aangevoerd. Er worden vier pramen genoemd ‘ende een van ‘t tichelwerk’. Misschien te Oostrum? Een of meer van de pramen moet ook over de dijk gesleept zijn (toen deze weer gemaakt was) want er staat een post “T gad inde dijck daer de bollepraem over haelt is te maken”. Niet alleen de klei, maar ook het stro, het hout, juffers, “croden”, touw, scheppen en ‘cloeten’ moeten aangevoerd worden en daarvoor kwamen de schippers uit de verschillende dorpen in aktie.

De Metslawierster schippers (4 stuks) varen tesamen 56 dagen stro, de Anjumer schippers (5 stuks) doen 50 vrachten, de Jouswierster schippers zorgen voor 17 vrachten en van de Morster en Tibster schippers worden geen aantallen vrachten genoemd.

Bij de vermelding van de schippers komt nog iets bijzonders om de hoek kijken. Hoewel de Metslawierster schippers 56 dagen stro varen, krijgen ze maar 24 dagen vergoed: “daeraff ijder man acht dagen voort gemeen”. Ieder was dus verplicht om acht dagen, zonder loon, aan de dijken te werken. Of dit voor de hele bevolking van Oostdongeradeel gold, of dat het allleen van toepassing was op de inwoners van de dorpen wier dijken het betrof, is niet bekend (notulen o.i.d. zijn er niet meer).

Dit aspekt komt ook aan de orde als het gaat om het aantal arbeiders dat aan de dijken werkt. Daar worden ook alleen maar genoemd:

“…dese personen hebben boven haer quota gearbeijt de volgende dagen wt ordre vant dijck Geregt…”

We komen dan tot 34 arbeiders die meer gewerkt hebben dan ze verplicht waren om zonder loon te doen. Het totaal arbeiders aan de dijken zal hier dus een veelvoud van zijn geweest. (zie ook het vele bier!) Van hulp van de Provincie merk je in de beschrijving niet veel. Alleen worden er “crooden” (kruiwagens) van het Landschap gehaald en werkten er in februari 1687 nog 18 soldaten aan de wielen (dijkdoorbraken). Hieruit blijkt tevens dat het herstel van de dijken een langdurige zaak is geweest. Andere gegevens over de duur van het werk zijn:

Verbeteringen van bet dijkgerecht over 18 etmalen De Bijsitter/dijkgraaf in meer dan 50 dagen

De Grietman en de Secretaris kwaman “bij dagen en nachten de winter deur” en het feit dat de rekening pas op 22 maart 1687 wordt gesloten. Uit deze rekening blijkt dat de totale onkosten op 1147-7-12 gekomen zijn. Daar men voor dit bedrag niet bij de Provincie kon aankloppen en er ook nog geen Minister van Verkeer en Waterstaat was, moesten de inwoners van Oostdongeradeel, welke elk ook al acht dagen aan de djjken hadden gewerkt, dit bedrag maar weer zien op te hoesten. Dat gebeurde volgens de in die tijd veel gebruikte methode van het omslaan over de pondematen land der gemeente (17005 pm). De grondeigenaren moesten dit keer voor elke pondemaat die ze bezaten 7,5 cent betalen, te verrekenen in december 1687. Dat kwam dan boven op alle lasten die men gewoon al in een jaar moest betalen!

Dat men dit ondanks alles wel billijk vond, toont de volgende notitie aan het slot van de rekeninge:

“welke somma omgeslagen over de binnendijxlanden die door ‘t maken ende stoppen der wielen van de vordere overval der solte wateren bevrijt ende de ingesetenen met haer vee ende levende have voort verderff bewaert sijn geworden. ..”

Dan blijven er nog twee vragen over om beantwoord te worden: hoe groot waren de dijkdoorbraken en waar waren ze nou precies. De vraag naar de grootte van de dijkdoorbraken zou beantwoord kunnen worden met de volgende post:

“Jan Dirx ende Tiaerd Douwes voor cramen 13 roeden ende voort gat bij de Zijl 10 cg, dus 23 cg”.

Jan en Tjaerd hebben dus op twee plaatsen “gekramd”. De ene keer 13 roede, wat neer komt op ongeveer 50 meter en de tweede keer 10 roeden en dat is ongeveer 40 meter (1 roede= 3,91278 meter). Over de derde dijk, bij Oostrum, ontbreken verdere gegevens. Ik neem tenminste aan dat deze twee gaten ergens bij Ezumazijl gezocht moeten worden, immers: Jan en Tjeerd kramden ‘een gat bij de Zijl’. Aangezien de Dokkumer Nieuwe Zijlen pas in 1729 aangelegd zijn en de Oostrumer zijl in 1672 werd opgeruimd (zie noot 5), moet hier wel Ezumazijl bedoeld zijn.

Kijkt men op de kaart van Schotanus/Halma van 1693/1718 dan ziet men inderdaad vlak onder Ezumazijl een wiel getekend. Een tweede wiel ontdekt men bij Dijkshorne, een naam welke ook in de rekening wordt genoemd. In de rekening wordt een wiel met name genoemd, “Watmawiel”. Over deze naam heb ik verder niets kunnen ontdekken, maar het lijkt me toe dat hier de wiel bij Dijkshorne is bedoeld. Misschien woonde er in die tijd een boer ‘Watma’ die zijn naam aan de wiel verleende.

Noten:

1. J. Van Leeuwen, Geschiedkundig Tafereel van den Watervloed en de overstromingen in Vriesland, voorgevallen in Sprokkelmaand 1825.

2. Kr. Boelens, Nes in doarp yn de Dongeradielen, side 27

3. Procuratieboek Oostdongeredeal, inventarisnr. 11, bl. 177 e.v.

4. Mei slykboar en kramizer, dykwurkersark, G.R. Groustra, bl. 45 e.v

5. De strijd om en tegen het water in de Dongeradelen, Ds J ter Steege en C.Boers, bl 10 e.v.


mrt 012000
 

De boerderij Jagtlust voorheen Germerhuis of Poartepleats te Hantumeruitburen 

R. Tolsma 

In een uithoek van de gemeente Westdongeradeel in Friesland, vlak langs het riviertje de Paesens dat de grens vormt met Oostdongeradeel en daarmee vanouds verbonden door een ferme opvaart, ligt de boerderij Jagtlust. Tegenwoordig bestaat deze boerderij uit een groot aantal gebouwen en worden de velden rondom de boerderij bevolkt door honderden schapen omdat de eigenaar zich heeft toegelegd op het houden van schapen (ook langs de Friese zeedijken in de nabije omgeving lopen zijn dieren), in het verre verleden stond hier een uithof van het klooster Klaarkamp te Rinsumageest en werd de grond bewerkt door monniken of aan hen verbonden leken-broeders.

Ver voor 1500 moet de hele strook land tussen de Nijehuisterpijp en Miedend in handen zijn geweest van het klooster Klaarkamp en het daarmee verbonden zusterklooster Sion te Niawier. Deze ligging langs het vaarwater de Paesens past precies in de grondbezitsstrategie van de Cisterciënzers waarbij de bezittingen zoveel mogelijk worden geconcentreerd langs waterwegen. In de gemeenten Oost- en Westdongeradeel bijvoorbeeld zijn een groot aantal complexen van deze kloosters aan te wijzen, meestal rondom een uithof. Een uithof is een grote kloosterboerderij waarop in het begin de monniken zelf het werk deden. Later, toen de monniken zich meer met geestelijke zaken bemoeiden terwijl het aantal ook terugliep, werden lekenbroeders aangesteld. Dezen hoorden wel bij het klooster maar hoefden zich niet te houden aan de strenge regels van het klooster. Zij deden ook meestal het zware werk in de kloosters of op de klooster-boerderijen. Rond 1500 is ook dat stadium gepasseerd en worden de oude uithoven verhuurd aan gewone boeren. Omdat deze uithoven grote aantallen pondematen land bezaten, werd het land meestal verhuurd aan meerdere boeren.

Deze ontwikkeling vond ook plaats te Hantumeruitburen. Eerst moet het grondbezit van de vroegere uithof van Klaarkamp/ Sion zijn opgesplitst in twee delen waarbij er dus een “nieuw huis” gebouwd moest worden: de complexen Nijehuijs en Germerhuijs ontstonden. In 1511(1) blijkt dat er nog eens een splitsing heeft plaatsgevonden waardoor er twee boerderijen
te Nijehuijs zijn ontstaan en twee te Germerhuijs. Op de ene boerderij woonde Botte to Germerhuijs, welke 83 pm gebruikte, op de andere Tjepka to Germerhuijs die 65 pm onder zijn hoede had. Botte en Tjepka moesten 1 floreen (=28 stuivers, dus f 1,40) per 3 pm aan huur betalen. Daarnaast lag er nog een zware last op elke pondemaat in de vorm van 1 voet (ong. 30 cm) onderhoud aan de “Waiterdijck to Werum”. In deze tijd moesten de boeren nog zelf de zeedijk versterken, zelf werkzaamheden verrichten, later werd dat door de overheid gedaan en moesten er dijklasten betaald worden door de grondeigenaars (of de pachters mochten de kosten in mindering brengen op de huur). Met waterdijk wordt bedoeld dat op die plaats het water tot aan de zeedijk stond, dus zonder een voorliggende kwelder. Dat de “waterdijk” bij Wierum een grote onderhoudslast was blijkt wel uit het feit dat de helft van het dorp Wierum in zee is gespoeld. Daarnaast betaalden de Wierumer boeren geen floreenbelasting aan de Provincie omdat zij genoeg geld moesten geven om de dijk te onderhouden. Soms waren de dijkslasten zo hoog dat de eigenaar geld toe moest geven aan de pachter! Eén eigenaar zag het helemaal niet meer zitten en deed afstand van zijn grond. Dit stuk land heet nog steeds “De Keizer” omdat de bedoelde grond toeviel aan Keizer Karel V.

Botte en Tjepka hebben een gedeelte van hun boerderij in eigen bezit. Het grootste gedeelte was echter van het klooster Sion zodat de boerderij Germerhuijs in het rekenboek van Sion is terug te vinden 2). In 1564 huurt Douwe Syurtsz 62 pm op Germerhuijs van het klooster waarvoor hij 33 goudguldens aan huur moet betalen. Een gedeelte van de huur moet hij in natura betalen: een tonne rode botter (voorjaarsboter) en een quartier corn (kwart lopen, een lopen is de hoeveelheid graan die nodig is om 1 pm land in te zaaien). Daarnaast moet hij nog zeven wagens met turf naar het klooster brengen, turf die hij uit de Dokkumer Wouden moest halen waar het klooster venen bezat.

Na de Reformatie van 1580 nemen de Staten van Friesland de kloostergoederen over. Van de opbrengsten worden predikanten en schoolmeesters betaald, weeshuizen bekostigd terwijl vroegere kloosterlingen hieruit hun pensioenen krijgen uitbetaald. Later wordt de opbrengst ook gebruikt om er de hoge kosten van de tachtigjarige oorlog mee te betalen. Deze bemoeienis van de overheid met de kloostergoederen levert diverse registers op waarin de inkomsten worden verantwoord. Dat betekent dat we weten dat Botte Douwes (zoon van Douwe Syurtsz?) in 1592 deze boerderij opnieuw huurt voor 67 gg en een geschenk van 15 gg en dat de broers Reijn en Syds Dyrcx na 1600 3) huurders zijn. Als de Staten de kloostergoederen verkopen, gaat ook Germerhuis in andere handen over. Wopcke Bartholomeus moet 5170 gg neertellen om zich eigenaar te mogen noemen van Germerhuis, groot 68 pm en nog 26 pm onder Niawier. Wopcke moet al zijn connecties te hulp roepen om genoeg geld bijeen te rapen want naast Germerhuis koopt hij nog meer boerderijen van de Staten. In een van die akten schrijft hij dat hij het geld nodig heeft “tot betalinge inde coopschat van landen bij mij van den Lantschappe gecogt gelegen tot Gerberhuijs tot hantumhuijsen waar wij op woonen”4).

Hij pakt zijn zaken goed aan want in 1651 laat hij waarschijnlijk een nieuwe boerderij op Germerhuis bouwen, in ieder geval een nieuwe poort want in de steen die van deze poort bewaard is, staan de initialen WB en het jaartal 1651. Tot ver in de achttiende eeuw zijn Wopcke en zijn erfgenamen eigenaar van de beide boerderijen op Germerhuis. Pas in 1754 gaat de boerderij in andere handen over. Eigenaar is Dr. De With die de boerderij verpacht aan huurders. In 1749 werd de boerderij ook al verpacht voor een bedrag van 345 gulden. Niettegenstaande die hoge huur wordt van de pachtster, Jacob Wytses weduwe, gezegd dat zij “wel in staat” is en daarom wel een hoge belasting kan betalen5).

Na 1750 bestaat de veestapel van de boerderij meestal uit een tiental koeien en een zestal paarden 6). Daarin komt in 1770 een dramatische wending. De veepest slaat ook op dit bedrijf toe waardoor er ineens maar twee koeien meer over zijn. Gelukkig herstelt een en ander zich langzamerhand en na het aantreden van een nieuwe boer gaat het zelfs bijzonder snel zodat er omstreeks 1800 wel een twintigtal koeien naast de genoemde zes paarden op het bedrijf aanwezig zijn, in 1805 wordt zelfs een aantal van 25 koeien en 4 vaarzen gehaald!.

Deze nieuwe boer is Andries Annes en met hem komt een nieuwe familie op Germerhuis die er een belangrijk stempel op zal drukken. Eerst is hij gewoon huurder/bedrijfsleider van de niet getrouwde eigenaar Jan Folkerts (mogelijk zijn zwager) die in 1789 een bedrag van f 13.447,- voor Germerhuis moest neertellen 7). Na 1798 is hij zelf eigenaar en heeft hij in totaal 126 pm tot zijn beschikking waarvan de huurwaarde wordt geschat op f 1113,-. Na 1820 is Anne Andries Mokma, als opvolger van zijn vader, zelfs eigenaar van het gehele gebied tussen Miedend en de opvaart naast Germerhuis waarmee de situatie van rond 1500 hersteld is.

Uit 1862, na de dood van Anne Andries Mokma, is een inventaris bewaard gebleven van Germerhuis. De onroerende goederen worden geschat op het kapitale bedrag van f 92.103,- waar onder de boerderij Germerhuis zelf voor f 3200,-. Aan vee is op de boerderij aanwezig: 10 melkkoeien, 7 vleeskoeien, 2 ossen, 7 hokkelingen, 7 kalveren, 6 melkschapen, 9 vlees-schapen, 14 lammeren, 2 oude varkens, 3 biggen en 6 paarden. Het totale vermogen van Mokma wordt na aftrek van alle schulden op bijna 120.000 gulden geraamd, een groot bedrag in het midden van de vorige eeuw. Het is tevens een bewijs van het vakmanschap als veehouders van de familie Mokma 8).

De boerderij wordt overgenomen door Andries Annes Mokma, vrijgezel en groot liefhebber van de jacht. Dat zal de reden zijn van de nieuwe naam die op een gedenksteen wordt gezet na de verbouw van de boerderij in 1874: 

“Nieuw herbouwd in 1874, Hiervan, de eerste steen gelegd, den 8e juni door Andries A. Mokma. Jagtlust”.

Deze steen zit nog steeds in de achtermuur van de boerderij, terwijl de naam Jagtlust terug is te vinden in de weg die naar de boerderij leidt: Jagtlustwei.

Andries Mokma is de laatste van zijn familie die op Germerhuis zal werken. Hij is niet gehuwd en na zijn dood wordt de boerderij geërfd door de kinderen van zijn zuster, leden van de familie Becking. Opnieuw wordt de boerderij verhuurd, vooral de familie Terpstra woonde een groot aantal jaren op Germerhuis.

Rond 1930 werd de oude poort uit 1651 opgeruimd, slechts een stuk steen met het jaartal 1651 en de initialen WB en de wapensteen die bovenin de poort bevestigd was, zijn bewaard gebleven. Deze poort (klik hier voor een afbeelding) was helemaal vanuit het water opgebouwd en omdat er een hele brede gracht (7 tot 9 meter!) met een brede boomsingel (waarin in de dertiger jaren nog een reigerkolonie zich gehuisvest had) helemaal rondom de boerderij liep, was men, als de zware poortdeuren dicht gingen, goed beschermd tegen rondzwervend gespuis, vooral in vroeger tijden van groot belang. Een leuk verhaal wat dat betreft vertelt de Friese schrijver Andries Minnes Wybenga, zelf bewoner van een klein boerderijtje dichtbij. De boer van de “Poartepleats” zoals deze boerderij in eigen omgeving bekend stond, kreeg twee zwervers in de keuken die hem niet zinden. Hij riep z’n knechts en zei: “Helje my turf en hout”. De zwervers dachten bij zichzelf: “Dit lijkt goed, het vuur in de stookplaats wordt nog wat aangevuld en wij worden goed onthaald”. Maar daar kwamen de knechts binnen met ieder een grote hond bij zich die luisterden naar de namen Turf en Hout. Dit hadden de landlopers niet verwacht en binnen de kortste keren waren ze de deur uitgewerkt, buiten de poort, die vergrendeld werd. Wybenga vertelt ook van de strijd tussen de boer van Germerhuis en de boer van Lutkewier onder Wetsens, zijn grote concurrent. Deze strijd moet zover zijn gegaan dat de ene boer de andere dood sloeg en zijn lichaam in de “Fiven” begroef. Pas na een aantal jaren werd diens geraamte terug gevonden.

Wybenga noemt deze streek het “twapleatselân” 9) omdat de boerderijen hier veelal twee aan twee liggen: twee boerderijen op Nijehuis, op Roderterp en dus ook de twee boerderijen op Germerhuis: Kommerhuis en Germerhuis. De boerderij Kommerhuis werd in de dertiger jaren al afgebroken, slechts een rij oude bomen houdt de herinnering vast.

Deze streek, geboortestreek van Wybenga wiens vader het nu als “Anders Minnes Wybengahûs” bekend staande boerderijtje in 1876 stichtte, moet Wybenga erg hebben geboeid want ook in het boek “Fan leed en lok” staat een opstel van hem over deze omgeving met als titel:

Iis, skets út it Twapleatselân (Sneek 1939, bl.64).

De zolder van het poortgebouw was lange jaren in gebruik als duivenverblijf. Aan de hofzijde waren twee reeksen vlieg-gaten voor deze vogels aangebracht. Natuurlijk waren de duiven bestemd voor de tafel van de bewoners van de boerderij, van het vlees konden lekkere pasteitjes gemaakt worden, maar ook de duivenmest was zeer in trek. Er werd zelfs duivenmest uitgevoerd en de tabaksplanten in Gelderland en Utrecht werden omstreeks 1750 bemest met Friese duivenmest.

Voor het houden van duiven in een duiventil (de “gibbe-flecht”: deze halfwilde duiven werden gibben genoemd) was een vergunning nodig. Van 1814 tot 1844 liet Andries Annes Mokma 200 duivenparen op zijn duiventil registreren. Rond 1850 werd in de boeken “geamoveerd” vermeld, maar het einde van de duivenhouderij was niet definitief want in 1856 vroeg zoon Anne Andries Mokma weer een registratie aan voor 200 paren. Vanaf 1873 tot 1891 tenslotte registreerde Andries Annes Mokma weer 200 paren. Na de dood in 1892 van deze Mokma werd geen vergunning meer aangevraagd wat niet betekende dat er geen duiven meer werden gehouden op de zolder van “de poarte”. Tot de sloop van het poortgebouw, de op de boerderij aanwezige mesthoop was opmerkelijk genoeg buiten de poort gesitueerd (betere hygiëne?), waren er nog ongeveer 100 veldduiven aanwezig welke alleen in de winter wat werden bijgevoerd. Tweemaal per jaar werd de zolder uitgemest en het aantal vogels uitgedund 10).

In 1930 bracht de bekende boerderijen-onderzoeker K. Uilkema een bezoek aan Germerhuis waar toen Pieter Wytzes Terpstra boer was. Hij maakte een tekening, een schetsje en een beschrijving van de toestand 11). Deze beschrijving is van groot belang omdat in 1939 het hele voorhuis veranderd werd. Het voorhuis staat nu enigszins naast de schuur en daarom is Germerhuis niet meer van het echte Friese kop-hals-romp type wat het waarschijnlijk honderden jaren is geweest.

Lijst van tijdens het onderzoek opgeduikelde bewoners:

1511 Botte tot Germerhuijs

1564 Douwe Syurtsz toe Germerhuijsen

1565-1570 Simon

1570-na 1580 Syttzye Dercksz

1592 Botte Douwes

1606 Reyn Dircks

1619 Syds Dircx

1636-1654 Wopcke Bartholomeus

1654-16? Bartholomeus Wopckes

16? -1698? Bartholomeus Wopckesweduwe

1698-1718 Wopke Bartholomeus de jonge

1718-1743 Jacob Wytses

1743-1754 Jacob Wytses weduwe

1754-1777 Wytse Jacobs

1777-1794 Willem Pytters

1794-1798 Jan Folkerts en Andries Annes samen

1798- Andries Annes Mokma

18 -1862 Anne Andries Mokma

1862-1890 Andries Annes Mokma

1890-1902 Douwe Douma 1902-1908 Jan Douwes Douma 1908-na 1939 Pieter Wytzes Terpstra Lettinga tegenwoordig G. Kingma 

Noten:

1. Register van den Aanbreng

2. RAF, Inventaris kleine kloosterarchieven

3. Uitgegev. in: Administrative en fiskale boarnen oangeande Fryslân, bl. 58

4. Hypotheekboek WED 30-10-1640

5. Quotisatiecohier, 1749

6. Gegevens afkomstig uit Speciecohieren WED

7. Proclamatieboek WED 26-6-1789

8. Notaris Witteveen Metslawier 18-12-1862

9. Dockumer Courant 17-8-1989 en Friesch Dagblad 10-11-1934

10. Vriendelijke mededeling van S. Visser te Leeuwarden, groot kenner van duiventillen in Friesland

11. Uilkema, een historisch boerderij-onderzoek, 1991, uitgegeven door de Stichting Historisch Boerderij Onderzoek te Arnhem, bl. 769

QR Code Business Card